Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7365

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2019
Datum publicatie
24-10-2019
Zaaknummer
7999198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kort geding, burgemeesterssluiting gehuurde woonruimte vanwege in kelderbox aangetroffen grondstoffen voor het maken van explosieven, zoon huurder daarvoor strafrechtelijk veroordeeld, huurder was geen verdachte in die strafzaak, voorshands kan er niet vanuit worden gegaan dat huurder niet zijn hoofdverblijf had in het gehuurde, niet onnaanemelijk dat de bodemrechter beroep op buitengerechtelijke ontbinding van verhuurder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7999198 KK EXPL 19-820

vonnis van: 30 september 2019

func.: 42146

vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e

[opposant]

wonende te [woonplaats]

opposant

nader te noemen: [opposant]

gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib

t e g e n

de rechtspersoonlijkheid bezittende stichting Stichting Ymere

gevestigd te Amsterdam

geopposeerde

nader te noemen: Ymere

gemachtigde: mr. R.N.E. Visser

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding in verzet van 28 augustus 2019, met producties, heeft [opposant] vernietiging gevorderd van het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 1 augustus 2019. Voorafgaand aan de zitting van 23 september 2019 heeft [opposant] een tweetal aktes overlegd met aanvullende producties en daarin opgenomen een eis in reconventie. Ymere heeft voorafgaand aan de zitting nadere producties in het geding gebracht. [opposant] is in persoon verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Ymere is verschenen, vergezeld door mr. C.V. van Enckevort namens de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Na verder debat is vonnis gevraagd en is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.

Ymere verhuurt sinds 15 april 2016 aan [opposant] de woning aan het [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). [opposant] staat als enige persoon op dat adres ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP). Van de huurovereenkomst maken algemene bepalingen (hierna: de algemene bepalingen) deel uit. In de algemene bepalingen staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 6

(…)

2. De woning moet worden gebruik als woonruimte door de huurder en degene(n) met wie hij een huishouden heeft. De huurder is verplicht de woning zelf te bewonen en tot zijn hoofdverblijf te maken en te houden. (…) Gebruik als tweede woning en een hoofdverblijf elders is niet toegestaan. (…).

14. (…) Als de huurder stelt het verbod niet te overtreden, is hij gehouden het bewijs te leveren dat hij de woning volledig en onafgebroken zelf bewoont en heeft bewoond en er onafgebroken zijn hoofdverblijf heeft gehad. In een rechtszaak draagt de huurder daarvan de bewijslast. (…).

17. De huurder is aansprakelijk voor gedragingen in strijd met de voorgaande leden van dit artikel, zowel van zijn huisgenoten als van degenen die door de huurder en bedoelde huisgenoten in de woning zijn toegelaten. (…)”.

1.2.

De politie heeft op 4 april 2019 het gehuurde doorzocht. Daarbij zijn in de kelderbox grondstoffen aangetroffen waarmee, door combinatie met een zuur, de explosieve stof HMTD te maken is. In het proces-verbaal van de doorzoeking staat onder meer het volgende vermeld:

“(…) Beschrijving woning

De woning bestaat uit een hal met daarin de toegangsdeur tot een slaapkamer, een woonkamer, de meterkast, toilet/badkamer, bergruimte en een open verbinding met de keuken. De slaapkamer was op een bank na leeg. In de woonkamer stond een bank en een TV op een kast. In de woonkamer stond een rek met wat kleding. Op de grond lagen dekens. Kennelijk werd de woonkamer als slaapplaats gebruikt. In het berghok stond een wasmachine en een hoop rommel. In de woning zijn geen explosieven aangetroffen. (…)”.

1.3.

De zoon van [opposant] die zich tijdens de doorzoeking in het gehuurde bevond, is aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen. Tijdens het verhoor voor de inbewaringstelling op 5 april 2019, heeft hij onder meer verklaard:

“(…) Mijn ouders wonen in Nederland. (…) Ik woon bij mijn moeder. Ik sliep alleen even in het huis van mijn vader. Het is een leegstaande woning. Hij is op vakantie in [land] . (…) Ik verblijf nog steeds op het adres van mijn moeder. Ik bedoel daarmee dat ik woon op het adres van mijn moeder (…).”.

1.4.

Op 15 april 2019 heeft de politie een bestuurlijke rapportage, gericht aan de burgemeester van Amsterdam, opgesteld. Daarin staat onder meer vermeld dat dat er, op de manier zoals de in de kelderbox aangetroffen stoffen nu waren opgeslagen, geen sprake was van direct ontploffingsgevaar.

1.5.

De burgemeester van Amsterdam heeft op 2 mei 2019 ter handhaving van de openbare orde een bevel gegeven tot onmiddellijke sluiting van de woning voor een periode van drie maanden (hierna: het sluitingsbevel). In het sluitingsbevel staat onder meer vermeld dat er wordt uitgegaan van een onbewoonde woning en dat de belangen van de huurder dan ook als zodanig worden meegewogen (niet als bewoner) zodat de sluiting een beperktere impact op zijn belangen heeft.

1.6.

[opposant] heeft op 9 mei 2019 bezwaar gemaakt tegen het sluitingsbevel.

1.7.

Ymere heeft de huurovereenkomst bij brief van 28 mei 2019 buitengerechtelijk ontbonden op grond van het sluitingsbevel en [opposant] gesommeerd te bevestigen dat hij het gehuurde uiterlijk 15 juni 2019 vrijwillig zou ontruimen.

1.8.

Ymere heeft bij dagvaarding van 18 juni 2019 bij de kantonrechter in kort geding onder meer ontruiming van het gehuurde gevorderd.

1.9.

Bij vonnis van 10 juli 2019 is de zoon van [opposant] , wegens het in bezit hebben de in de kelderbox aangetroffen stoffen, veroordeeld voor overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 3 van de Wet precursoren voor explosieven. Van betrokkenheid bij plofkraken is hij vrijgesproken.

1.10.

Bij verstekvonnis van 1 augustus 2019 heeft de kantonrechter de vordering van Ymere tot ontruiming toegewezen. Het verstekvonnis is aan [opposant] betekend met de aanzegging dat de woning op 4 september 2019 gerechtelijk zou worden ontruimd. Bij vonnis van 3 september 2019 heeft de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis geschorst totdat in de onderhavige procedure is beslist.

1.11.

Het sluitingsbevel is op 2 augustus 2019 opgeheven. Op 5 september 2019 is de sleutel van de woning aan [opposant] ter beschikking gesteld.

Vordering en verweer in conventie en reconventie

2. [opposant] vordert in deze verzetprocedure kort gezegd, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het tegen hem uitgesproken verstekvonnis vernietigt en de vorderingen van Ymere alsnog afwijst.

3. [opposant] vordert in reconventie vernietiging van de buitengerechtelijke ontbinding, althans schorsing van de gevolgen hiervan totdat in een bodemprocedure is beslist. [opposant] vordert tevens dat Ymere wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door hem betaalde huurpenningen vanaf 5 april 2019 tot 5 september 2019 en de proceskosten.

4. Ymere blijft bij haar oorspronkelijke, ter zitting verminderde, eis en heeft de vordering in reconventie betwist.

5. Ymere heeft haar vordering kort gezegd gebaseerd op de stelling primair dat zij de huurovereenkomst op grond van artikel 6:267 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 7:231 lid 2 BW heeft ontbonden en subsidiair dat [opposant] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen in de huurovereenkomst doordat hij zich niet heeft gedragen als goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW. In het gehuurde zijn explosieve stoffen aangetroffen, waarmee op de belangen van omwonenden ernstig inbreuk is gemaakt. Voor zover de zoon van [opposant] voor de aanwezigheid daarvan heeft gezorgd, is [opposant] voor diens gedragingen verantwoordelijk (artikel 7:219 BW en artikel 6.17 van de algemene bepalingen). [opposant] had bovendien, in strijd met artikel 7:213 BW en artikel 6.2 van de algemene bepalingen) niet zijn hoofdverblijf in de woning. Deze tekortkomingen zijn zowel afzonderlijk als in samenhang bezien van voldoende gewicht om de huurovereenkomst te ontbinden en daarop vooruitlopend ontruiming in kort geding te rechtvaardigen.

6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

Beoordeling in conventie en reconventie

7. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [opposant] in zijn verzet kan worden ontvangen.

8. Gelet op het door Ymere gestelde onrechtmatig gebruik van het gehuurde door [opposant] en de schaarste op de sociale woningmarkt in Amsterdam, is het spoedeisend belang gegeven.

9. In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van Ymere in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Bij de beoordeling van een vordering tot ontruiming in kort geding is van belang dat ontruiming van een woning een vergaande maatregel is, die diep ingrijpt in het woonrecht en bovendien in de praktijk vaak tot onomkeerbare gevolgen leidt. Terughoudendheid is daarom op zijn plaats.

Primaire grond: buitengerechtelijke ontbinding ex artikel 7:231 lid 2 BW

10. Vaststaat dat de burgemeester van Amsterdam op 2 mei 2019 het gehuurde op grond van artikel 174a van de Gemeente wet voor een periode van drie maanden heeft gesloten vanwege een ernstige aantasting van de openbare orde. Daarmee is voldaan aan de criteria van artikel 7:231 lid 2 BW en staat tevens vast dat de verhuurder de huurovereenkomst in beginsel buitengerechtelijk kon ontbinden. Voor een rechtsgeldig beroep op de buitengerechtelijke ontbinding op grond van artikel 7:231 lid 2 BW is, anders dan [opposant] heeft aangevoerd, niet vereist dat het sluitingsbevel onherroepelijk is geworden. Reeds daarom komt de door [opposant] gevorderde vernietiging van de buitengerechtelijke ontbinding, daargelaten dat sprake is van een declaratoir, niet voor toewijzing in aanmerking.

11. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de bodemrechter in de gegeven omstandigheden het beroep van Ymere op de buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal achten, zoals [opposant] heeft aangevoerd. Hierbij spelen de volgende omstandigheden een rol. De zoon van [opposant] is veroordeeld voor het in het bezit hebben van de in de kelderbox aangetroffen grondstoffen voor explosieven. [opposant] is niet als verdachte aangemerkt in deze strafzaak. [opposant] was in [land] ten tijde van de huiszoeking waarbij deze stoffen zijn aangetroffen. Voorshands is er dan ook geen reden om te veronderstellen dat [opposant] wetenschap had van de aanwezigheid van deze stoffen in de kelderbox. De enkele omstandigheid dat sprake is van een vader-zoon relatie is, anders dan Ymere stelt, onvoldoende om bekendheid van [opposant] met de activiteiten van zijn zoon te kunnen aannemen.

12. In dit kort geding is verder onvoldoende komen vast te staan dat [opposant] niet zijn hoofdverblijf had in het gehuurde. [opposant] heeft aangevoerd dat hij al meer dan 50 jaar in Nederland woont en heeft gewerkt. Uit het paspoort van [opposant] blijkt dat hij vanaf 2015 in toenemende mate in [land] heeft verbleven, met name in 2018 en 2019. Het ging daarbij echter steeds om periodes van een maximaal drie weken, met uitzondering van de periode dat het gehuurde op grond van het sluitingsbevel was gesloten. Toen is [opposant] bij gebreke van een alternatief adres voor een langere periode in [land] bij zijn zus gebleven. [opposant] heeft aangevoerd dat hij geregeld naar [land] ging voor medische behandelingen aan zijn benen waarvoor in Nederland geen oplossing kon worden gevonden. [opposant] heeft verder, met onderbouwing van kassabonnen van de aankoop van schildersmaterialen en andere klusmaterialen en foto’s, aangevoerd dat het gehuurde zo goed als leeg was omdat hij het heeft laten schilderen. De goederen uit het gehuurde waren daarom opgeslagen op het balkon en in de kelderbox. Op 5 september 2019 is de sleutel van het gehuurde weer aan [opposant] ter beschikking gesteld. Hij heeft toen samen met een vriend het gehuurde weer voor het eerst betreden en direct foto’s gemaakt die, volgens hem, de inrichting van het gehuurde weergeven zoals die ook was ten tijde van de huiszoeking. Op deze foto’s zijn meubels – zoals banken, bedden en een bureau – in de woning en schilders- en klusbenodigdheden op het balkon waarneembaar. Tevens valt op dat de keuken is ingericht met keukengerei en levensmiddelen. [opposant] heeft verder een groot aantal bankafschriften in het geding gebracht waaruit valt te af te leiden dat vanaf zijn bankrekening in 2018 en 2019 regelmatig pinbetalingen in Amsterdam hebben plaatsgevonden. [opposant] heeft voorts aangevoerd dat hij als vrijwilliger werkt bij een bakkerij die op 15 minuten fietsafstand van het gehuurde ligt. Daartegenover heeft Ymere een beroep gedaan op het proces-verbaal van doorzoeking waarin is geconstateerd dat de woning nagenoeg leeg was. Het proces-verbaal maakt geen melding van de aanwezigheid of doorzoeking van het balkon, hetgeen valt te verklaren door het feit dat de doorzoeking was gericht op de aanwezigheid van explosieve stoffen waarvan niet aannemelijk is dat deze zich op het balkon bevinden. Gelet daarop kan niet worden uitgesloten dat het proces-verbaal op dit punt mogelijk niet volledig is. Ook de verklaring van de zoon van [opposant] bij de rechter-commissaris is genuanceerder dan Ymere doet voorkomen. De zoon van [opposant] heeft namelijk niet alleen verklaard dat sprake was van een leegstaande woning, maar ook dat zijn ouders in Nederland wonen en dat zijn vader op vakantie was in [land] . Tevens heeft hij verklaard dat hij woonachtig is bij zijn moeder. Op grond van het voorgaande kan er voorshands niet van uit worden gegaan dat [opposant] zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde had. Een nader onderzoek lijkt aangewezen, maar daarvoor is in dit kort geding geen ruimte.

13. Voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd – waarbij tevens acht wordt geslagen op het feit dat aan de sluiting van de woning een eenmalig incident ten grondslag is gelegd, op het feit dat door de aanwezigheid van de in de kelderbox aangetroffen stoffen geen sprake was van direct ontploffingsgevaar en het belang van [opposant] bij voortzetting van de huurovereenkomst als dat zijn hoofdverblijf is – maken dat niet onaannemelijk wordt geacht dat de bodemrechter het beroep van Ymere op de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zal achten. De door Ymere gevorderde ontruiming is op de primaire grond dan ook niet toewijsbaar.

Subsidiaire grond: ontbinding op grond van slecht huurderschap/geen hoofdverblijf in het gehuurde

14. Ymere stelt subsidiair dat het voorhanden hebben van de in de kelderbox aangetroffen explosieve stoffen kwalificeert als slecht huurderschap. [opposant] is daarvoor op grond van artikel 7:219 BW verantwoordelijk.

15. De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:219 BW volgt dat [opposant] aansprakelijk is voor gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich met zijn goedvinden daarop bevinden. Dit artikel vestigt een risicoaansprakelijkheid voor alle gedragingen van personen die zich met goedvinden van de huurder in of rond het gehuurde aanwezig zijn. Als er geen schade is toegebracht aan het gehuurde door die gedragingen, is beslissend of de huurder zich in het licht van die gedragingen zelf als een goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van deze vraag moeten alle omstandigheden van het geval worden meegenomen, waaronder de vraag of er een voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen (ECLI:NL:HR:2007:AZ8743).

16. De omstandigheid dat artikel 7:219 BW een aansprakelijkheid van de huurder vestigt voor een tekortkoming die hij niet zelf heeft bewerkstelligd, brengt mee dat het ontbreken van wetenschap in dat verband, indien aannemelijk, kan worden meegewogen bij de beoordeling van de vraag of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt (ECLI:NL:HR:2009:BH2952).

17. Ymere heeft in dit verband betoogd dat [opposant] er onvoldoende op heeft toegezien dat de gedragingen van zijn zoon achterwege bleven. In dit verband is van belang dat de stoffen in de kelderbox zijn aangetroffen toen [opposant] in [land] verbleef. [opposant] heeft de sleutels van het gehuurde aan zijn zoon heeft gegeven om gedurende zijn afwezigheid te kunnen zorgen voor zijn post en zijn woning. Nu er voorshands onvoldoende aanwijzingen zijn om te veronderstellen dat [opposant] wetenschap had van de aanwezigheid van grondstoffen voor explosieven in de kelderbox of dat [opposant] moest vermoeden dat zijn zoon zich daarmee bezig hield, valt zonder nadere toelichting niet in te zien hoe [opposant] in dit verband een verwijt kan worden gemaakt. Bij deze stand van zaken en gelet op hetgeen hiervoor bij 10. tot en met 13. reeds is overwogen ten aanzien van het hoofdverblijf van [opposant] , is onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van tekortkomingen die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen. Op de gevolgen daarvan kan in dit kort geding dan ook niet worden vooruit gelopen. De door Ymere gevorderde ontruiming is op de subsidiaire grond evenmin toewijsbaar.

Huurtermijnen van 5 april 2019 tot 5 september 2019

18. [opposant] stelt dat hij in deze periode als gevolg van de woningsluiting geen woongenot heeft gehad. De woning is weliswaar weer vrijgegeven op 2 augustus 2019, maar Ymere heeft dat niet aan [opposant] laten weten. Indien Ymere dat wel had gedaan, had [opposant] reeds een maand eerder weer gebruik kunnen maken van het gehuurde.

19. De oorzaak van de woningsluiting en het niet hebben van het huurgenot ligt in de risicosfeer van [opposant] . Dat geldt ook voor het feit dat hij het huurgenot al weer had kunnen hebben vanaf begin augustus 2019. [opposant] had zelf contact kunnen onderhouden met de gemeente en de sleutel bij de gemeente kunnen ophalen. Dat hij dat niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening. De vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

20. Ymere wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten in conventie belast, met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding. De kosten daarvan komen voor rekening en risico van [opposant] . [opposant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten in reconventie belast. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, worden deze begroot op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:

conventie

verklaart het verzet gegrond, vernietigt het verstekvonnis en wijst de vorderingen van Ymere alsnog af;

veroordeelt Ymere in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [opposant] begroot op € 480,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt Ymere in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat Ymere niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [opposant] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Ymere begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. Brokkaar, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.