Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
27-09-2019
Zaaknummer
13-751068-13 RK 14-521
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

EAB Polen, executie van een straf van een met een Nederlander gelijkgestelde onderdaan van Polen.Op 24 januari 2014 is gevorderd het Poolse Europees Aanhoudingsbevel (EAB) in behandeling te nemen. Tot twee keer toe heeft de Internationale Rechtshulpkamer (IRK) te Amsterdam aanleiding gezien prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Op 24 juni 2019 heeft het Hof de in de tweede verwijzingsbeslissing gestelde vragen beantwoord. Gezien het in deze zaak toepasselijke recht en gezien de overwegingen van het Hof van Justitie en de beantwoording van de gestelde vragen, waarbij ook de rol van de Minister van Justitie en Veiligheid is betrokken, is de rechtbank van oordeel dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 6, tweede lid, OLW in samenhang met artikel 6, vijfde lid, OLW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/288
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.068-13

RK nummer: 14/521

Datum uitspraak: 26 september 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 22 januari 2014 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 oktober 2013 door the Regional Court in Poznań (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1979,

ingeschreven in de basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[BRP-adres] ,

hierna te noemen: de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

1.1

De lange duur van de procesgang in deze zaak hangt samen met de omstandigheid dat de rechtbank tweemaal prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).

1.2

In de verwijzingsbeslissing van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7463) is de procesgang tot aan de eerste verwijzing naar het Hof van Justitie beschreven.

1.3

Het Hof van Justitie heeft de in de eerste verwijzingsbeslissing gestelde vragen beantwoord in zijn arrest van 29 juni 2017 (C 579/15, ECLI:EU:C:2017:503).

1.4

In de verwijzingsbeslissing van 28 september 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7038) is de procesgang tot aan de tweede prejudiciële verwijzing beschreven.

1.5

Na de tweede prejudiciële verwijzing heeft Nederland de verklaring als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van Kaderbesluit 2008/909/JBZ1 met ingang van 1 juni 2018 ingetrokken.2

1.6

Op 10 juli 2018 heeft de rechtbank besloten de tweede prejudiciële verwijzing te handhaven, ondanks de intrekking van de bedoelde verklaring (ECLI:NL:RBAMS:2018:6028).

1.7

Het Hof van Justitie heeft op 24 juni 2019 de in de tweede verwijzingsbeslissing gestelde vragen beantwoord (C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530).

1.8

Op de openbare zitting van 5 september 2019 zijn de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. P.J. Verbeek, advocaat te Amsterdam, in de gelegenheid gesteld om hun standpunten over de afdoening van de zaak naar voren te brengen. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk voor de Poolse taal.

1.9

Op de openbare zitting van 26 september 2019 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

2.1

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft ter zitting van 5 september 2019 meegedeeld dat de opgeëiste persoon inmiddels in het bezit is van een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

3.1

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgment of the District Court in Poznań of 5th February 2007, reference number XXV K 47/07.

3.2

Het EAB meldt verder dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

3.3

Het vonnis is onherroepelijk geworden op 13 juli 2007.

3.4

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog elf maanden en 20 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het onder 3.1 genoemde vonnis.

3.5

Het vonnis betreft het volgende feit:

On 11th October 2006, in the city of Poznań, acting contrary to provisions of the act, [opgeëiste persoon] was in possession of 0.75 grams of amphetamine sulphate, listed as II-P class psychotropic substance.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

4.1

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die zijn neergelegd in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW.

4.2

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

4.3

Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is het (opzettelijk) aanwezig hebben van amfetaminesulfaat naar Nederlands recht strafbaar onder de Opiumwet. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 26 september 2014 meegedeeld dat amfetaminesulfaat een “chemical compound created in order to increase the durability of amphetamine (….)” is en dat amphetamine “is commonly encountered in the form of a salt, usually salt of amphetamine sulphate (…)”. Amfetamine is een middel dat op Lijst I bij de Opiumwet voorkomt. Een middel is een substantie (te weten, voor zover hier van belang, een stof van chemische oorsprong) of een preparaat (te weten een mengsel van substanties) (artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, Opiumwet). Volgens artikel 1, tweede lid, Opiumwet worden voor de toepassing van de Opiumwet de zouten van substanties met die substanties gelijk gesteld. Kortom: amfetaminesulfaat is een zout van de substantie amfetamine en is dus een middel in de zin van de Opiumwet.

4.4

Het verweer van de raadsman dat uit de beschrijving van het feit niet blijkt van opzet op het aanwezig hebben van amfetaminesulfaat slaagt evenmin. De brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 26 september 2014 houdt immers in dat naar het recht van Polen voor een veroordeling wegens bezit van amfetaminesulfaat vereist is dat de betrokkene met “premeditation” heeft gehandeld. Dat betekent, zo is in deze brief vermeld, dat de Poolse strafrechter heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon minst genomen ermee heeft ingestemd dat een ander het verdovende middel in zijn voertuig zou achterlaten.

4.5

Het feit levert naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6, tweede lid, OLW in samenhang met artikel 6, vijfde lid, OLW

5.1

De raadsman heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel

6, tweede lid, OLW in samenhang met artikel 6, vijfde lid, OLW. Een kaderbesluitconforme

uitleg van deze bepalingen – in de zin dat weigering van de overlevering afhankelijk is van de

garantie dat de straf daadwerkelijk in Nederland ten uitvoer wordt gelegd – zou contra legem

zijn. Het buiten toepassing laten van deze bepalingen wegens strijd met Kaderbesluit

2002/584/JBZ3 is niet mogelijk, omdat het kaderbesluit geen rechtstreekse werking heeft.

5.2

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de rechtbank artikel 6, tweede lid, OLW zo

moet lezen, dat weigering van de overlevering facultatief is. Bij een weigering van de

overlevering op basis van die bepaling moet de rechtbank bepalen dat de straf daarmee wordt overgenomen door Nederland. Het Openbaar Ministerie is in zo een geval bereid de tenuitvoerlegging van die straf te gelasten en toe te zien op de daadwerkelijke tenuitvoerlegging daarvan. De officier van justitie houdt er rekening mee dat daartoe mogelijk een kort geding tegen de Staat zal moeten worden gevoerd. In deze zaak is de officier van justitie van mening dat de rechtbank de overlevering inderdaad zou moeten weigeren op grond van het facultatief te lezen artikel 6, tweede lid, OLW en zou moeten bepalen dat de tenuitvoerlegging van de straf wordt overgenomen.

5.3

De rechtbank heeft in haar verwijzingsbeslissing van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:7463) vastgesteld dat aan alle in artikel 6, vijfde lid, OLW gestelde voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat artikel 6, tweede lid, OLW – dat bepaalt dat de overlevering ter tenuitvoerlegging van een aan een Nederlander bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf niet wordt toegestaan – van overeenkomstige toepassing is. De toepassing van artikel 6, tweede lid, OLW brengt op grond van artikel 6, derde lid, OLW mee dat de officier van justitie de uitvaardigende justitiële autoriteit in kennis stelt van de Nederlandse “bereidheid” om de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen. Op grond van artikel 6, vierde lid, OLW moet de officier van justitie de Minister van Justitie en Veiligheid onverwijld in kennis stellen van een weigering van de overlevering onder de “bereidverklaring” om de tenuitvoerlegging over te nemen. De Minister is immers de bevoegde autoriteit inzake de overname van de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis.

5.4

Artikel 6, tweede tot en met vijfde lid, OLW strekt tot implementatie van artikel 4, punt 6,

Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

5.5

Het probleem in deze zaak is dat het systeem van artikel 6 OLW op meerdere punten in strijd

is met artikel 4, punt 6, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, zoals volgt uit beide arresten van het

Hof van Justitie. Artikel 6 OLW kent aan de rechtbank geen ruimte toe om te beoordelen of

toepassing moet worden gegeven aan de weigeringsgrond, maar verplicht haar zonder meer om

de executie-overlevering te weigeren als aan de voorwaarden van artikel 6, vijfde lid, OLW is

voldaan. Bovendien is bij toepassing van deze dwingende weigeringsgrond niet gegarandeerd

dat Nederland de straf daadwerkelijk ten uitvoer legt. De enkele “bereidheid” daartoe volstaat

niet (HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punt 23; HvJ EU 24 juni 2019,

C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punt 86).

5.6

Daarbij komt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit zich in deze zaak steeds op het

standpunt heeft gesteld dat Nederland, in geval van weigering van de overlevering, de straf zelf

ten uitvoer moet leggen zonder een daartoe strekkend verzoek van Poolse zijde.4 Bovendien

heeft zij bij beslissing van 28 augustus 2019 het verzoek van de raadsman van 12 augustus 2019

van de opgeëiste persoon afgewezen om aan Nederland te vragen om de tenuitvoerlegging van

de straf over te nemen op basis van – naar de rechtbank begrijpt – de wetgeving ter

implementatie van Kaderbesluit 2008/909/JBZ.5 De Afdeling Internationale Overdracht

Strafvonnissen (IOS) van de Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Justitie heeft

zich steeds op het standpunt gesteld dat Nederland zonder een daartoe strekkend Pools verzoek

de tenuitvoerlegging van de straf niet kan overnemen.6

5.7

De rechtbank ziet zich dan ook geplaatst voor conflicterende verplichtingen. Op grond van

het nationale recht moet zij de overlevering weigeren, terwijl zij op grond van het Unierecht de

overlevering moet toestaan omdat zij de weigeringsgrond van artikel 4, punt 6, Kaderbesluit

2002/584/JHA niet mag toepassen.

5.8

Gezien die conflicterende verplichtingen heeft de rechtbank via de twee prejudiciële verwijzingen een aantal mogelijke oplossingen aan het Hof van Justitie voorgelegd. In wezen komen de antwoorden van het Hof van Justitie erop neer dat dat de rechtbank gevolg moet geven aan de verplichting om het nationale recht zo veel mogelijk kaderbesluitconform uit te leggen, althans om dat recht zo veel mogelijk zo uit te leggen dat toepassing van de weigeringsgrond tot een kaderbesluitconform resultaat leidt – dat wil zeggen daadwerkelijke overname door Nederland van de tenuitvoerlegging van de straf –, mocht een uitleg die tot tenuitvoerlegging van het EAB leidt niet mogelijk zijn (HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punten 84-85).

5.9

Een volledig kaderbesluitconforme uitleg van artikel 6, tweede tot en met vijfde lid, OLW

zou inhouden dat de rechtbank wel een beoordelingsruimte heeft bij de beslissing over de

toepassing van de weigeringsgrond en dat toepassing van de weigeringsgrond afhankelijk is van

een daadwerkelijke verbintenis tot tenuitvoerlegging van de straf in Nederland. Deze uitleg, die

in het onderhavige geval tot tenuitvoerlegging van het EAB zou leiden, is niet mogelijk, omdat

deze uitleg contra legem zou zijn. De rechtbank moet daarom onderzoeken of zij deze

bepalingen zo kan uitleggen, dat weigering van de overlevering tot een kaderbesluitconform

resultaat leidt. Daarbij kan van belang zijn welk regime van toepassing is op de overname van de

tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf.

5.10

Evenals Nederland, heeft Polen op grond van artikel 28, tweede lid, Kaderbesluit

2008/909/JBZ een verklaring afgelegd over het overgangsregime.7 Deze verklaring luidt als

volgt:

Verklaring van de Republiek Polen met betrekking tot Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

Overeenkomstig artikel 28, lid 2, verklaart de Republiek Polen dat in gevallen waarin het onherroepelijke vonnis eerder dan drie jaar na de datum van inwerkingtreding van het kaderbesluit is gegeven, de Republiek Polen als beslissingsstaat en als tenuitvoerleggingsstaat de rechtsinstrumenten inzake de overbrenging van gevonniste personen welke vóór dit kaderbesluit van toepassing waren, zal blijven toepassen.

5.11

Kaderbesluit 2008/909/JBZ is op 5 december 2008 in werking getreden. De Poolse

verklaring brengt – op zichzelf – mee dat Polen het regime van dat kaderbesluit niet toepast op

de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf. Het vonnis waarbij die vrijheidsstraf is

opgelegd, is immers vóór 5 december 2011 onherroepelijk geworden.

5.12

Polen heeft de bedoelde verklaring niet “op het tijdstip van aanneming van [Kaderbesluit

2008/909/JBZ]” afgelegd, zoals artikel 28, tweede lid, Kaderbesluit voorschrijft, maar op een

later tijdstip. In het tweede arrest in deze zaak, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een

dergelijke verklaring “geen rechtsgevolgen kan sorteren” (HvJ EU 24 juni 2019, C-573/15,

ECLI:EU:C:2019:530, punt 49).

5.13

Klaarblijkelijk heeft Polen de bedoelde verklaring nog niet ingetrokken en heeft Polen zijn

nationale wetgeving nog niet aangepast, in die zin dat de wetgeving ter implementatie van

Kaderbesluit 2008/909/JBZ ook van toepassing is op vonnissen die vóór 5 december 2011

onherroepelijk zijn geworden. In haar beslissing van 28 augustus 2019 wijst de uitvaardigende

justitiële autoriteit ter motivering van de afwijzing van het hiervoor onder 5.6 genoemde verzoek van de raadsman immers naar een bepaling op grond waarvan die wetgeving niet van toepassing is op zulke vonnissen.

5.14

Artikel 5:2 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en

voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) luidt als volgt:

Artikel 5:2

1 Deze wet treedt in de relatie met de lidstaten van de Europese Unie in de plaats van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.

2 Het eerste lid is niet van toepassing in relatie tot een andere lidstaat van de Europese Unie voor zover en voor zolang die lidstaat niet de maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan het kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PbEU L 327) of het kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PbEU L 337).

5.15

Nu de Poolse verklaring geen rechtsgevolgen kan hebben, maar de Poolse wetgeving nog

niet is aangepast, doet zich hier het in het tweede lid bedoelde geval voor: voor wat betreft

vonnissen die onherroepelijk zijn geworden vóór 5 december 2011 heeft Polen (nog) niet de

vereiste maatregelen ter implementatie van Kaderbesluit 2008/909/JBZ getroffen. Daaruit volgt

dat het regime van de WETS (nog) niet van toepassing is op de overname van de

tenuitvoerlegging van zulke Poolse vonnissen, waaronder het vonnis van de opgeëiste persoon.

5.16

Op grond van artikel 5:2, eerste lid, WETS is daarom de Wet overdracht tenuitvoerlegging

strafvonnissen (hierna: WOTS) van toepassing op de overname van de tenuitvoerlegging

van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf. Bij toepassing van de WOTS in

samenhang met de tussen Nederland en Polen van kracht zijnde verdragen inzake de overname

van de tenuitvoerlegging van straffen8 is niet gegarandeerd dat Nederland de straf daadwerkelijk

ten uitvoer zal leggen. Artikel 2 WOTS bepaalt dat de tenuitvoerlegging in Nederland van

buitenlandse rechterlijke beslissingen alleen plaatsvindt “krachtens een verdrag”. De bedoelde

verdragen eisen dat de Staat van veroordeling – in dit geval Polen – een verzoek doet tot

overname van de tenuitvoerlegging, terwijl de uitvaardigende justitiële autoriteit zich op het

standpunt heeft gesteld dat Nederland de straf zelf ten uitvoer moet leggen zonder een dergelijk

verzoek (zie overweging 5.6).

5.17

De omstandigheid dat het regime van de WETS niet van toepassing is op de

tenuitvoerlegging van de aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsstraf, brengt mee dat

artikel 4:2 WETS, dat wijzigingen heeft aangebracht in artikel 6, derde lid, OLW evenmin van

toepassing is. Artikel 6, derde lid, OLW luidde vóór de inwerkingtreding van de WETS als

volgt:

3. Bij een weigering van de overlevering uitsluitend op grond van het bepaalde in het tweede lid stelt de officier van justitie de uitvaardigende justitiële autoriteit in kennis van de bereidheid om de tenuitvoerlegging van het vonnis over te nemen, overeenkomstig de procedure voorzien in artikel 11 van het op 21 maart 1983 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74), of op basis van een ander toepasselijk verdrag, over te nemen.

5.18

Deze bepaling biedt een aanknopingspunt voor een uitleg die tot een kaderbesluitconform

resultaat leidt. Als de woorden “een ander toepasselijk verdrag” zo kunnen worden uitgelegd,

dat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/5845/JBZ zelf een dergelijk verdrag oplevert, dan is bij

weigering van de overlevering op grond van artikel 6, tweede lid, OLW gewaarborgd dat

Nederland de tenuitvoerlegging van de straf daadwerkelijk overneemt. Anders dan de verdragen

inzake overname van de tenuitvoerlegging van buitenlandse straffen, stelt artikel 4, punt 6,

Kaderbesluit 2002/584/JBZ niet de eis van een verzoek van de uitvaardigende lidstaat tot

overname van de tenuitvoerlegging. Ook overigens stelt deze bepaling geen voorwaarden

waaronder die overname kan plaatsvinden. Een dergelijke lezing van artikel 6, derde lid (oud),

OLW betekent dat deze bepaling een lex specialis vormt ten opzichte van art. 2 WOTS en dat bij

toepassing van artikel 6, tweede lid, OLW overname van de tenuitvoerlegging kan en moet

plaatsvinden.

5.19

Een dergelijke lezing is volgens de in het Nederlandse recht erkende uitleggingsmethoden mogelijk. Weliswaar is een kaderbesluit een besluit van een volkenrechtelijke organisatie en niet een volkenrechtelijk verdrag, maar een kaderbesluit heeft met zo een verdrag gemeen dat het verbindend is voor de lidstaten. Daarbij komt dat een kaderbesluit een grondslag heeft in een verdrag, te weten het Verdrag betreffende de Europese Unie. Bovendien is de ratio van de verdragseis dat Nederland alleen de tenuitvoerlegging van strafvonnissen wil overnemen van een andere staat, indien Nederland vertrouwen heeft in de deugdelijkheid van de rechtspleging in die staat. Het verdrag vormt de uitdrukking van dat vertrouwen. Aan die ratio wordt geen afbreuk gedaan, omdat de regeling van het EAB berust op “een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten” (overweging 10 van de preambule van Kaderbesluit 2002/584/JBZ). De verschillen tussen een kaderbesluit en een verdrag zijn daarom niet van dien aard dat zij – in het kader van de verplichting tot kaderbesluitconforme uitleg – in de weg staan aan de lezing dat art. 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ een “ander toepasselijk verdrag” in de zin van artikel 6, derde lid (oud), OLW oplevert.

5.20

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht zich niet tegen een dergelijke lezing

verzet (HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punten 41-42; HvJ EU 24 juni

2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punten 90-92) en dat deze lezing zou kunnen

garanderen “dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de haar verleende mogelijkheid om de

tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren slechts uitoefent indien de daadwerkelijke

tenuitvoerlegging in Nederland van de aan [de opgeëiste persoon] opgelegde straf gegarandeerd

is, zodat tot een oplossing wordt gekomen die in overeenstemming is met de doelstelling van dit

kaderbesluit” (HvJ EU 29 juni 2017, C-579/15, ECLI:EU:C:2017:503, punt 42; HvJ EU 24 juni

2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punt 92).

5.21

Dat de minister zich eerder in deze overleveringsprocedure op het standpunt heeft gesteld

dat artikel 4, punt 6, Kaderbesluit 2002/584/JBZ geen “verdrag” is in de zin van artikel 6, derde

lid (oud), OLW staat niet in de weg aan deze lezing. Het Hof van Justitie heeft

immers, samengevat, geoordeeld dat:

- op alle autoriteiten van de lidstaten, dus ook op de minister, de verplichting rust om “het Nederlandse recht zo veel mogelijk [uit te leggen] in het licht van de bewoordingen en het doel van dit kaderbesluit, teneinde mogelijk te maken dat, door de overname in Nederland van de aan [de opgeëiste persoon] opgelegde straf, de doeltreffendheid van kaderbesluit 2002/584 behouden blijft, hetgeen wordt gewaarborgd door de in punt 92 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte uitlegging van artikel 6, lid 3, OLW in de versie die toepasselijk was tot de inwerkingtreding van de WETS” (HvJ EU 24 juni

2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punt 94);

- de omstandigheid dat “een uitlegging van de nationale wet die onverenigbaar is met het Unierecht wordt gesteund door de minister geenszins in de weg staat aan de verplichting tot conforme uitlegging die op [de rechtbank] rust” (HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punt 95);

- nu de minister geen rechterlijke autoriteit in de zin van Kaderbesluit 2002/584/JBZ is, “de beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het tegen [de opgeëiste persoon] uitgevaardigde EAB niet kan afhangen van de uitlegging die door de minister aan artikel 6, lid 3, OLW wordt gegeven” (HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punt 96);

- de rechtbank daarom “niet op goede gronden [kan] oordelen dat het voor [haar] onmogelijk is om dat artikel 6, lid 3, uit te leggen in overeenstemming met het Unierecht om de enkele reden dat deze bepaling door de minister is uitgelegd op een wijze die onverenigbaar is met dit recht (HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punt 97).

5.22

Een en ander brengt het Hof van Justitie tot de slotsom dat als de rechtbank “tot de conclusie komt dat kaderbesluit 2002/584 overeenkomstig de in het Nederlandse recht erkende uitleggingsmethoden kan worden gelijkgesteld met een verdrag, met het oog op de toepassing van artikel 6, lid 3, OLW, in de versie die toepasselijk was tot de inwerkingtreding van de WETS, [zij] deze aldus uitgelegde bepaling op het hoofdgeding moet toepassen, zonder rekening te houden met het feit dat de minister zich tegen een dergelijke uitlegging verzet” (HvJ EU 24 juni 2019, C-573/17, ECLI:EU:C:2019:530, punt 98).

5.23

De rechtbank is dus verplicht om artikel 6, derde lid (oud), OLW in de bedoelde zin uit te leggen. Gelet op de overwegingen van het tweede arrest (hierboven samengevat in overweging 5.21), kan de rechtbank thans niet anders dan ervan uitgaan dat:

- de minister gevolg zal geven aan de ook op hem rustende verplichting om het nationale recht zo veel mogelijk zo uit te leggen dat een kaderbesluitconform resultaat wordt bereikt, hetgeen wordt gewaarborgd door de in overweging 5.18 bedoelde uitleg, en

- de officier van justitie – die als autoriteit van de lidstaat Nederland evenzeer aan die verplichting is onderworpen – bij zijn kennisgevingen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en aan de minister zal meedelen dat Nederland de tenuitvoerlegging van de straf kan en moet overnemen zonder een daartoe strekkend verzoek van Polen en ook overigens al datgene zal doen wat nodig is om aan die verplichting te voldoen.

5.24

Met de officier van justitie en de raadsman – maar op andere gronden – komt de rechtbank

derhalve tot de conclusie dat de overlevering moet worden geweigerd.

6 Slotsom

De overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 6, tweede lid, OLW in

samenhang met artikel 6, vijfde lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de

subsidiair gevoerde verweren.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon], onder verwijzing naar overweging

5.23.

HEFT OP het – geschorste – bevel tot gevangenhouding.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 26 september 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie, PbEU 2008, L 327/27.

2 PbEU 2018, L 163/18.

3 Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PbEG 2002, L 190/1).

4 Brieven van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 2 april 2015 en 31 juli 2019.

5 Vertaling van de beslissing van 28 augustus (bijlage bij het e-mailbericht van de raadsman van de opgeëiste persoon van 3 september 2019.

6 E-mailbericht van DJI van 7 april 2015; e-mailbericht van IOS van 3 september 2019.

7 PbEU 2011, L 146/1.

8 Van toepassing zijn: het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, het Aanvullende Protocol bij dat verdrag en de Schengen uitvoeringsovereenkomst.