Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7460

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2019
Datum publicatie
11-10-2019
Zaaknummer
13/017285-19 (A) en 13/207106-19 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 19-jarige man krijgt 139 dagen jeugddetentie waarvan 30 dagen voorwaardelijk omdat hij op 12 januari 2019 samen met een ander een slachtoffer met geweld van zijn tas en koptelefoon beroofde in Amsterdam-Zuidoost.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/017285-19 (A) en 13/207106-19 (B)

Datum uitspraak: 9 oktober 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 september 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. van der Linden, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.E. van Rossem, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan

Zaak A

1. poging tot doodslag van [slachtoffer 1] in vereniging gepleegd, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van diefstal met geweld, welk geweld daaruit bestond dat aangever bij de nek is gepakt, hij door middel van een stroomstootwapen weerloos is gemaakt en tegen zijn gezicht is geschopt op 12 januari 2019 te Amsterdam

en/of

diefstal met geweld tegen [slachtoffer 1] in vereniging gepleegd op 12 januari 2019 te Amsterdam;

2. het voorhanden hebben van een elektrisch stroomstootwapen op 19 januari 2019.

Zaak B

diefstal met geweld tegen [slachtoffer 2] in vereniging gepleegd op 10 januari 2019 te Amsterdam, subsidiair ten laste gelegd als medeplichtigheid aan de diefstal met geweld.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft betoogd dat de in zaak A onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde poging tot doodslag kan worden bewezen. De aangever is getaserd en is tegen het hoofd geschopt terwijl hij op de grond lag. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de medeverdachte een schop tegen het hoofd van de aangever heeft gegeven. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een belangrijk en kwetsbaar onderdeel van het lichaam is. Verdachte en zijn medeverdachte hebben nauw en bewust samengewerkt, hun rollen zijn inwisselbaar en de geweldshandelingen van de medeverdachte kunnen ook verdachte worden toegerekend. Door samen geweld te plegen tegen iemand en toe te kijken en erbij te staan wanneer diegene met schoenen aan tegen het hoofd wordt geschopt terwijl hij weerloos op de grond ligt, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood aanvaard.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft de officier gerekwireerd tot vrijspraak, omdat dat feit niet kan worden bewezen bij gebrek aan een wapenrapport.

Ten slotte heeft de officier zich op het standpunt gesteld dat medeplichtigheid aan de in zaak B ten laste gelegde diefstal met geweld ook kan worden bewezen. Verdachte wist van het plan van de diefstal en hij heeft daartoe zijn OV-kaart uitgeleend. Hiermee kan worden bewezen dat hij op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op de diefstal met geweld en daarbij behulpzaam is geweest door zijn OV-kaart uit te lenen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het in zaak A onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde bepleit, omdat verdachte door zijn handelen niet de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft aanvaard. Het onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde kan wel worden bewezen.

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de bijdrage van verdachte onvoldoende is om te kunnen concluderen dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest aan de ten laste gelegde diefstal met geweld.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde

Uit het strafdossier en het verhandelde op de zitting volgt dat aangever [slachtoffer 1] twee à drie keer in zijn gezicht is geschopt en dat hij daardoor pijn en letsel heeft bekomen, bestaande uitverwondingen in zijn gezicht en een zwelling bij het rechteroog. Verdachte heeft verklaard dat hij de aangever van achteren heeft vastgepakt, dat hij de koptelefoon heeft gepakt en dat de medeverdachte tegen het hoofd van aangever heeft geschopt. Hoewel de aangever heeft verklaard dat hij vol in zijn gezicht is getrapt, kan uit de verwondingen die bij de aangever zijn aangetroffen, niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van het met kracht schoppen tegen het hoofd. Nu er ook geen andere aanknopingspunten zijn en/of medische informatie is, is niet vast komen te staan dat sprake was van een aanmerkelijke kans dat de aangever zou komen te overlijden. De rechtbank acht het in zaak A onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde daarom niet bewezen, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, zoals in de bewezenverklaring is weergegeven. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte en zijn medeverdachte de aangever vanuit de metro zijn gevolgd met de bedoeling diens koptelefoon van hem af te pakken. Vanaf dat moment hebben verdachte en zijn medeverdachte nauw en bewust samengewerkt met het voornoemde doel. Ook bij het daadwerkelijke wegnemen van (onder meer) de koptelefoon van de aangever hebben zij nauw en bewust samengewerkt en ieder een deel van het geweld uitgeoefend. De rechtbank zal verdachte daarom veroordelen voor het medeplegen van de diefstal met geweld.

Vrijspraak van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde

Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad. In het dossier bevindt zich echter geen rapportage waaruit blijkt dat het aangetroffen wapen een voorwerp is zoals bedoeld in categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie. De rechtbank is daarom van oordeel dat er om die reden niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het voorhanden hebben van een stroomstootwapen zoals in zaak A onder 2 ten laste is gelegd. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het bezit daarvan.

Vrijspraak van het in zaak B ten laste gelegde

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – het in zaak B ten laste gelegde niet bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het strafdossier en de verklaring die verdachte op de zitting heeft afgelegd, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 10 januari 2019 met de twee medeverdachten op het metrostation Reigersbos is geweest. Ook stelt de rechtbank vast dat verdachte de OV-chipkaart van zijn moeder heeft uitgeleend aan één van de twee medeverdachten. De twee medeverdachten hebben het metrostation verlaten waarbij één van hen met de geleende OV-chipkaart heeft uitgecheckt. Verdachte heeft verklaard dat hij achter de medeverdachten is aangelopen en dat hij heeft gezien dat zij aangever aanspraken. Vervolgens heeft verdachte aangever horen roepen en zag hij de medeverdachten wegrennen. De rechtbank is van oordeel dat het uitlenen van de OV-chipkaart op zichzelf niet ondersteunend is geweest voor de diefstal met geweld en daarmee dat verdachte geen bijdrage daaraan heeft geleverd. Verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A onder 1

op 12 januari 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoofdtelefoon (Beats By Dr. Dre), een tas en een Apple I-pad, toebehorende aan [slachtoffer 1] of Nespresso, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte en zijn mededader:

- voornoemde [slachtoffer 1] van achter bij de nek hebben vastgepakt en

- met een stroomstootwapen, een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, tegen de slaap van voornoemde [slachtoffer 1] hebben getaserd en

- tegen voornoemde [slachtoffer 1] hebben geschreeuwd: ”trek je focking jas uit” en

- tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] hebben geschopt, terwijl [slachtoffer 1] op de grond lag.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 169 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte mee te wegen in de strafmaat. Daarnaast heeft hij verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft werk en hij heeft een heel duidelijk toekomstbeeld voor ogen. Ten slotte heeft verdachte aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een toezicht. De raadsman heeft verzocht aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast een voorwaardelijk deel met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld waarbij een stroomstootwapen is gebruikt. Hij heeft daarmee bijgedragen aan een heftig geweldsincident. Door zijn handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en blijk van gegeven onvoldoende respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin en heeft geen enkele rekening gehouden met de impact van zijn handelen op het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat een gebeurtenis als hiervoor omschreven grote impact kan hebben op het slachtoffer, met name nu het feit is gepleegd vóór de woning van de aangever.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 28 augustus 2019 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het op het psychologisch Pro Justitia rapport van 23 mei 2019 opgemaakt door S.L. Ladan. De rapporteur geeft hierin onder meer het volgende aan: er is bij onderzochte sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een licht verstandelijke beperking. Dit uit zich in minder zicht hebben op de wereld om hem heen, moeilijkheden met plannen, initiëren, oorzaak-gevolg relaties, beperkt sociaal inzicht en minder probleem oplossend vermogen. Gezien bovenstaande wordt de rechtbank ter overweging gegeven onderzochte de hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen. Onderzochte functioneert op een verstandelijk beperkt niveau, hij kan zijn gedrag lastig organiseren en de risico's van zijn handelen onvoldoende inschatten. Ook handelt hij zonder nadenken. Betreffende de strafrechtelijke afdoening wordt begeleiding van de jeugdreclassering geadviseerd via de William Schrikker Groep, aangezien zij specifieke kennis hebben van de LVB doelgroep.

De reclassering heeft zich in het rapport van 19 juni 2019 aangesloten bij het vorenstaande advies. Op de zitting is gebleken dat het goed gaat met verdachte. Hij werkt in het bedrijf van zijn broer en hij heeft zich ingeschreven voor een opleiding. Verdachte heeft een duidelijk doel voor ogen en wil zijn leven beteren. Daarnaast is de toezicht gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis goed verlopen. Reclassering adviseert daarom de oplegging van een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering en het meewerken aan een ambulante behandeling.

Adolescentenstrafrecht

De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte, die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. Ten aanzien van jongvolwassenen die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt, kunnen er omstandigheden zijn die leiden tot toepassing van het adolescentenstrafrecht. Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 19 jaar oud. De rechtbank ziet, gelet op het advies van de reclassering en de psycholoog, in de persoon van de verdachte aanleiding om recht te doen overeenkomstig de bepalingen van het adolescentenstrafrecht. Daarbij is voor de rechtbank doorslaggevend dat verdachte functioneert op een verstandelijk beperkt niveau, dat hij zijn gedrag lastig kan organiseren en dat hij de risico's van zijn handelen onvoldoende kan inschatten.

Oriëntatiepunten

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht Jeugd. Voor een diefstal met geweld is het oriëntatiepunt een taakstraf voor de duur van 60 uren, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie. Iedere strafverzwarende omstandigheid telt daarbij in beginsel voor 60 uur taakstraf, dan wel 1 maand jeugddetentie. De meest lichte vorm van een diefstal met geweld bestaat uit het weggrissen van een goed. Voor een dergelijk feit geldt voornoemd oriëntatiepunt. De rechtbank houdt er in dit geval in strafverzwarende zin rekening mee dat verdachte samen met een ander het slachtoffer voor diens woning op gewelddadige wijze heeft beroofd.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden en omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is, alles afwegend, van oordeel dat gelet op de ernst van het strafbare feit dat verdachte heeft gepleegd, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andere straf dan een jeugddetentie. De rechtbank houdt rekening met het feit dat het op dit moment goed gaat met verdachte en dat hij baat heeft bij het kader dat hem tot nu toe gedurende de schorsing van zijn voorlopige hechtenis is geboden. Het lijkt de rechtbank onverstandig om verdachte nu opnieuw vast te laten zitten. Dat zal immers tot een doorkruising van de ingezette positieve ontwikkeling leiden en dat is niet in het belang van verdachte en ook niet in het belang van de maatschappij. De rechtbank zal daarom een jeugddetentie opleggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. Aan de voorwaardelijk op te leggen straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.

9. Ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 376,99 aan materiële schadevergoeding en € 1.800,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de schade.

De raadsman heeft de vordering ten aanzien van de materiële schade niet betwist. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, namelijk 12 januari 2019.

Nu ook vaststaat dat verdachte het bewezen geachte feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend, samen met een ander heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Als de mededader de benadeelde partij betaalt is verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Nu de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van [slachtoffer 1] wordt, als extra waarborg voor betaling van het schadevergoedingsbedrag van € 2.176,99 aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 261,98 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van het in zaak B ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dus aan hem geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 1 eerste cumulatief/alternatief en onder 2 en het in zaak B ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van in zaak A onder1 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 139 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 30 dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en,

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zijn medewerking verleent aan het toezicht door de jeugdreclassering en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak de jeugdreclassering dat nodig vindt;

  2. zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische psychiatrie, te bepalen door de jeugdreclassering. Veroordeelde wordt tevens verplicht gesteld om zijn medewerking te verlenen aan diagnostiek. De toezichthouder zal betrokkene aanmelden voor deze behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de instelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Geeft opdracht aan de William Schrikker Groep om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 2.176,99 (zegge: tweeduizend honderdzesenzeventig euro en negenennegentig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 12 januari 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit bedrag bestaat voor een bedrag van € 376,99 uit materiële schade en voor een bedrag van € 1.800,- uit immateriële schade.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte verder in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt op aan verdachte de verplichting, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen de som van € 2.176,99 (zegge: tweeduizend honderdzesenzeventig euro en negenennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 12 januari 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, als verdachte heeft voldaan aan één van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. I. Mannen en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2019.