Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7103

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-09-2019
Datum publicatie
17-10-2019
Zaaknummer
C/13/669735 / KG ZA 19-784
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kort geding. verwijdering BKR-registratie, codes A, 2 en 3 afgewezen. geen spoedeisend belang. Ten overvloede: anders ook afgewezen, ogv belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/669735 / KG ZA 19-784 MvW/MAH

Vonnis in kort geding van 26 september 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 30 juli 2019,

advocaat mr. K.J. Zomer te Oosterhout Nb,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ING worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 11 september 2019 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. ING heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

- aan de zijde van [eiser] : [eiser] met mr. Zomer, vergezeld van [betrokkene 1] (verbonden aan CoderingVrij);

- aan de zijde van ING: [betrokkene 2] met mr. Posthuma.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft met zijn toenmalige echtgenote een hypotheek gehad bij ING, waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk waren. In de periode 2001-2003 en in 2010 zijn er betalingsachterstanden ontstaan. Vanaf mei 2011 is er niet meer betaald. Op 17 oktober 2011 heeft ING de gehele lening opgeëist.

2.2.

Van 2011 tot 2016 was [eiser] verwikkeld in een echtscheiding. Op 27 februari 2012 zijn zijn ondernemingen failliet verklaard; het faillissement is op 24 juli 2012 opgeheven bij gebrek aan baten.

2.3.

Bij brief van 9 oktober 2012 heeft ING de openbare verkoop van de woning aangezegd. Aanvankelijk werd er niet tot verkoop overgegaan. Op 2 januari 2014 heeft ING de lening wederom opgeëist. In het voorjaar van 2014 is de woning door ING openbaar verkocht.

2.4.

In 2014 en 2015 is [eiser] namens ING gesommeerd tot betaling van de restschuld van toen ruim € 350.000,-, bestaande uit een tekort uit de verkoop en ongeveer € 65.000,- aan betalingsachterstanden. Er is niet betaald.

2.5.

[eiser] heeft een schuldsaneringstraject doorlopen in het kader van de WSNP, dat in 2018 met een dwangakkoord is afgesloten. ING heeft haar vordering van € 366.000,- op 19 december 2018 afgeboekt.

2.6.

In 2018 heeft de nieuwe partner van [eiser] een nieuwbouwwoning gekocht, waar zij samen willen gaan wonen, die naar verwachting op 1 oktober 2019 wordt opgeleverd. In februari 2019 zijn zij een geregistreerd partnerschap aangegaan.

2.7.

Bij brief van 17 januari 2019 heeft CoderingVrij namens [eiser] aan ING verzocht de BKR-registratie op zijn naam te verwijderen. Namens ING heeft Vesting Finance dat bij brief van 12 maart 2019 geweigerd.

2.8.

In het CKI staan op naam van [eiser] voor de hypotheekschuld bij ING bijzonderheidscodes A (8 april 2011), 2 (21 juli 2014) en 3 (19 december 2018) geregistreerd en daarnaast een SR-notering (25 april 2016). Alle noteringen hebben als einddatum 19 december 2018. A = achterstand, 2 = opeisen vordering, 3 = afboeken en SR = schuldregeling.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert kort gezegd ING op straffe van een dwangsom te veroordelen om de bijzonderheidscoderingen A, 2 en 3 op zijn naam in het CKI van het BKR binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te verwijderen en ING te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

ING voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereest zal worden beoordeeld of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. ING heeft gemotiveerd aangevoerd dat dit niet het geval is en dat er geen reden is waarom niet de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank op grond van artikel 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (UAVG) had kunnen worden gevolgd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om verwijdering van de registratie dateert van januari en de afwijzing van maart 2019. Pas op 30 juli 2019 heeft [eiser] dit kort geding aanhangig gemaakt. Dit wijst er niet op dat de verwijdering van de BKR-registratie voor [eiser] urgent is. Bovendien staat het nieuwbouwhuis voor de afbouw waarvan [eiser] stelt extra financiering nodig te hebben – waaraan de BKR-registratie in de weg zou staan – op naam van zijn nieuwe levenspartner, die daarvoor de oorspronkelijke financiering heeft gekregen. ING stelt terecht dat het onwaarschijnlijk is dat bij die financiering geen rekening is gehouden met de afbouw van het huis. Ook is gebleken dat het huis gewoon wordt opgeleverd op 1 oktober 2019. [eiser] heeft tegenstrijdige, althans onduidelijke, verklaringen afgelegd over de vraag of keuken, sanitair en vloeren nog moeten worden geïnstalleerd. Daarnaast stelde hij in de dagvaarding nog € 50.000,- voor de afbouw nodig te hebben; ter zitting verklaarde hij daarentegen dat het om € 32.000,- zou gaan. Ook is niet duidelijk waarom eventuele extra financiering op zijn naam en niet op die van zijn nieuwe partner zou moeten staan.

De conclusie is, dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat [eiser] in een benarde woonsituatie verkeert of een ander urgent probleem heeft dat kan worden opgelost door verwijdering van de BKR-registratie. De vordering zal dan ook worden afgewezen in verband met het ontbreken van spoedeisend belang.

4.2.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat de vordering ook zou zijn afgewezen als er wèl voldoende spoedeisend belang was geweest. Daarvoor zijn de volgende redenen.

4.3.

Een betrokkene kan op grond van artikel 21 lid 1 Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) vanwege zijn specifieke situatie bezwaar maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 onder (e of) f AVG. De verwerkingsverantwoordelijke (hier ING) moet het bezwaar honoreren, tenzij zij dwingende gerechtvaardigde gronden aanvoert voor de verwerking die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon. Als de verwerkingsverantwoordelijke het bezwaar niet honoreert, zoals hier, kan de betrokkene de rechter zo nodig om een doeltreffende voorziening vragen (artikel 79 AVG en artikel 35 UAVG). De rechter toetst of de verwerkingsverantwoordelijke aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dwingende gerechtvaardigde belangen (in dit geval het tweeledige doel van de kredietregistratie: het beschermen van de consument tegen overkreditering en het waarschuwen van andere kredietinstellingen) in dit specifieke geval zwaarder wegen dan de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene (overweging 69 AVG).

4.4.

Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich eerst na de registratie hebben voorgedaan kunnen worden betrokken. Bij een dergelijke registratie en de handhaving daarvan moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zodanig dat de inbreuk op de belangen van de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene ( [eiser] ) niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel (proportionaliteitsbeginsel) en dat het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). Hiervoor wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ8097).

4.5.

Voor de belangenafweging zijn de volgende omstandigheden van belang.

Het bedrag dat ING op de hypotheekschuld van [eiser] heeft afgeboekt is aanzienlijk: € 366.000,-. Daarvan was een bedrag van € 65.000,- bovendien voor het niet betalen van hypotheekrente sinds 2011. [eiser] heeft dus in feite een aantal jaren gratis gewoond. Dat er een aanzienlijke restschuld was, kan komen doordat zijn toenmalige huis in waarde was gedaald; dat is echter niet aan ING te wijten. Het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen brengt nu eenmaal het risico van verkoop bij veiling van het huis met zich mee. Overigens heeft ING aan [eiser] nog enige tijd de kans geboden om het huis zelf te verkopen, maar dat is [eiser] niet gelukt.

Verder zijn mee te wegen omstandigheden, dat [eiser] ook in 2003 en 2004 al betalingsachterstanden had en dat hij in ieder geval ten tijde van het WSNP-traject nog diverse andere schuldeisers had.

Voorts is ter zitting gebleken dat er ook een SR-notering (25 april 2016), met als einddatum 19 december 2018, in het CKI staat op naam van [eiser] , die in beginsel ook gedurende vijf jaar na de einddatum blijft staan en op zichzelf al reden kan zijn voor afwijzing van een financieringsaanvraag.

Ten slotte is er ook geen sprake van een groot tijdsverloop. Van de termijn van vijf jaar dat de codes in beginsel geregistreerd staan na de einddatum (19 december 2018) is nog niet eens een jaar verstreken.

Er kan derhalve niet van een langdurige financieel gezonde situatie aan de zijde van [eiser] worden gesproken. De registratie van de bijzonderheidscoderingen is dan ook in dit geval daadwerkelijk nodig om [eiser] tegen overkreditering te beschermen en andere kredietinstellingen te waarschuwen.

Op grond van dit alles zou een belangenafweging uitvallen in het nadeel van [eiser] , zodat de gevraagde voorziening ook op die grond zou zijn geweigerd.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ING worden begroot op:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.619,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 1.619,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van de betekening van dit vonnis,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2019.1

1 type: mah coll: mb