Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7135

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
C/13/669729 / HA RK 19-252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Verzoekster voert aan dat de rechter vanaf het begin partijdig heeft gehandeld. Verzoekster vond het vreemd dat de rechter en de griffier geen toga droegen. Verzoekster heeft vanaf het begin geprobeerd uit te leggen wat de reden was waarom zij zo laat over het handelen van de gedaagde heeft geklaagd in deze zaak. Zij kwam er niet doorheen omdat de rechter niet naar haar argumenten luisterde en liet blijken dat de vordering was verjaard. De van de zitting gemaakte aantekeningen zijn volgens verzoekster afgezwakt. Er was volgens haar ook een racistisch motief aan de orde.

Dat bij verzoekster de indruk is ontstaan dat de rechter niet naar haar standpunt ten aanzien van de verjaring heeft geluisterd, is op basis van de overgelegde aantekeningen niet objectiveerbaar. Daaruit volgt juist dat de gronden waarop verzoekster van mening was dat de eventuele verjaring verschoonbaar was, door haar voldoende naar voren zijn gebracht. Dat de van de zitting gemaakte aantekeningen zijn afgezwakt, is door klaagster niet onderbouwd. Dat sprake is van racisme wordt niet gestaafd door enige objectieve onderbouwing. Het gevoel dat zij niet op waarde werd geschat is evenmin objectiveerbaar. Zelfs al zou de rechter geen toga hebben gedragen, dan nog levert dat geen objectivering op van verzoeksters gevoel dat zij niet serieus werd genomen door de rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/297
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 17 juli 2019 schriftelijk gedane en onder rekestnummer C/13/669729 / HA RK 19-252 ingeschreven verzoek van:

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. T.M.A. van Löben Sels, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 Het schriftelijke verzoek tot wraking;

 De aantekeningen van de zitting van 17 juli 2019.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2019. Verschenen zijn verzoekster en de rechter. Verzoekster heeft het verzoek nader toegelicht. Vervolgens heeft de rechter het woord gevoerd. Na nog een ronde hoor en wederhoor is de behandeling ter zitting gesloten en is medegedeeld dat zo spoedig mogelijk uitspraak zal worden gedaan.

2 De feiten

2.1

Verzoekster is eisende partij in een procedure bij de kantonrechter onder zaaknummer 7482821 CV 19-2019 tegen International Card Services B.V. (ICS), waarin verzoekster zonder gemachtigde procedeert. Op 17 juli 2019 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van de rechter. Het vonnis is bepaald op 19 augustus 2019.

3 Het verzoek

3.1

Verzoekster heeft in haar verzoek, nader ter zitting toegelicht, aangevoerd dat de rechter vanaf het begin partijdig heeft gehandeld. Verzoekster verwacht dat een rechter onpartijdig is en alle facetten van een zaak bekijkt. Verzoekster vond het al vreemd dat de rechter en de griffier geen toga droegen. Dat gaf haar een raar gevoel. Verzoekster heeft vanaf het begin geprobeerd uit te leggen wat de reden was waarom zij zo laat over het handelen van de gedaagde heeft geklaagd in deze zaak. Zij kwam er niet doorheen omdat de rechter niet naar haar argumenten luisterde en liet blijken dat de vordering was verjaard. Verzoekster heeft vanaf het begin van de zitting het gevoel gehad dat zij niet op waarde werd geschat. Zij was emotioneel. De opmerking van de rechter dat de gedaagde partij meestal aan de andere kant stond, achtte verzoekster ongepast. De van de zitting gemaakte aantekeningen zijn volgens verzoekster afgezwakt. Er was volgens haar ook een racistisch motief aan de orde. Hierdoor is bij verzoekster het vermoeden ontstaan dat de rechter niet meer onpartijdig op haar vordering kan beslissen.

4 De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft aangevoerd dat de aantekeningen van de zitting correct weergeven wat ter zitting is besproken. Hij heeft getracht verzoekster duidelijk te maken dat zij in verband met het beroep van ICS op verjaring geen sterke zaak had. Hij heeft uitgelegd waarom de vorderingen van verzoekster naar zijn oordeel verjaard zijn en verzoekster medegedeeld dat het volgens hem voor haar beter was om de zaak te laten rusten. Dit ook met het oog op de vraag of de wederpartij nog bereid was een bepaald bedrag aan verzoekster te betalen, zoals in een voorafgaande klachtprocedure bij het KiFiD aan de orde was geweest. Dat bleek niet het geval. De rechter heeft wel degelijk geluisterd naar het verweer van verzoekster met betrekking tot de verschoonbaarheid van de verjaring in verband met verzoeksters beroep op psychische ziekte of stoornis, maar er zijn grenzen aan wat juridisch mogelijk is. De rechter verwijst naar de van de zitting gemaakte aantekeningen. De rechter bestrijdt uitdrukkelijk dat hij en de griffier geen toga droegen.

5 De beoordeling

5.1

Op grond van artikel 36 Rv kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn in verband met de persoonlijke instelling en overtuiging van de rechter (partijdigheid in subjectieve zin). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de rechter krachtens zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, behoudens bewijs van het tegendeel.

5.2

In de onderhavige zaak zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan geoordeeld kan worden dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster.

5.3

Daarnaast is wraking mogelijk als controleerbare feiten en omstandigheden, los van de persoonlijke instelling en het gedrag van de rechter, een partij grond geven te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is (partijdigheid in objectieve zin). In dat verband zijn de schijn van partijdigheid en de overtuiging van verzoekster weliswaar relevant, maar doorslaggevend is of de twijfel over de onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is.

5.4

De Wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt. In het kader van een goede procesorde is het begrijpelijk dat de rechter het meest verstrekkende verweer (hier verjaring) aan de orde stelt. De door de rechter gemaakte opmerkingen ten aanzien van de verjaring zijn gemaakt in de sleutel van de poging van de rechter om te onderzoeken of bij de wederpartij nog bereidheid bestond om in der minne enige vergoeding aan verzoekster te betalen. Dat bij verzoekster de indruk is ontstaan dat de rechter niet naar haar standpunt ten aanzien van de verjaring heeft geluisterd, is op basis van de overgelegde aantekeningen niet objectiveerbaar. Daaruit volgt juist dat de gronden waarop verzoekster van mening was dat de eventuele verjaring verschoonbaar was, door haar voldoende naar voren zijn gebracht. Uit de aantekeningen van de zitting volgt ook dat verzoekster erkende dat zij juridisch gezien haar vordering te laat heeft ingesteld en begreep dat de rechter naar de juridische kant kijkt. Weliswaar heeft de rechter zijn visie ten aanzien van de verjaring nogal stellig geformuleerd maar dat maakt de rechter nog niet partijdig. Dat de van de zitting gemaakte aantekeningen zijn afgezwakt, is door klaagster niet onderbouwd. Dit nog daargelaten dat dergelijke aantekeningen slechts een zakelijke weergave dienen te bevatten van hetgeen ter zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen en aldaar is verklaard.

5.5

Dat sprake is van racisme wordt niet gestaafd door enige objectieve onderbouwing. Het gevoel dat zij niet op waarde werd geschat is evenmin objectiveerbaar. Het is vervelend voor verzoekster dat zij zich zo heeft gevoeld, maar van enige uitlating van de rechter die deze schijn voor verzoekster objectief rechtvaardigt is niet gebleken. Ook een nader onderzoek naar het al dan niet dragen van een toga door de rechter en de griffier acht de Wrakingskamer niet nodig. Zelfs al zou de rechter geen toga hebben gedragen, dan nog levert dat geen objectivering op van verzoeksters gevoel dat zij niet serieus werd genomen door de rechter.

6. De slotsom van het voorgaande is dat het verzoek tot wraking wordt afgewezen.

BESLISSING

De Wrakingskamer:

 wijst het verzoek tot wraking af,

 bepaalt dat de procedure in de zaak met nummer 7482821 CV 19-2019 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van indiening van het verzoek tot wraking.

Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, O.J. van Leeuwen en W.M. de Vries, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.