Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7346

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
13/139591-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor winkeldiefstallen en 184 Sr. Geen (voorwaardelijke) ISD-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/139591-19 en 15/091840-17 (TUL)

Datum uitspraak: 18 september 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] ,

thans gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 11 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. S.J. van Galen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 10 juni 2019 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan

1. primair: winkeldiefstal;

subsidiair: poging tot winkeldiefstal;

2. vernieling van (het oortje van) een portofoon van [medewerker Kruidvat B.V.] en/of Kruidvat B.V.;

3. het niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel;

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, omdat ten aanzien van beide feiten het opzet ontbreekt.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat zij niet de intentie heeft gehad om de goederen weg te nemen en dat dit ook niet blijkt uit het strafdossier. Op de camerabeelden zou een trekkende beweging te zien zijn waarbij verdachte het prijskaartje van de tas zou trekken. Er wordt echter niet gezien dat het prijskaartje daadwerkelijk van de tas wordt getrokken. Daarnaast wordt het prijskaartje teruggevonden op een plek in de winkel waar verdachte daarna niet is geweest. Bovendien heeft verdachte de tas met de goederen bij de kassa achtergelaten.

Ook ten aanzien van de ten laste gelegde vernieling (feit 2) heeft verdachte verklaard dat zij daar geen opzet op heeft gehad. Dit wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] , inhoudende dat het oortje is gesneuveld in een worsteling. Verdachte heeft ook geen voorwaardelijk opzet gehad op de vernieling, omdat je door het enkele verzetten in een worsteling niet willens en wetens de kans aanvaard dat het oortje kapot gaat, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1, primair

Zowel aangever [medewerker Kruidvat B.V.] als getuige [getuige] hebben verklaard dat zij via camerabeelden hebben gezien dat verdachte een tas heeft gepakt en dat zij daar het prijskaartje van af heeft getrokken. Dit is ook door de rechter-commissaris waargenomen op de camerabeelden. Vervolgens heeft verdachte twee gezichtsmaskers en een zak snoep in die tas gestopt. Daarna heeft verdachte een ‘Hansaplast Kniebandage’ uit het schap gepakt, welke zij heeft ontdaan van de beveiligingssticker. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op het wegnemen van die goederen. Door bovendien het prijskaartje van de tas en de beveiligingssticker van de kniebandage te halen en vervolgens goederen in die aldus geprepareerde tas te stoppen, heeft verdachte zich een zodanige feitelijke heerschappij over de goederen verschaft dat de wegnemingshandeling toen daarmee is voltooid. Dat verdachte de goederen bij de kassa heeft achtergelaten en naar buiten is gelopen, doet daar niet aan af, omdat op dat moment al sprake was een voltooide diefstal.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Getuige [getuige] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat verdachte en de beveiliger, aangever [medewerker Kruidvat B.V.] , in een worsteling verzeild zijn geraakt. Verdachte heeft daarbij met haar armen om zich heen gemaaid en daarbij het ‘oortje’ van aangever kapot getrokken. Dit wordt ondersteund door de verklaring die verdachte op de zitting heeft afgelegd, inhoudende dat er sprake was van geduw en getrek en dat zij de arm van aangever heeft weggetrokken. De rechtbank is van oordeel dat door het maken van die armbewegingen verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij daarbij iets zou vernielen.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het proces-verbaal van uitreiking van 29 april 2019 en het proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2019 het onder 3 ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1, primair:

op 10 juni 2019 te Amsterdam een handtas, gezichtsmaskers, snoepgoed en een kniebandage, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan winkelbedrijf Kruidvat B.V., vestiging [adres] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Ten aanzien van feit 2:

op 10 juni 2019 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk het oortje van een portofoon, dat aan een ander, te weten aan [medewerker Kruidvat B.V.] of winkelbedrijf Kruidvat B.V., vestiging [adres] , toebehoorde, heeft vernield;

Ten aanzien van feit 3:

op 10 juni 2019 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel, te weten een verblijfsverbod, kenmerk Overlastgebied Zuidoost krachtens een wettelijk voorschrift, te weten 2.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening, gedaan door of namens de burgemeester van Amsterdam, inhoudende dat zij, verdachte, zich in de periode van 13 april 2019 tot en met 12 juli 2019 niet mocht bevinden in Overlastgebied Zuidoost, door zich op voornoemde datum omstreeks 17:45 op het [adres 2] te bevinden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Als tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) in geheel voorwaardelijke vorm zal worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren en de door de Reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de officier verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit geen voorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen, omdat niet aan de ‘zachte criteria’ is voldaan. Uit het reclasseringsrapport van 6 september 2019 blijkt niet dat de mogelijkheden tot hulpverlening zijn uitgeput. Verdachte is bereid mee te werken aan de bijzondere voorwaarden. Een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast een voorwaardelijke straf met de door de Reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zou daarom kunnen volstaan. Tenslotte heeft de raadsman verzocht het in het rapport als bijzondere voorwaarde opgenomen elektronische toezicht niet op te leggen, omdat door de overige geadviseerde bijzondere voorwaarde al een strikt kader wordt geboden en het elektronisch toezicht daarom geen meerwaarde heeft.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Winkeldiefstal is een hinderlijk en vervelend feit. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 5 augustus 2019 is verdachte al veelvuldig wegens vermogensdelicten veroordeeld. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een oortje van een portofoon van een beveiliger en het overtreden van een gebiedsverbod. Dit zijn overlast gevende feiten waarmee verdachte bovendien aantoont weinig respect te hebben voor ordehandhavers dan wel gezagdragers.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat verdachte voldoet aan de ISD-criteria, maar ziet desondanks toch aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 6 september 2019 waaruit blijkt dat verdachte tijdens de voorlopige hechtenis heeft ingezien wat haar gedrag tot gevolg heeft gehad en dat zij gemotiveerd is haar levensstijl aan te passen. Om die reden adviseert de reclassering verdachte een kans te geven en aan haar een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld.

De rechtbank acht het van groot belang dat verdachte gaat werken aan haar (verslavings)problematiek. Op de zitting heeft verdachte de rechtbank ervan overtuigd dat zij gemotiveerd is haar problemen met hulp van de reclassering aan te gaan pakken. De rechtbank gelooft in de motivatie van verdachte en wil haar een laatste kans geven een positieve wending aan haar leven te geven. De rechtbank is van oordeel dat een stok achter de deur daarbij noodzakelijk is, maar dat dit niet nodig is in de vorm van een voorwaardelijke ISD-maatregel. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daaraan gekoppeld de na te noemen bijzondere voorwaarden. De rechtbank hecht er daarbij aan op te merken dat het nu aan verdachte is om aan te tonen dat zij het in haar gestelde vertrouwen niet beschaamt en niet opnieuw recidiveert. Mocht dat wel gebeuren dan zal oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel in de rede liggen.

Bij de vaststelling van de duur van deze vrijheidsbenemende straf heeft de rechtbank acht geslagen op de aanmerking de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Deze oriëntatiepunten nemen als uitgangspunt bij een winkeldiefstal met recidive een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden (120 dagen). Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een vernieling en het overtreden van een ambtelijk gegeven bevel. De rechtbank acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen passend en geboden. Nu verdachte vanaf de dag na de uitspraak, te weten vanaf 19 september 2019, terecht kan bij Exodus en zij dan 102 dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal de rechtbank een gedeelte van 48 dagen voorwaardelijk opleggen.

9 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 14 augustus 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 15/091840-17, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 28 juli 2017 van de politierechter Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een week, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ook bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank acht op dit moment het toewijzen van de vordering tenuitvoerlegging echter niet opwegen tegen het belang dat verdachte zo snel mogelijk bij Exodus geplaatst wordt. De rechtbank zal de vordering om die reden afwijzen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 184, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1, primair:

diefstal;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 48 dagen, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en,

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast als de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

1. zich na het ingaan van de proeftijd binnen drie werkdagen meldt bij de reclassering van het Leger des Heils, op het adres [adres reclassering] (telefoonnummer: 088-0901000). Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. zich ambulant laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als zich een aanleiding voordoet waardoor een grote kans op een risicovolle situatie ontstaat, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie en observatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt;

3. zich laat behandelen door Inforsa Het Forensisch ACT, outreachend behandelen (gericht

op complexe psychiatrische en/of verslavingsproblematiek in combinatie met ernstige sociale ontwrichting) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

4. verblijft in [instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld;

5. haar medewerking verleent aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd; en,

6. op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. Dit betreft het adres van Exodus (of soortgelijke instelling) op het moment dat daar plek voor haar is. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf met parketnummer 15/091840-17 af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. M.A.E. Somsen en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.D. van der Heiden, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2019.