Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7175

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-03-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
19/1387
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek 577b Sv toegewezen. Huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht ontoereikend. Volgt matiging van eerder opgelegd ontnemingsbedrag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/851526-10

RK: 19/1387

Beschikking op het verzoek ex artikel 577b lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1958 te [geboorteplaats],

ingeschreven op het postadres [adres],

verder te noemen: verzoeker.

Procesgang

Het verzoekschrift is op 4 maart 2019 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft op 5 maart 2019 verzoeker, zijn raadsman mr. M. Rasterhoff, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord. In raadkamer was tevens aan de orde de vordering van de officier van justitie tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang d.d. 7 augustus 2018.

Inhoud verzoekschrift

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag van € 68.093,00 dat aan verzoeker bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat zal verminderen tot een bedrag van € 18.000,00, welk bedrag in raadkamer is gewijzigd tot een bedrag van

€ 24.600,00.

In raadkamer heeft de raadsman van verzoeker ter aanvulling op het verzoekschrift – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

Verzoeker heeft een arbeidsovereenkomst op grond waarvan hij inkomsten ontvangt en in staat is maandelijks € 300,00 te betalen. Op grond hiervan is een betalingsregeling met het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB) getroffen, inhoudende dat verzoeker maandelijks € 300,00 dient te betalen, en eenmaal per jaar € 500,00.

Gelet op de leeftijd van verzoeker valt niet te verwachten dat zijn draagkracht zal stijgen. Integendeel: bij het bereiken van de AOW-leeftijd zal zijn maandinkomen zoveel dalen, dat hij vanaf dat moment geen substantiële bedragen meer kan aflossen. In verband daarmee, en gerekend met het aantal jaren/maanden dat verzoeker nog moet werken, is verzocht de betalingsverplichting te matigen tot een bedrag van € 24.600,00.

Ter onderbouwing van het verzoek zijn onder meer diverse loonstrookjes en bankafschriften van verzoeker overgelegd, die ook ter onderbouwing bij het treffen van de betalingsregeling bij het CJIB zijn ingestuurd, en een brief van het CJIB van 4 maart 2019, inhoudende de getroffen betalingsregeling.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in raadkamer gevorderd de beslissing op het verzoek aan te houden. Verzoeker heeft zich jaren onvindbaar gehouden en heeft in die tijd geen enkele betaling verricht noch gespaard om de hem opgelegde betalingsverplichting te voldoen.

De inmiddels getroffen betalingsregeling is nog zo pril dat, gelet op deze voorgeschiedenis, eerst dient te worden afgewacht of veroordeelde daadwerkelijk overgaat tot betaling.

Bovendien roepen de in raadkamer overgelegde stukken, die tevens hebben geleid tot de totstandkoming van de betalingsregeling, nog diverse vragen op omtrent de financiën van verzoeker. Nu een betalingsregeling is getroffen en er gegevens van verzoeker bekend zijn, kan het CJIB worden verzocht nader rekeningonderzoek te verrichten.

Pas na een rekeningonderzoek is meer zicht op de daadwerkelijke financiële situatie van verzoeker. Afhankelijk van dit onderzoek kan dan eventueel het resterende ontnemingsbedrag worden bijgesteld.

Beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Aan verzoeker is bij beslissing van de politierechter van deze rechtbank van 26 juli 2011 de verplichting opgelegd tot betaling van € 68.093,00 aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Openbaar Ministerie heeft bij vordering van 7 augustus 2018 de rechtbank gevorderd verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang, omdat verzoeker (veroordeelde) niet aan het vonnis had voldaan en de officier van justitie conform artikel 573 lid 2 Sv heeft afgezien van het nemen van verhaal. Deze vordering is gelijktijdig met het onderhavige verzoek behandeld. Uit voornoemde vordering blijkt dat verzoeker meermalen is aangeschreven de hem opgelegde betalingsverplichting te voldoen. Het CJIB heeft hierop geen reactie noch enige betaling ontvangen. Nadat bleek dat aan verzoeker een taakstraf was opgelegd, heeft de reclassering tevergeefs contact gezocht met verzoeker.

Uit het verzoek en de daarbij overgelegde stukken is echter gebleken dat verzoeker inmiddels een (voorlopige) betalingsregeling met het CJIB heeft getroffen. De rechtbank acht de in raadkamer overgelegde financiële stukken voldoende inzicht gevend om tot een oordeel te komen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verzoeker heeft een arbeidsovereenkomst op grond waarvan hij inkomsten ontvangt en in staat is maandelijks € 300,00 , en eenmaal per jaar € 500,00 te betalen, zoals ook met het CJIB is overeengekomen. In raadkamer zijn voorts diverse bankafschriften overgelegd, waaruit valt op te maken dat verzoeker, op deze rekening na, geen - extra - eigen vermogen heeft. Gelet op de leeftijd van verzoeker in combinatie met zijn inkomsten, is de rechtbank van oordeel dat de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van verzoeker ontoereikend is om aan de hem opgelegde betalingsverplichting te voldoen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het ontnemingsbedrag te matigen. De rechtbank zal het verzoek toewijzen en het aan verzoeker opgelegde bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel matigen tot een bedrag van € 25.000,00.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot matiging toe, met dien verstande dat de aan verzoeker bij maatregel opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag wordt verminderd tot een bedrag van € 25.000,00.

Deze beslissing is gegeven door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en C.M. Degenaar, rechters

in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2019.

De voorzitter is buiten staat te tekenen.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker geen rechtsmiddel open.