Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7109

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
08-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2225
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Rijvaardigheidsonderzoek en schorsing rijbewijs - door spookrijden is het vermoeden ontstaan dat niet meer over de vereiste rijvaardigheid wordt beschikt – geen ruimte voor belangenafweging - mondelinge uitspraak - beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/2225

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

24 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: [de persoon] ),

en

Centaal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: I.S.B. Metaal).

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 20 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Op 14 december 2018 is door een hoofdagent van de politie Eenheid Rotterdam een mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw) aan verweerder verzonden, omdat kort gezegd ten aanzien van eiseres het vermoeden was ontstaan dat zij niet langer beschikt over de rijvaardigheid voor het besturen van auto’s. Volgens het mutatierapport van 14 december 2018 dat aan de mededeling ten grondslag ligt, heeft de agent geconstateerd dat eiseres op [datum] 2018 om [uur] met een motorvoertuig bij een kruising direct naar links stuurde, de rijbaan op bestemd voor het tegemoet komend verkeer. Op dat moment reden drie voertuigen op genoemde rijbaan waarvan één op dezelfde rijstrook als eiseres. Deze voertuigen moesten remmen om een aanrijding te voorkomen. Bij staandehouding verklaarde eiseres dat het kwam omdat de TOM TOM had gezegd dat ze naar links moest gaan, aldus de politie.

3. Verweerder heeft vervolgens aan eiseres een rijvaardigheidsonderzoek opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs geschorst.

4. Eiseres is het hier niet mee eens. Volgens haar was het niet haar schuld, omdat de weginrichting onduidelijk was. Het opleggen van de maatregel is volgens eiseres onredelijk. Er dient ruimte te zijn voor een belangenafweging. In dit kader verwijst eiseres naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 13 januari 2016.1 Verder voert eiseres aan dat sprake moet zijn van herhaald spookrijden voordat een onderzoek naar de rijvaardigheid kan worden gestart. In dit kader wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 september 2009.2 Tot slot voert eiseres aan dat verweerder niet binnen vier weken na ontvangst van de mededeling een besluit heeft genomen, wat wel vereist is volgens de Wvw.

5.1

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of verweerder terecht een rijvaardigheidsonderzoek aan eiseres heeft opgelegd en de geldigheid van haar rijbewijs terecht is geschorst. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Volgens rechtspraak van de Afdeling3moet voor het opleggen van deze maatregel slechts sprake zijn van een vermoeden dat niet meer over de vereiste rijvaardigheid wordt beschikt. Het opgelegde rijvaardigheidsonderzoek dient uiteindelijk iets te zeggen over de rijvaardigheid. De dwingende formulering van artikel 131 van de Wvw maakt dat verweerder bij ontvangst van een mededeling als deze verplicht is om een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen. Volgens de rechtbank blijkt uit het mutatierapport dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het vermoeden bestaat dat eiseres niet langer over de vereiste rijvaardigheid beschikt. Eiseres reed op de weghelft bestemd voor het tegemoet komend verkeer, wat kan worden omschreven als spookrijden als bedoeld in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht aan eiseres een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd.

5.2

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de weginrichting onduidelijk was. Eiseres heeft verklaard dat op de weg een pijl stond die naar links wees en dat zij te laat had gezien dat ze niet direct maar pas ná de berm naar links mocht afslaan. Een pijl op de weg die naar links wijst betekent echter niet altijd dat de weggebruiker direct naar links mag afslaan. Dat eiseres dit te laat heeft ingezien, betekent niet dat de weginrichting onduidelijk was. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat sprake moet zijn van herhaald spookrijden voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek. Uit de Regeling blijkt dat één keer voldoende is voor het opleggen van de maatregel. Het beroep op de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden uit 2009 slaagt niet, nu de Regeling na die uitspraak is aangepast. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiseres de maatregel als zwaar heeft ervaren, aangezien dit de eerste keer is dat een dergelijk incident heeft plaatsgevonden. Gelet op de dwingendrechtelijke bepalingen in de Regeling is echter geen ruimte voor het maken van een belangenafweging. Het beroep op de uitspraak van de Afdeling uit 2016 slaagt niet, omdat het daar kennelijk een onjuist mutatierapport betrof. Uit deze uitspraak volgt niet dat er een mogelijkheid is voor een belangenafweging. Ten aanzien van de termijnoverschrijding wordt overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling de termijn van vier weken geen fatale termijn is en aan een termijnoverschrijding geen gevolgen zijn verbonden.4

6. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Grundmeijer, griffier, op 24 september 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2016:71.

2 ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ8020.

3 Zie onder andere de uitspraak van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:942.

4 Zie onder andere de uitspraken van 28 juli 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AQ5788) en 8 december 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AR7079).