Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7347

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
18-10-2019
Zaaknummer
13/741048-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing, gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/741048-19 en 13/169007-17 (TUL)

Datum uitspraak: 25 september 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1960,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , op dit moment gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 11 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. V.H. Hammerstein, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer] op 28 mei 2019 te Amsterdam.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het strafdossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring te komen. De aangifte wordt op belangrijke onderdelen niet ondersteund door de getuigenverklaringen. Het dossier bevat verder een proces-verbaal van bevindingen omtrent de door verdachte gebruikte modus operandi, maar dat is geen bewijsmiddel om dit specifieke feit te kunnen bewijzen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Zowel aangever [slachtoffer] als getuige [ getuige 1] hebben verklaard dat verdachte tegen aangever is aangelopen, dat verdachte op boze toon heeft geroepen en geschreeuwd, dat hij om 30 euro heeft gevraagd en dat aangever 15 euro heeft afgegeven. Aangever heeft verder verklaard dat verdachte een scherp zilverkleurig voorwerp aan hem heeft getoond terwijl verdachte zei: "geef me 30 euro of ik steek een mes in je lijf". Getuigen [ getuige 1] en [getuige 2] hebben dat voorwerp niet gezien. Wel heeft [ getuige 1] verklaard dat hij aan de houding en het gezicht van aangever zag dat deze bang en geschrokken was. Verdachte is vrijwel meteen nadat aangever het geld had afgegeven door verbalisanten aangehouden en onderzocht aan de kleding. Hierbij werd in de kontzak van verdachtes broek een zilverkleurige schaar zonder handvat aangetroffen. De rechtbank gaat er van uit dat deze schaar het ‘scherpe zilverkleurige voorwerp’ is dat verdachte aan aangever heeft getoond. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de omschreven situatie past in de door de politie omschreven bekende modus operandi van verdachte en is 15 euro bij verdachte aangetroffen, exact het bedrag waarvan aangever zegt dat hij dit aan verdachte onder bedreiging heeft moeten afgeven.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 28 mei 2019 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 15 euro, dat toebehoorde aan voornoemde [slachtoffer] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- tegen voornoemde [slachtoffer] is aangelopen en vervolgens

- op dreigende toon hem heeft aangesproken, waarbij hij, verdachte heeft gezegd: "Geef me 30 euro of ik steek een mes in je lijf" en vervolgens

- op korte afstand een soortgelijk voorwerp als een mes aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en zijn geld heeft geëist waardoor voornoemde [slachtoffer] zich gedwongen voelde om dat geld af te geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging gevorderd.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de kwetsbaarheid, de verstandelijke beperking en de gezondheid van verdachte, aan hem een veel lagere straf moet worden opgelegd waarvan bovendien een gedeelte voorwaardelijk, zodat verdachte kan worden geplaatst in het [instelling] . Daarmee wordt verdachte opgevangen en wordt de kans op recidive verminderd. Als aan verdachte een langere gevangenisstraf wordt opgelegd, zal zijn plek bij het [instelling] naar een ander gaan en komt verdachte opnieuw op straat terecht.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing op de openbare weg. Om de aangever tot afgifte van geld te dwingen heeft verdachte aangever op dreigende toon aangesproken en hem een scherp voorwerp getoond. Zowel aangever als getuigen hebben verklaard dat zij bang waren voor verdachte. Verdachte heeft door zijn gedrag bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft zich laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich kennelijk geen moment bekommerd om de gevolgen van een dergelijk delict.

Uit het maar liefst 40 pagina’s tellende uittreksel Justitiële Documentatie van 15 augustus 2019 van verdachte blijkt dat hij zich vaker aan soortgelijke feiten schuldig heeft gemaakt. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee. De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van Tactus verslavingszorg van 3 september 2019 en het advies van de deskundige Nuyens, reclasseringswerker bij Inforsa, als gegeven op de zitting. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte tot dusver niet of nauwelijks heeft meegewerkt aan hulpverlening, waardoor de kans op onttrekking aan eventuele bijzondere voorwaarden hoog is. Desondanks wordt geadviseerd om een voorwaardelijke straf te overwegen omdat de optie van afstraffen volgens Tactus verslavingszorg ook weinig perspectief biedt.

De deskundige heeft op zitting geadviseerd om géén voorwaardelijke straf op te leggen, omdat verdachte volstrekt niet gemotiveerd op hem overkomt. Daarnaast is volgens de deskundige een voorwaardelijke straf niet nodig om verdachte bij het [instelling] te kunnen plaatsen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij speelt mee dat verdachte ook tijdens zijn schorsing niet mee heeft willen werken aan de in dat kader opgelegde voorwaarde dat hij mee zal werken aan het opstellen van een Pro Justitia rapportage.

Bij de vaststelling van de duur van deze vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aanmerking de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze oriëntatiepunten nemen bij een straatroof met recidive als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor na te noemen duur passend en geboden.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 juni 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/169007-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 26 juni 2018 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 dagen, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ook bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

afpersing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 26 juni 2018 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 september 2019.