Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7215

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
RK 19/4092
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex art 164 lid 8 WVW 1994 gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 19/4092

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:

[klager],

geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats], wonende op het adres [adres 1], [plaats 1],

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman, mr. R.A.A. Kool, [adres 2] te [plaats 2] ([adres 3], [plaats 2]),

klager.

De procesgang

Het klaagschrift is op 9 juli 2019 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.

De rechtbank heeft op 1 augustus 2019 klager, zijn raadsman en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.

Klager heeft in zijn klaagschrift en in raadkamer betoogd zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk en – kort weergegeven – het volgende aangevoerd. Klager is als zzp-er werkzaam als taxichauffeur op zorgtaxi’s. Hij vervoert door heel Nederland ouderen en minder validen en/of zieke mensen die vervoer hebben ingekocht via de zorgverzekeraar. Zonder rijbewijs kan hij zijn werkzaamheden niet uitvoeren met alle gevolgen vandien.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat – gelet op de duur waarop het rijbewijs thans is ingevorderd en het door klager aangevoerde belang bij het kunnen beschikken over zijn rijbewijs – het persoonlijk belang van klager om te kunnen werken en zo inkomen te genereren thans opweegt tegen het algemeen belang.

De beoordeling

Tegen klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 8 lid 2 WVW 1994, gepleegd te Amsterdam op 8 juli 2019.

Het proces-verbaal houdt onder meer in dat de uitslag van het bij klager afgenomen ademonderzoek 650 µg/l (microgram alcohol per liter uitgeademde lucht) bedroeg.

Op 8 juli 2019 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd.

Op 15 juli 2019 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs uiterlijk – 4 maanden – tot 5 november 2019 wordt ingehouden.

Uit het uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van 18 juli 2019 blijkt onder meer dat aan klager in 2012 een geldboete is opgelegd wegens overtreding van artikel 8 WVW 1994.

Het is nog onbekend wanneer de strafzaak tegen klager behandeld zal worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, omdat het vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van klager hoger was dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Ondanks de ernst van het feit waarvan klager wordt verdacht, moet – gelet op de persoonlijke omstandigheden van klager – ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat aan klager een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, korter dan de tijd die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden zal zijn geweest. Het beklag dient dan ook gegrond te worden verklaard.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond.

De rechtbank gelast de teruggave van het rijbewijs aan klager.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C.M. Degenaar, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2019.

Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.