Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7196

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
RK 19/740
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

591 en 591a Sv. Kosten deskundige vergoed, ook naast specialistische raadslieden. Declaraties zeer summier, diverse kantoorgenoten, geen uurnota per persoon genoemd. Werkzaamheden stagiairs ed niet onderbouwd, afgewezen. raadslieden gemiddeld uurtarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/994027-16

RK: 19/740

Beschikking op het verzoek ex 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[naam verzoekster]

terzake vertegenwoordigd door en woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadslieden, mrs. G.M. Boezelman en I. Leenders, [adres] ,

verzoekster.

1 De procesgang

Het verzoekschrift is op 1 februari 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het Openbaar Ministerie heeft zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 20 augustus 2019 de (gemachtigde) raadslieden van verzoekster, mr. G.M. Boezelman en J.R.J. Gijsen, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

2 De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 45.434,11 voor de kosten van de raadslieden, € 3.780,00 voor de kosten van de door de verdediging ingeschakelde deskundige, en € 5.000,00 voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

In raadkamer hebben de raadslieden ter aanvulling op het verzoekschrift en naar aanleiding van het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De door de raadslieden verrichte werkzaamheden komen voor volledige vergoeding in aanmerking. Verzoekster is 33 maanden onterecht als verdachte aangemerkt en aan de inspanningen van de raadslieden is het te danken dat een (onnodige) gerechtelijke procedure is voorkomen. Ook is in het kader van het aantonen van de onschuld van verzoekster een deskundige ingeschakeld. Dit onderzoek was nodig in verband met de complexiteit van de zaak en heeft bijgedragen aan het oordeel van het Openbaar Ministerie dat verzoekster geen blaam treft, op grond waarvan de zaak is geseponeerd. Gelet daarop dienen ook de kosten van de deskundige in zijn geheel voor vergoeding in aanmerking te komen.

Ten aanzien van de declaraties is volgens de raadslieden voorts het volgende van belang. Het aantal gedeclareerde uren is ongeveer 110, hetgeen, gelet op de complexiteit, de duur van de verdenking en de inspanningen om het Openbaar Ministerie te overtuigen van de onschuld van verzoekster, niet is aan te merken als bovenmatig. Weliswaar is verzoekster vanuit het “four eyes principle” bijgestaan door twee raadslieden, maar dit betekent niet dat dubbele werkzaamheden zijn verricht. Integendeel: voor werkzaamheden die minder ervaring vereisten, zijn zelfs collega’s, waaronder stagiairs, met een lager uurtarief ingeschakeld. Daarnaast was bij het verhoor van verzoekster en bij de bespreking met het Openbaar Ministerie slechts één van de raadslieden aanwezig. Wel betekent dit principe dat intern overleg plaatsvindt omtrent de aanpak van de zaak.

De declaraties zijn in diverse categorieën gespecificeerd. Deze uurcode is vrij summier omschreven in verband met het verschoningsrecht. De werkzaamheden die vallen onder de code advies/opinie lopen uiteen. Jurisprudentie-onderzoek en literatuurstudie vallen daar ook onder. De kantoorkosten zijn 6%.

In de declaraties is geen uurtarief vermeld. Gemiddeld genomen bedraagt het uurtarief

€ 320,- (waarbij de totale kosten zijn gedeeld door het aantal aan de zaak gewerkte uren). Dit is een marktconform uurtarief, in rekening gebracht voor een zaak waarin specialistische kennis van het bijzondere strafrecht noodzakelijk was. Gelet op het voorgaande wordt verzocht het verzoek in zijn geheel toe te wijzen.

Verzoekster heeft een goede reputatie op het gebied van bodemsanering en het was dan ook van groot belang om te voorkomen dat zij een strafblad zou krijgen. Daarom heeft de verdediging er alles aan gedaan om de zaak tot een goed einde te brengen. Er is veel overleg gepleegd om de procespositie te bepalen. Er is uiteindelijk meermalen met het Openbaar Ministerie gecorrespondeerd, hetgeen elke keer heeft geleid tot het verlagen van het schikkingsbedrag, en uiteindelijk tot een sepot.

Ten aanzien van de BTW heeft verzoekster zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de deskundige is namens verzoekster opgemerkt dat deze is ingeschakeld in verband met de complexiteit van de zaak en het feit dat hij zowel over de theoretische kennis als over feitelijke ervaring beschikt om de verdenking te beoordelen, inzichtelijk te maken en te weerleggen. De deskundige was al eerder betrokken bij het project waar het in deze zaak om ging. Zijn kosten zien slechts op de uren die in het kader van deze verdenking zijn gewerkt. De door hem gemaakte kosten komen dus ook voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 5.000,00 is opgemerkt dat het onredelijk is om in dit geval te volstaan met het forfaitaire bedrag dat normaliter wordt toegekend voor de verzoekschriftprocedure.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen het toekennen van de vergoeding voor kosten van de raadslieden zoals deze is verzocht.

Anders dan in het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie stond, is allereerst aangevoerd dat het onderzoek weliswaar een beperkt dossier heeft opgeleverd, maar dat het onderzoek inderdaad complexe materie betrof, waarbij diverse schriftelijke rondes en een overleg nodig waren om het Openbaar Ministerie tot een ander oordeel te brengen en tot een sepot te komen.

Desondanks komt het verzoek buitensporig voor. Uit de nota waarin alleen door mr. Leenders gedeclareerde werkzaamheden zijn opgenomen, kan worden herleid dat zijn uurtarief € 396,50 is. Een dergelijk bedrag, exclusief kantoorkosten en BTW, is een specialistentarief, zodat niet direct begrijpelijk is waarom naast deze specialist een tweede advocaat is ingeschakeld. Daarnaast is door beide specialistische advocaten al voor 18 uur aan werkzaamheden verricht vóór het onderzoek was afgerond en er enig stuk was vertrekt. Bovendien is niet goed voorstelbaar dat een verhoor zeven uren heeft geduurd bij een zwijgende verdachte.

Voorts zijn er twee jonge stagiaires en een juridisch medewerker op de zaak gezet, die gezamenlijk voor ruim 40 uur hebben gedeclareerd. Weliswaar is inschakeling van ‘goedkopere’ krachten voor zaken waarvoor dat kan prijzenswaardig. Anderzijds doen deze personen, mede in het kader van hun opleiding, vaak langer over taken en zouden deze uren eerder als opleidingskosten te bestempelen zijn. Het verzoek ten aanzien van deze uren zou dan ook, mede gelet op de ook in rekening gebracht specialistische bijstand van de deskundige, gehalveerd dienen te worden.

Daarnaast is de verzochte BTW voor verzoekster fiscaal aftrekbaar en komt deze niet als geleden schade voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van de kosten voor het deskundigenonderzoek is aangevoerd dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Wel is opgemerkt dat beide raadslieden al gespecialiseerd zijn, maar dat kennelijk desondanks toch een deskundige is ingeschakeld. Deze was bovendien al bij het bedrijf betrokken, zodat de werkzaamheden in het kader van de strafzaak (en daarmee de bijbehorende declaratie) mogelijk moeilijk te scheiden zijn ten opzichte van zijn overige werkzaamheden, waaronder de bestuursrechtelijke procedure. Overigens heeft zijn bijdrage wel bijgedragen aan het feit dat het Openbaar Ministerie tot een sepot is gekomen.

Tot slot is ten aanzien van de kosten van het verzoek verzocht de forfaitaire vergoeding toe te kennen, nu hiervoor geen specialistische kennis en/of werkzaamheden zijn vereist.

4 De beoordeling

4.1.

Ontvankelijkheid verzoekschrift.

De officier van justitie heeft de strafzaak tegen verzoekster onvoorwaardelijk geseponeerd en dat bij brief van 9 november 2018 aan haar meegedeeld.

Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.

De strafzaak tegen verzoeker is op 9 november 2018 onvoorwaardelijk geseponeerd. Een onvoorwaardelijk sepot dient te worden aangemerkt als een ‘einde zaak’ in de zin van artikel 591a Sv.

Het verzoek is tijdig ingediend.

4.2.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591 en 591a Sv

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 591a lid 2 Sv, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 591 Sv kan aan de gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het Openbaar Ministerie nutteloos is geworden.

Op grond van artikel 90 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De rechtbank stelt voorop dat de declaraties van de raadsman een uitgangspunt zijn, die door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid zijn om aan verzoekster een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadslieden en zo ja, tot welk bedrag. De rechtbank slaat daarbij onder meer acht op de omvang en de complexiteit van de onderliggende strafzaak.

In het geval de rechtbank de gevraagde vergoeding, gelet op alle omstandigheden, bovenmatig acht, kan dat een grond zijn om de gevraagde vergoeding te matigen dan wel af te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat er gronden van billijkheid zijn voor toekenning van een vergoeding van de kosten van de raadslieden, maar ziet aanleiding het verzochte bedrag te matigen.

De rechtbank stelt voorop dat dit een complexe zaak betrof in die zin dat voor het kunnen geven van deskundige rechtsbijstand specialistische kennis vereist is.

In deze zaak is in totaal 110 uur werk gedeclareerd, verricht door specialistische advocaten maar ook door minder ervaren collega’s, juridisch medewerkers of stagiairs. De rechtbank is van oordeel dat het verzoekster uiteraard vrij staat om zich door meerdere advocaten of juristen te laten bijstaan, maar acht het niet zonder meer billijk om daardoor ontstane hogere kosten volledig voor rekening van de Staat te laten komen.

Ten aanzien van de werkzaamheden van de minder ervaren kantoorgenoten of stagiairs is uit de declaraties en de toelichting onvoldoende naar voren gekomen waar de werkzaamheden van de minder ervaren kantoorgenoten of stagiairs uit hebben bestaan. De overgelegde declaraties bevatten slechts zeer summiere omschrijvingen van de verrichte werkzaamheden. Evenmin is duidelijk geworden tegen welk uurtarief de werkzaamheden zijn verricht. Nu in deze zaak door diverse personen is gewerkt, mocht worden verwacht dat wordt onderbouwd waar de werkzaamheden van stagiairs, die nog in het geheel niet als specialist functioneren, uit hebben bestaan en tegen welk uurtarief alle werkzaamheden zijn verricht. Nu dit ontbreekt kan niet zonder meer worden aangenomen dat de kosten van deze werkzaamheden, naast de inzet van twee gespecialiseerde advocaten en een deskundige, als redelijk zijn aan te merken. De rechtbank zal het verzoek tot vergoeding van de kosten voor deze (ondersteunende) werkzaamheden afwijzen.

Voor de beoordeling van kosten voor de werkzaamheden van de twee specialistische raadslieden mr. Leenders en mr. Boezelman zal de rechtbank, nu niet in de declaraties of in raadkamer is aangegeven wat hun uurtarief is geweest, uitgaan van het door de raadslieden genoemde ‘gemiddelde’ uurtarief van € 320,-. Het daadwerkelijk uurtarief ligt wellicht hoger, maar nu onbekend is hoe hoog, kan de rechtbank niet inschatten in hoeverre dit, afgewogen tegen de complexiteit van de zaak, als redelijk of juist bovenmatig is aan te merken. Het uurtarief van € 320,- komt de rechtbank niet onredelijk voor en hierin is dan tevens verdisconteerd dat er twee raadslieden gelijktijdig betrokken zijn geweest in de zaak.

In totaal zal een bedrag aan honorarium worden vergoed van € 22.853,33.

Het gehanteerde percentage aan kantoorkosten van 6% komt de rechtbank in deze zaak niet onredelijk voor. Over het toegewezen honorarium bedraagt dit in totaal € 1.371,20.

De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van de BTW afwijzen, nu verzoekster de in rekening gebracht BTW kan verrekenen. De BTW vormt daarom geen schadepost en komt niet voor vergoeding in aanmerking.

De rechtbank zal het verzoek om vergoeding van de kosten van het deskundigenonderzoek ten bedrage van € 3.780,00 toewijzen, nu deze kosten het belang van het onderzoek daadwerkelijk hebben gediend en het Openbaar Ministerie hebben doen overgaan tot het sepot.

De rechtbank zal voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift de standaardvergoeding toekennen. Weliswaar is verzocht een hogere vergoeding toe te kennen, maar niet is gesteld noch onderbouwd of gebleken waarom het opstellen van dit verzoek dermate anders dan wel specialistisch is, dat afgeweken zou moeten worden van het forfaitaire bedrag.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591 Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 3.780,00 (drieduizendzevenhonderdtachtig euro) voor de kosten van de deskundige.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 591a Sv:

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 24.224,53 (vierentwintigduizendtweehonderdvierentwintig euro en drieënvijftig eurocent) voor de kosten van de raadslieden (te weten € 22.853,33 voor de raadslieden en € 1.371,20 aan kantoorkosten).

De rechtbank kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. L. Dolfing, voorzitter,

mrs. S. Djebali en R.C.J. Hamming, rechters

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open,

in te stellen ter griffie van deze rechtbank,

binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 28.554,53 (achtentwintigduizendvijfhonderdvierenvijftig euro en drieënvijftig eurocent) op IBAN-nummer [bankrekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden [naam], onder vermelding van vergoeding 591 en 591a Sv, inzake: [naam verzoekster].

Aldus gedaan op 3 september 2019

door mr. L. Dolfing, rechter.