Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7201

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-06-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
RK 19/563 en 19/1644
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

bezwaar ex 552a Sv. Beslag ogv 94 en 94a sv. Ongegrond. Geen strijd subsidiairiteit. Voor zover OM twee sporen volgt (ontneming/schikking) raakt dat toets rb in deze procedure niet. vrijgesproken voor witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 19/563 en 19/1644

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering van:

[klager]

geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] , wonende op het adres [adres 1] ,

woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsvrouw, mr. W. de Vries, [adres 2] ,

klager, tevens beslagene.

Procesgang

Het klaagschrift met nummer RK 19/563 is op 25 januari 2019 en het klaagschrift met nummer RK 19/1644 is op 14 maart 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van het klaagschrift met RK 19/563 op 27 februari 2019 schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt.

Ter onderbouwing van de standpunten zijn door de raadsman en het Openbaar Ministerie diverse stukken uit de ontnemingsprocedure in de zaak met parketnummer 13/676671-10 overgelegd, waaronder de conclusies van antwoord (“Ronde II”) en dupliek.

De rechtbank heeft op 24 mei 2019 de (gemachtigde) raadsman van klager, mr. W. de Vries, kantoorgenoot van mr. Helwegen, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Klager is, hoewel rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Inhoud van de klaagschriften

De klaagschriften strekken tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen, te weten: een geldbedrag van € 40.000,00 (RK 19/563) en diverse voorwerpen en geldbedragen zoals genoemd op het beslagoverzicht, welk overzicht als bijlage aan deze beschikking is gehecht (RK 19/1644).

De raadsman van klager heeft naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd.

Primair is verzocht om opheffing van al het beslag omdat geen sprake is van onverklaarbaar vermogen. De in de strafzaak (parketnummer 10/676671-10) door klager naar voren gebrachte (legale) inkomstenbronnen zijn door het gerechtshof als ‘voldoende aannemelijk’ gewaardeerd, waarop klager is vrijgesproken van witwassen. Nu deze inkomsten, welke vermogen hebben gegenereerd dat de hoogte van de ontnemingsvordering ontstijgt, niet langer kunnen worden aangemerkt als onverklaarbaar vermogen, komt de grondslag van de ontnemingsvordering te vervallen, nu deze is berekend aan de hand van een vermogensvergelijking.

Daarnaast is het volgende aangevoerd. Klager is weliswaar veroordeeld wegens het voorhanden hebben van een vuurwapen en verdovende middelen, maar dit zal niet tot wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen leiden, zodat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter, later oordelend, aan klager een ontnemingsmaatregel zal opleggen.

Daarnaast is aangevoerd dat aan klager reeds een navorderingsheffing is opgelegd voor de ‘ [naam] ’. Dit bedrag dient dan ook op grond van artikel 74 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) buiten de ontnemingsprocedure te worden gehouden.

Klager wordt bezwaard door het beslag en voortduring daarvan is in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Nu klager is vrijgesproken van witwassen, de door hem overgelegde berekening ten aanzien van zijn inkomstenbronnen door het gerechtshof als ‘aannemelijk’ zijn aangemerkt, het beslag (grotendeels) reeds lange tijd voortduurt, klager daardoor in zijn zakelijke belangen wordt beperkt en bovendien de fiscus bij opheffing van het beslag eerst openstaande belastingaanslagen zal inlossen, leidt voortduring van het beslag tot een excessieve last voor klager en is geen sprake meer van de vereiste ‘fair balance’.

In raadkamer is gepersisteerd bij het voorgaande en subsidiair verzocht het beslag te matigen tot het door de officier van justitie mondeling gedane schikkingsvoorstel van

€ 150.000,00 dan wel tot een bedrag dat op basis van de proportionaliteit en subsidiariteit nog wel als redelijk kan worden aangemerkt.

Meer subsidiair is verzocht het beslag in elk geval ten aanzien van de recent in beslag genomen € 40.000,00 op te heffen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft verklaard zich te verzetten tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klager en heeft daartoe aangevoerd dat het belang van strafvordering zich daartegen verzet, omdat het Openbaar Ministerie ten aanzien van de

€ 40.000,00 zal vorderen dat dit geldbedrag verbeurd wordt verklaard dan wel dient tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van door klager wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit laatste geldt ook ten aanzien van de overige voorwerpen.

Ten aanzien van het beslag ex artikel 94 Sv:

Ten aanzien van het klassiek beslag (€ 40.000,00) is aangevoerd dat sprake is van een witwasonderzoek. De omstandigheden waaronder dit bedrag is aangetroffen rechtvaardigen de witwasverdenking. Dit onderzoek loopt nog en klager zal binnenkort worden gehoord omtrent de herkomst van het geld. De in die zaak door zijn raadsman gestelde herkomst, namelijk een schadevergoeding in het kader van een 591a Sv-procedure, is niet vindbaar in de systemen. Bij deze stand van zaken is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring van het geld zal komen.

Ten aanzien van het beslag ex artikel 94a Sv:

Het geldbedrag van € 40.000,00 is tevens conservatoir in beslag genomen en valt binnen de eerder door de rechter-commissaris afgegeven machtiging tot het leggen van conservatoir beslag in het kader van een (toen nog) strafzaak en/of (thans nog) ontnemingsprocedure (parketnummer 13/676671-10). De ontnemingsprocedure loopt nog steeds, en nu de schriftelijke rondes met de conclusies van antwoord (‘Ronde II’) en dupliek zijn afgerond, zal deze binnen afzienbare tijd worden voortgezet. Weliswaar is ook over een schikking gesproken, maar dit was slechts een verkennend gesprek. Daarbij is niets toegezegd over het beslag. Bovendien is een eventueel schikkingsaanbod niet relevant in het kader van de onderhavige beslagprocedure.

Ten aanzien van de ontnemingsprocedure geldt voorts het volgende. In de inmiddels afgedane witwaszaak tegen klager is door hem aangevoerd dat sprake was van legale inkomsten. Deze door klager gestelde legale inkomsten kunnen echter niet leiden tot een hoger beginsaldo van de kasopstelling, welke ten grondslag ligt aan de ontnemingsvordering. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op alle mogelijke inkomstenbronnen, de conclusie dat het niet anders kan dan dat de in de woning aangetroffen voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn, niet gerechtvaardigd is. Het Hof heeft zich hiermee echter niet uitgelaten over de (al dan niet) legale herkomst van het totaalbedrag van de kasopstelling, waarover betrokkene in de onderzoeksperiode heeft kunnen beschikken, nu de witwasvervolging in de onderliggende strafzaak zich heeft beperkt tot het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen. Bovendien ligt het op de weg van klager om aannemelijk te maken dat de inkomsten voortvloeien uit legale activiteiten en dat het beginsaldo van de kasopstelling op € 346.567,03 dient te worden gesteld. Daar is met de door klager overgelegde stukken en getuigenverklaringen niet aan voldaan.

Ook wordt het zeer onaannemelijk geacht dat de gestelde inkomsten in de jaren vóór 2008 nog (onverkort) aanwezig zou zijn geweest op 1 januari 2008. Daarbij is ook van belang dat klager er volgens diverse getuigenverklaringen een dure levensstijl met een riant uitgavenpatroon op na hield.

Voortduring van het beslag is bovendien niet disproportioneel te achten. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt thans geschat op een bedrag van € 1.316.244,36 (nog aan te vullen met diverse reiskosten), terwijl beslag is gelegd ter waarde van slechts iets meer dan de helft van dit bedrag, te weten € 857.000,00. Bovendien wordt op korte termijn een inhoudelijk oordeel in de ontnemingszaak verwacht. Tot slot is niet aannemelijk dat klager dermate in zijn belangen wordt geschaad door voortduring van het beslag, nu recent onder hem € 40.000 aan contant geld is aangetroffen. Kennelijk beschikt klager nog altijd over onverklaarbare inkomsten en ondervindt hij geen problemen qua cashflow.

Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van klager, dat ter zake van [naam] geen ontneming meer mag plaatsvinden vanwege een navorderingsaanslag, geldt dat artikel 74 AWR enkel in de weg staat aan toepassing van de ontnemingsmaatregel als dat voordeel uitsluitend op één of meer fiscale delicten is gebaseerd. Daarvan is geen sprake.

Gelet op het voorgaande is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de rechter, later oordelend, aan klager een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Gevorderd wordt dan ook het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.

De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Op 15 januari 2019 is op de voet van artikel 94 Sv een geldbedrag van € 40.000,00 in beslag genomen. Op 16 januari 2019 is op dit geldbedrag tevens beslag gelegd op de voet van artikel 94a Sv.

Op 21 augustus 2013 zijn op de voet van artikel 94a Sv diverse goederen in beslag genomen, welke goederen zijn vermeld op het beslagoverzicht en welk overzicht als bijlage aan deze beschikking is gehecht.

Klager wordt – kort gezegd – verdacht van witwassen in de zaak ten aanzien van de

€ 40.000,00 (RK 19/563). Ten aanzien van het overige beslag (RK 19/1644) alsmede ten aanzien van voornoemde € 40.000,00 voor zover er conservatoir beslag op rust, loopt tegen klager een ontnemingsprocedure.

De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Ten aanzien van het beslag op de voet van artikel 94 Sv

In geval van een beklag van de beslagene tegen een op de voet van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het in beslag genomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer het inbeslaggenomene kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen. Voorts verzet het door artikel 94 Sv beschermde belang van strafvordering zich tegen teruggave indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, met betrekking tot het voorwerp de verbeurdverklaring zal uitspreken of onttrekking aan het verkeer zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, Sr in verbinding met art 552f Sv.

In het onderhavig geval is sprake van een geldbedrag dat volgens het Openbaar Ministerie vatbaar is voor verbeurdverklaring.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal uitspreken.

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen geldbedrag zal verbeurd verklaren. Immers, klager wordt verdacht van witwassen, nadat onder hem in een hotel een groot bedrag aan geld is aangetroffen, terwijl klager beschikt over een bankrekening, en hij onmiddellijk het hotel verliet in plaats van zich, zoals verzocht, te melden. Het onderzoek naar de herkomst van dit geld loopt nog en klager zal binnenkort worden gehoord. De rechtbank is bij deze stand van zaken dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.

Het beklag ten aanzien van het beslag ex artikel 94 Sv dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van het beslag op de voet van artikel 94a Sv

In de onderhavige procedure dient de rechtbank te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, of klager redelijkerwijs als rechthebbende op het inbeslaggenomene kan worden aangemerkt.

Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor – in dit geval – artikel 94a Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt.

In het onderhavig geval is sprake van voorwerpen en geldbedragen die volgens het Openbaar Ministerie aan klager toebehoren en die dienen tot bewaring van het recht van verhaal voor een aan klager op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak tegen klager, aan hem de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen (artikel 94a lid 2 Sv).

Op grond van de zich thans in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer is de rechtbank van oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, in de ontnemingszaak aan klager/verdachte de verplichting tot betaling aan de staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Tegen klager loopt een ontnemingsprocedure, waarbij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op een kasopstelling. Klager is weliswaar inmiddels vrijgesproken van het hem in de eerdere zaak met parketnummer 13/676671-10 ten laste gelegde witwassen, maar dit staat het indienen en eventueel toewijzen van een ontnemingsvordering niet in de weg. Klager is wél veroordeeld wegens wapens- en drugsbezit, feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

De ontnemingsprocedure zal, nu de schriftelijke ronde is doorlopen, binnen afzienbare tijd worden hervat.

In de ontnemingsprocedure wordt thans gevorderd het door klager wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 1.316.244,00 (nog aan te vullen met een bedrag wegens de diverse door klager gemaakte reiskosten). Het beslag ziet op een waarde van € 857.000,00. De rechtbank erkent dat dit beslag - grotendeels - al lange tijd voortduurt. Gelet op de hoogte van de ontnemingsvordering in verhouding tot de waarde van het beslag en het feit dat de ontnemingsprocedure binnen afzienbare tijd zal worden hervat, alsmede gelet op het feit dat klager weliswaar heeft gesteld dat hij door voortduring van het beslag wordt beperkt in zijn zakelijke belangen, maar niet is aangegeven of onderbouwd op welke wijze hij daarin wordt beperkt, is de rechtbank van oordeel dat voortduring van het beslag op dit moment niet disproportioneel is.

Voor zover is aangevoerd dat voortduring van het beslag ook strijdig is met het beginsel van subsidiariteit, is de rechtbank van oordeel dat daarvan geen sprake is. Door klager is geen reëel alternatief aangedragen, bijvoorbeeld in de vorm van zekerheidstelling, en voor zover is aangevoerd dat de fiscus beslag zal leggen op de voorwerpen/het geld waarop thans conservatoir beslag rust, is daarvan in deze procedure niet gebleken.

Voor zover door de raadsman is aangevoerd dat het Openbaar Ministerie ten onrechte een tweesporenbeleid voert en in plaats van een ontnemingsbedrag een schikking wil treffen voor een veel lager bedrag dan de ontnemingsvordering - en daarmee het beslag dienovereenkomstig dient te worden gematigd - , is de rechtbank van oordeel dat het feit dat het Openbaar Ministerie in plaats van afdoening via de ontnemingsvordering mogelijk overweegt een schikking met klager te treffen, de beoordeling van de rechtbank in het onderhavige kader niet raakt. Datzelfde geldt voor zover er mogelijk een schikking zal worden getroffen voor een lager bedrag dan het gevorderde ontnemingsbedrag, nu bij een schikking andere overwegingen een rol spelen dan bij de reeds lopende ontnemingsprocedure.

Ook het feit dat aan klager eventueel een fiscale navordering is gedaan leidt niet zonder meer tot gegrondverklaring van het beklag, nu de ontnemingsvordering is gebaseerd op meer feiten en omstandigheden dan waar de navordering op zag en dus niet ziet op uitsluitend fiscale feiten. Voor het overige leent dit verweer zich, gelet op het summiere karakter van de beklagprocedure, voor bespreking in de ontnemingsprocedure.

De rechtbank is gelet op al het voorgaande van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich óók verzet tegen opheffing van het beslag ex artikel 94a Sv.

Het beklag dient dan ook in zijn geheel ongegrond te worden verklaard.

De beslissing

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. R.A. Overbosch en R.C.J. Hamming, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2019.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank,

binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.