Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7184

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
13/680305-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vordering tul bijzondere voorwaarden. Reclassering ziet nog mogelijkheden, begeleiding nodig: verlenging proeftijd 1 jaar, vervallen 1 bijzondere voorwaarde, rest gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/680305-16

BESLISSING NA VEROORDELING

TOT VOORWAARDELIJKE STRAF

Beslissing op de vordering van de officier van justitie van 10 juli 2019, ingekomen ter griffie op 12 juli 2019, tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke veroordeling die bij onherroepelijk geworden vonnis van 29 juni 2017 is opgelegd in de strafzaak tegen:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1].

Bij voormeld vonnis is [veroordeelde] voornoemd (verder: veroordeelde) veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, met bevel dat een gedeelte van die straf, te weten 6 (zes) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de daarbij op 2 (twee) jaren vastgestelde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel niet heeft nageleefd de bij dat vonnis gestelde bijzondere voorwaarden, te weten:

1. veroordeelde zal zich binnen 3 werkdagen na zijn invrijheidstelling melden bij Reclassering Inforsa op het adres [adres 2], en zal zich gedurende de proeftijd blijven melden zolang en zo frequent de reclassering dat noodzakelijk acht;

2. veroordeelde wordt gedurende de proeftijd verplicht om mee te werken aan een verslavingsbehandeling door een door de reclassering aan te wijzen instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, zolang deze instelling en/of de reclassering dit noodzakelijk acht.

3. veroordeelde wordt gedurende de proeftijd verplicht om mee te werken aan een "top zorg" behandeling bij De Waag of een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, zolang deze instelling en/of de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. veroordeelde wordt verplicht gedurende de proeftijd deel te nemen aan een dagbesteding, zoals geïnitieerd door Werk Participatie en Inkomen van de gemeente Amsterdam of een soortgelijke door de reclassering aan te wijzen instelling voor minimaal 26 uur per week, waarbij hij zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze interventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven, zolang deze instelling of de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd niet ophouden in de wijk [wijk] te Amsterdam. De wijk [wijk] ligt tussen de ringweg A10, het Noordhollandsch kanaal, de Buiksloterbreek en Kadoelen te Amsterdam.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat die niet ten uitvoer gelegde straf alsnog zal worden ten uitvoer gelegd.

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    het vonnis van 29 juni 2017;

  • -

    een reclasseringsadvies van GGZ Reclassering Inforsa Amsterdam van 17 juni 2019 aan de officier van justitie dat strekt tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging met omzetting in een taakstraf en tot het schrappen van de voorwaarde dat veroordeelde meewerkt aan Topzorg bij De Waag.

De rechtbank heeft op 12 september 2019 ter openbare terechtzitting gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman mr. T. de Wit, advocaat te Amsterdam, alsmede A.M. Westerhoven, reclasseringswerker.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Weliswaar heeft veroordeelde de behandeling bij De Waag afgebroken, maar dit traject liep al een aantal jaren, tweemaal in de week. Dat was zeer intensief en dit belemmerde veroordeelde in (het opbouwen van) zijn dagbesteding. Daarnaast gaf veroordeelde aan dat het inhoudelijk steeds over hetzelfde ging. Veroordeelde heeft meermalen gevraagd of dit anders kon, maar een minder intensieve optie was niet mogelijk. Om die reden wordt verzocht de bijzondere voorwaarde van behandeling bij De Waag te schrappen.

Veroordeelde heeft inmiddels een woning met begeleiding, waar ze erg tevreden over hem zijn. Daarnaast volgt hij een werkleertraject, welk traject zal stagneren als hij vast komt te zitten. Hij is op dit moment gemotiveerd met zijn opleiding bezig. Veroordeelde is op de goede weg. Hij realiseert zich dat hij nog wel begeleiding kan gebruiken. Dit verliest hij, net als waarschijnlijk zijn woning en leerwerktraject, als hij vast komt te zitten.

Subsidiair is verzocht de proeftijd te verlengen.

Meer subsidiair is verzocht de vordering deels toe te wijzen en dan om te zetten in een werkstraf, zodat veroordeelde zijn woning en leerwerktraject niet zal verliezen. Wel is van belang dat, indien veroordeelde zou moeten werken in plaats van zitten, dit naast zijn volle leerwerktraject, waarschijnlijk erg zwaar voor hem is, met het risico van afglijden.

Veroordeelde heeft erkend dat het toezicht niet vlekkeloos is verlopen en hij de behandeling bij De Waag heeft stop gezet. Deze behandeling liep al lang, leek niet nuttig meer doordat in herhaling vervallen werd, en belemmerde hem in het zoeken naar structuur in zijn leven. Hij heeft dit meermalen aangekaart, maar het was niet mogelijk om de frequentie te minderen of een alternatief te bieden. Daarop is hij dus gestopt.

Veroordeelde heeft erkend ook meermalen niet bij de reclassering te zijn gekomen. Hij is niet altijd gemotiveerd geweest, maar er was wel een reden waarom hij niet kwam en hij heeft altijd uitgelegd waarom hij niet kwam.

Veroordeelde is op intake geweest voor een verslavingsbehandeling. Hoewel hij stelt geen last te hebben van verslaving, wil hij hier met ‘een open mind’ heen. Sinds hij met zijn opleiding is begonnen, blowt hij alleen nog maar in de weekenden. Veroordeelde is begonnen met een leerwerktraject met opleiding elektrotechniek en moet daar fit voor zijn. Hij heeft een contract en heeft 28 vakantiedagen per jaar. Zijn werkgever betaalt de opleiding.

Veroordeelde is bereid een taakstraf te doen, maar weet niet of dit te combineren is met zijn baan en opleiding.

De deskundige heeft verklaard dat veroordeelde weliswaar een aantal keren niet op de meldplicht is verschenen, maar zich telkens wel bereid heeft getoond mee te werken. Voor de keren dat hij niet kwam, kwam hij later uitleggen waarom hij niet was gekomen. Ook is hij naar Spanje vertrokken zonder de reclassering daarover te informeren.

Hoewel veroordeelde zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden en daarbij ook de behandeling bij De Waag heeft afgebroken, ziet de reclassering nog mogelijkheden hem verder te begeleiden en recidivebeperkend te werken.

Bij De Waag is lange tijd gewerkt aan het motiveren van veroordeelde, maar op een gegeven moment houdt het op. Veroordeelde vindt dat hij deze behandeling niet nodig heeft. De behandelaar bij De Waag vindt behandeling nog steeds nuttig, maar door het ontbreken van intrinsieke motivatie is dit niet mogelijk gebleken en hebben de gesprekken dus ook niet recidivebeperkend kunnen werken. Een lagere frequentie was niet mogelijk: deze topzorg behandeling betreft een intensieve behandeling, waarbij een lagere frequentie niet haalbaar is.

Veroordeelde is inmiddels wel op intake voor een verslavingsbehandeling geweest. Hij heeft aangegeven bereid te zijn hier aan mee te werken.

De woonbegeleiders van veroordeelde zijn tevreden over hem.

Het dilemma in deze zaak is dat veroordeelde zijn woning en woonbegeleiding verliest als hij vast komt te zitten. Mogelijk verliest hij ook zijn werk en stagneert de opleiding. Dat wordt zeer recidiveverhogend geacht. Als de vordering (deels) wordt toegewezen, kan deze mogelijk worden omgezet in een werkstraf, zodat veroordeelde deze zaken niet verliest en terug bij af is.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij haar vordering.

Aan veroordeelde was een flinke straf opgelegd wegens het plegen van ernstige feiten. Bovendien liep veroordeelde ten tijde van het plegen van deze feiten al een proeftijd, waarmee hem als het ware een kans was geboden, en wordt hij inmiddels verdacht van het plegen van een nieuw strafbaar feit. Veroordeelde heeft alle kansen gehad en daarnaast heeft de reclassering er ook alles aan gedaan om veroordeelde mee te laten werken. Hij heeft deze kansen niet gegrepen en de gevolgen – die hem vooraf bekend waren – dient hij dan ook te dragen. Om deze reden wordt ook geen deels voorwaardelijke tenuitvoerlegging of omzetting gevorderd, maar volledige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf.

De beoordeling

Gebleken is dat de veroordeelde genoemde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. Gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank daarom in beginsel termen aanwezig de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten.

Ter zitting en uit de stukken is echter gebleken dat veroordeelde een belangrijk deel van zijn leven inmiddels op orde heeft. Hij beschikt over een woning, waar het goed gaat, en hij is begonnen met een leerwerktraject, waarvoor hij vijf dagen per week naar werk en/of school gaat. Dat is een grote stap voorwaarts. De rechtbank acht het met het oog op het beperken van recidive van groot belang dat veroordeelde op deze ingeslagen weg door kan gaan. Veroordeelde is nog jong en lijkt nu serieus op weg om een toekomst op te bouwen. Tenuitvoerlegging van de straf, ook in de vorm van een taakstraf, zal dit doorkruizen.

De rechtbank zal daarom niet de tenuitvoerlegging bevelen, maar de proeftijd verlengen met een jaar, zodat veroordeelde een stok achter de deur heeft om de ingeslagen weg vol te houden. De aan hem (en hiervoor opgenomen) opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden worden daarbij gehandhaafd, met uitzondering van de ‘top zorg’ behandeling bij De Waag. De rechtbank zal deze voorwaarde schrappen. De rechtbank overweegt tot slot dat het aan veroordeelde is om deze laatste kans te grijpen en zich in te spannen voor de opleiding en het nakomen van de overige voorwaarden om zo een delictvrij bestaan op te bouwen.

Beslissing

De rechtbank verlengt de proeftijd met één jaar;

De rechtbank handhaaft de aan veroordeelde opgelegde algemene voorwaarden en bijzondere voorwaarden 1, 2, 4 en 5 (te weten de meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan een verslavingsbehandeling, de dagbesteding, het locatieverbod voor de wijk [wijk] te Amsterdam).

De rechtbank heft op de bijzondere voorwaarde, inhoudende de plicht mee te werken aan een ‘top zorg’ behandeling bij De Waag of soortgelijke instelling.

Deze beslissing is genomen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 september 2019.

De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam brengt vorenstaande beslissing ter kennis van voornoemde persoon, alsmede ter kennis van Reclassering Inforsa te Amsterdam.

Amsterdam,

de officier van justitie voornoemd,