Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:7049

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2019
Datum publicatie
08-10-2019
Zaaknummer
13/654067-17 (A) en 13/201539-18 (B)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op (putatief) noodweer verworpen. Benadeelde partij niet-ontvankelijk, nu de bewindvoerder van verdachte niet ter terechtzitting aanwezig is en de raadsman niet door de bewindvoerder is gemachtigd. Wel schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/654067-17 (A) en 13/201539-18 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 19 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 5 september 2019.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Duker en van wat verdachte en zijn raadsman mr. D.E. Wiersum naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is, kort gezegd, na wijziging op de zitting, ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

Ten aanzien van zaak A

  • -

    feit 1: een diefstal met geweld in vereniging van een trainingsjas van [slachtoffer 1] op 8 juni 2017;

  • -

    feit 2: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen [slachtoffer 1] op 8 juni 2017, waarbij verdachte opzettelijk een trainingsjas heeft vernield.

Ten aanzien van zaak B

  • -

    primair: een poging om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen op 20 juli 2018;

  • -

    subsidiair: een mishandeling van [slachtoffer 2] op 20 juli 2018.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van zaak A acht de officier van justitie beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Zij verwijst hiervoor naar de aangifte en de camerabeelden. Ten aanzien van zaak B acht de officier van justitie het primaire feit bewezen. Door aangever tegen het hoofd te schoppen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder zaak A onder feit 1 tenlastegelegde. Voor een bewezenverklaring moet het geweld instrumenteel zijn voor het wegnemen van de trainingsjas. Dit is niet het geval. Verdachte heeft geweld gebruikt omdat hij in de veronderstelling was dat hij werd aangevallen. De diefstal stond daarom los van het geweld. Ten aanzien van het tweede feit in zaak A en het tenlastegelegde in zaak B heeft de raadsman geen bewijsverweren gevoerd.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van zaak A

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een diefstal met geweld. Uit het proces-verbaal met omschrijving van de camerabeelden volgt dat sprake is van één vloeiende beweging van verdachte, waarbij hij aangever mishandelt en vervolgens diens trainingsjas wegneemt. De gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet anders worden opgevat dan dat het opzet van verdachte op de diefstal van de trainingsjas was gericht. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de onder feit 1 ten laste gelegde diefstal met geweld heeft gepleegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van zaak A

1.

op 8 juni 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een trainingsjas, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededader,

- meermalen voornoemde [slachtoffer 1] hebben geslagen en een knietje hebben gegeven, en

- voornoemde [slachtoffer 1] op de grond hebben geslingerd, en

- een trappende beweging naar voornoemde [slachtoffer 1] hebben gemaakt waardoor voornoemde [slachtoffer 1] uit balans is geraakt, en,

- terwijl voornoemde [slachtoffer 1] op de grond lag meerdere malen tegen het hoofd en lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] hebben gestompt en getrapt;

2.

op 8 juni 2017 te Amsterdam, met een ander, op de openbare weg, het Zuiderkerkhof, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het meerdere malen stompen en trappen tegen het hoofd en lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] , en hij, verdachte, opzettelijk een trainingsjas heeft vernield.

Ten aanzien van zaak B

op 20 juli 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer 2] is toegegaan, waarna hij, verdachte,

- eenmaal tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geslagen, en

- een zogenaamd ‘knietje’ in het gezicht van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gegeven, en

- met kracht meerdere malen voornoemde [slachtoffer 2] tegen het hoofd en het lichaam heeft getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden, te weten een aangezichtsfractuur en een neusfractuur en een hoofdwond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen letsel niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van de feiten

6.1.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hem een beroep op noodweer toekomt. Het incident valt volgens de raadsman uiteen in twee delen. Verdachte werd geconfronteerd met een uitermate agressieve aangever. Aangever riep ‘I kill you’ en greep vervolgens in zijn tas. Volgens de raadsman was er sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar. Verdachte hoefde niet af te wachten tot aangever daadwerkelijk een mes zou pakken. Het handelen van verdachte voldeed aan de eisen van subsidiariteit, nu er een noodzaak bestond om zichzelf te verdedigen. Het geven van een klap en een schop om aangever op afstand te houden was volgens de raadsman proportioneel. Bij het tweede deel van het incident maakte aangever een snijdende beweging langs zijn keel en rende hij op verdachte af. Uit deze handelingen kan volgens de raadsman worden afgeleid dat aangever voornemens was om verdachte van het leven te beroven dan wel ernstig te verwonden. De schop tegen het hoofd van aangever stond dan ook in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

6.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Uit het dossier blijkt niet dat aangever een mes bij zich had.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Beoordeeld moet worden of verdachte een beroep op noodweer toekomt. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat aangever agressief werd toen hij geen sigaret kreeg van [persoon]. Aangever probeerde vervolgens de winkel in te lopen. Hij riep meerdere malen ‘I kill you!’ en greep vervolgens in zijn tas. Verdachte hoorde iemand roepen dat aangever een mes bij zich zou hebben. Uit reactie heeft verdachte aangever geslagen en even later tegen het hoofd geschopt.

Anders dan de raadsman heeft bepleit acht de rechtbank het beroep op noodweer ongegrond en overweegt daartoe dat de lezing van verdachte geen steun vindt in het dossier. Er is namelijk niet gebleken dat aangever een mes bij zich had. Hoewel aangever zich mogelijk verbaal agressief gedroeg, blijkt niet uit het dossier dat hij feitelijk agressieve handelingen heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank was er geen onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Het verweer wordt verworpen.

Voor zover de verdachte, naar hij heeft verklaard, zich in de veronderstelling bevond dat toch sprake was van een noodweersituatie was die veronderstelling - zo volgt uit het bovenstaande - niet gerechtvaardigd. Het beroep op putatief noodweer kan om die reden dan ook niet slagen.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan het voorarrest en het voorwaardelijke gedeelte 4 maanden betreft, met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarde en een proeftijd van 2 jaren. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 240 uren.

8.2.

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en een openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] . Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door [slachtoffer 2] onder andere tegen het hoofd te trappen. [slachtoffer 2] heeft hierdoor een aangezichtsfractuur, een neusfractuur en een hoofdwond opgelopen. Met zijn handelwijze heeft verdachte niet alleen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, ook roepen dergelijke strafbare feiten in zijn algemeenheid gevoelens van onveiligheid op bij zowel de slachtoffers als bij de maatschappij.

De rechtbank heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële

Documentatie van 13 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld

voor het plegen van soortgelijke feiten. Bovendien heeft verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in zaak A schuldig gemaakt aan het in zaak B tenlastegelegde feit. Eerdere veroordelingen en de schorsing hebben verdachte er dus niet van weerhouden zich wederom aan geweldsmisdrijven schuldig te maken. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het adviesrapport van 28 januari 2019 en een voortgangsverslag van 23 augustus 2019 van Reclassering Nederland. Uit het voortgangsverslag blijkt dat verdachte reflecteert op het eigen handelen en dat hij nog kan werken aan het overzien van zijn beslissingen. In het adviesrapport adviseert Reclassering Nederland een voorwaardelijke straf met een bijzondere voorwaarde op te leggen, te weten een meldplicht.

Alles afwegend doet de door de officier van justitie gevorderde straf naar het oordeel van de rechtbank voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. De rechtbank zal daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzonder voorwaarde opleggen.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert € 28,- (achtentwintig euro) aan materiële schadevergoeding en € 2.000,- (tweeduizend euro) aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Gebleken is dat verdachte onder bewind is gesteld ex artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Een rechthebbende wiens goederen onder bewind zijn gesteld mist ten aanzien van die goederen zelfstandige beheers- en beschikkingsbevoegdheid, wat met zich brengt dat hij of zij met betrekking tot die goederen niet als eisende of verwerende partij in een procedure kan optreden. Een onder bewind gestelde verdachte is dus procesonbevoegd. Wanneer iemand onder bewind is gesteld, vertegenwoordigt de bewindvoerder de rechthebbende, ook tijdens een procedure (zie ook artikel 1:441, eerste lid, van het BW). De bewindvoerder moet dan worden opgeroepen voor de zitting. In deze zaak is dat niet gebeurd en de bewindvoerder heeft de raadsman van verdachte ook geen machtiging gegeven om namens de bewindvoerder op te treden. Dit betekent dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het in dit stadium van de procedure alsnog oproepen van de bewindvoerder levert naar het oordeel van de rechtbank een te grote belasting van het strafproces op. De benadeelde partij kan zijn vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De schadevergoedingsmaatregel

De schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan te allen tijde worden opgelegd indien en voor zover verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. In deze zaak is de benadeelde partij materiële schade toegebracht door het bewezenverklaarde in zaak B, de poging tot zware mishandeling. Het komt de rechtbank dan niet ongegrond of onrechtmatig voor dat deze geleden schade wordt vergoed. De eveneens door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank redelijk en billijk.

Verdachte is naar burgerlijk recht jegens [slachtoffer 2] aansprakelijk voor een bedrag van € 2.028,- (tweeduizend achtentwintig euro), zodat de maatregel voor dat bedrag zal worden opgelegd, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 20 juli 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63, 141, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A feit 1:

diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van zaak A feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak B primair:

poging tot zware mishandeling.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, als de verdachte zich voor het einde van de

proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van

een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en,

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van

het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien verdachte gedurende de proeftijd de

hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- meldplicht bij reclassering

Verdachte meldt zich op bij Reclassering Nederland wanneer hij hiertoe uitgenodigd wordt. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 120 (honderdtwintig) dagen zal worden toegepast.

Verklaart [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen de som van € 2.028,- (tweeduizend achtentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 20 juli 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B. Vogel, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en Y. Moussaoui, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 september 2019.

[...]