Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6978

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1987
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanwijzen van een gebouw als gemeentelijk monument. Verweerder mag afwijken van een negatief advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Er is geen rechtsregel die vereist dat verweerder een onafhankelijke deskundige benoemt. Aan de eis dat de afwijking voldoende moet worden gemotiveerd, wordt voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/1987

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 september 2019 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Midvast B.V., te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. D. op de Hoek),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Aznach).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als Midvast en het college. Het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel West (het algemeen bestuur) was tot 21 maart 2018 de rechtsvoorganger van het college.

Procesverloop

Met een besluit van 4 juli 2017 (het primaire besluit) heeft het algemeen bestuur het [het gebouw] op het adres [adres] in Amsterdam aangewezen als gemeentelijk monument.

Met een besluit van 1 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft het algemeen bestuur het bezwaar van Midvast ongegrond verklaard.

Midvast heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2019. Namens Midvast zijn [namen 1] bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [namen 2] .

Overwegingen

Achtergrond van deze procedure

1. Het gebouw is gelegen aan [plaats] . Het is in [jaartal] gebouwd, naar een ontwerp van de architect A. Salm. Het gebouw bestaat uit een begane grond, een verdieping en een zolderruimte. Op de begane grond zijn twee wachtkamers en een aula. In [periode] werden de toegangen tot de wachtkamers en de uitgang van de aula gewijzigd, naar een ontwerp van de architect J.H. van der Veen.

2. Het gebouw is niet meer in gebruik als aula. Inmiddels is een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van het gebouw, het herbestemmen tot horeca en logiesfunctie en het wijzigen van de indelingen en het aanzicht. Sinds 2 augustus 2016 is het gebouw in eigendom van Midvast.

Deze procedure

3. Op 17 november 2016 heeft Monumenten en Archeologie (M&A) een waardestelling van het gebouw opgesteld. Op 16 januari 2017 heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (CRK) het algemeen bestuur geadviseerd om het gebouw niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Op 30 mei 2017 heeft het college ingestemd om af te wijken van het negatieve advies van de CRK. Het algemeen bestuur had om instemming verzocht, omdat het besluit politiek gevoelig was.

4. De rechtbank moet beoordelen of het algemeen bestuur in redelijkheid het gebouw heeft kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument.

Moest de zienswijze van het door Midvast ingeschakelde [specialistisch bedrijf] voorgelegd worden aan de CRK?

5. In opdracht van Midvast heeft [specialistisch bedrijf] een zienswijze opgesteld, waarvan de conclusie is dat het gebouw geen monumentenstatus verdient. Midvast betoogt dat het algemeen bestuur deze zienswijze had moeten voorleggen aan de CRK. Ter onderbouwing verwijst Midvast naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank van 13 maart 2018.1

6. De rechtbank oordeelt dat het algemeen bestuur daartoe niet verplicht was. Zowel de zienswijze van [specialistisch bedrijf] als het advies van de CRK concludeert dat het gebouw niet moet worden aangewezen als gemeentelijk monument. De situatie in de door Midvast aangehaalde uitspraak was anders, omdat daar de adviezen met elkaar in tegenspraak waren. Het voorleggen van de zienswijze van [specialistisch bedrijf] had in dit geval niets toegevoegd.

Mocht het algemeen bestuur afwijken van het advies van de CRK?

7. Midvast vindt dat het algemeen bestuur ten onrechte voorbij is gegaan aan het negatieve advies van de CRK. Volgens Midvast had het algemeen bestuur een onafhankelijke deskundige moeten benoemen. Zij vindt de waardestelling van M&A daarvoor onvoldoende, want die is volgens haar geen advies.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Het college heeft de gebouwen aangewezen als gemeentelijk monument op grond van de Erfgoedverordening Amsterdam. In artikel 3, eerste, tweede en vierde lid, staat dat het college een monument kan aanwijzen. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de CRK. Het college kan bepalen dat tevens een beschrijving wordt opgesteld. In artikel 1, onder h, staat dat een beschrijving een rapportage van de bouwhistorische, architectuurhistorische, stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of archeologische waarden betreft. Onder r van hetzelfde artikel staat dat M&A een stedelijk kennis- en expertisecentrum is dat belanghebbenden, gemeentelijke diensten, stadsdelen en de CRK adviseert over de waardering en de omgang met cultuurhistorische waarden in de stad.

9. De rechtbank oordeelt dat het algemeen bestuur mocht afwijken van het negatieve advies van de CRK. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat er grote betekenis moet worden gehecht aan het advies van de CRK, maar dat het college beslissingsruimte heeft bij het bepalen van de monumentale waarde van een onroerende zaak en bij het beantwoorden van de vraag, of die zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen.2 De CRK geeft dus slechts een advies, het algemeen bestuur heeft een eigen verantwoordelijkheid om al dan niet te besluiten tot aanwijzing als monument. Er is geen rechtsregel die eist dat het algemeen bestuur een onafhankelijk deskundige benoemt als het wil afwijken van een hem gegeven advies. Wel is nodig dat het algemeen bestuur die afwijking voldoende motiveert. Daarbij mag het algemeen bestuur zich mede baseren op de waardestelling van M&A. De rechtbank vindt daarvoor niet van belang of deze waardestelling moet worden aangemerkt als advies.

Heeft het college het bestreden besluit voldoende gemotiveerd?

10. Midvast vindt dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. Ter onderbouwing verwijst Midvast naar de reactie van 30 maart 2018 van [specialistisch bedrijf] . Kort samengevat staat in deze reactie dat de bezwaarschriftencommissie de beschrijving van M&A en het advies van de CRK onjuist heeft geïnterpreteerd en ten onrechte afwijkt van het deskundige advies van de CRK.

11. De rechtbank oordeelt dat de motivering in het bestreden besluit voldoende is. De toelichting bij de Erfgoedverordening Amsterdam verwijst naar de selectiecriteria in de “Handleiding voor de aanwijzing van zaken en terreinen als gemeentelijk monument en gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht” (de Handleiding). In deze Handleiding staat dat de waardering van een zaak is terug te vinden in de door M&A opgestelde monumentbeschrijving en in het advies van de CRK. Op die manier kan het college een afgewogen beslissing nemen over het al dan niet aanwijzen van gemeentelijke monumenten.3

12. Uit de Handleiding volgt dat de selectiecriteria voor het aanwijzen van een gemeentelijk monument de architectonische waarde, de stedenbouwkundige waarde, de cultuurhistorische waarde, de gaafheid/herkenbaarheid en de zeldzaamheid zijn. Niet alle criteria hoeven gelijktijdig van toepassing te zijn.

13. In de beschrijving van M&A staat dat het gebouw voldoet aan de selectiecriteria voor aanwijzing tot gemeentelijk monument. De CRK vindt dat het gebouw onvoldoende stedenbouwkundige, architectuurhistorische en cultuurhistorische waarden heeft om het gebouw aan te wijzen als gemeentelijk monument.

14. De rechtbank overweegt dat zowel M&A als de CRK vindt dat er cultuurhistorische waarde is, omdat het gebouw deel uit maakt van de geschiedenis van de funeraire cultuur van Amsterdam. Het college heeft er op de zitting terecht op gewezen dat de CRK niet heeft gemotiveerd of en waarom het gebouw onvoldoende cultuurhistorische waarde heeft om aangewezen te worden als gemeentelijk monument. Gelet hierop mocht het college op dit punt M&A volgen.

15. Dit geldt ook voor de architectonische waarde. De uitgebreide omschrijving van M&A van het interieur en exterieur wordt namelijk deels door de CRK onderschreven en voor het overige niet ontkracht. Beiden zijn het erover eens dat het exterieur een positieve waarde heeft en dat het interieur niet meer oorspronkelijk is.

16. De CRK is van mening dat de relatie tussen de [plaats] en het gebouw is aangetast door de wijzigingen die zijn aangebracht in de jaren ’30 en dat daarom de stedenbouwkundige waarde van het gebouw beperkt is. M&A kent het gebouw wel stedenbouwkundige waarde toe, omdat het beeldbepalend is. De rechtbank vindt dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het stedenbouwkundige waarde aan het gebouw toekent.

17. De CRK schrijft dat niet duidelijk is of het gebouw zeldzaam is, omdat er geen overzicht is van de verschillende typen ‘ontvangstgebouw met bovenwoningen’ en er weinig voorbeelden zijn. De rechtbank leest hierin dat de zeldzaamheid volgens de CRK onvoldoende vaststaat. M&A vindt dat dit wel het geval is. Het stelt zich op het standpunt dat het gebouw relatief zeldzaam is en dus typologische waarde heeft. Naar het oordeel van de rechtbank kon het college zich hierin baseren op de omschrijving van M&A.

Heeft het algemeen bestuur zijn bevoegdheid misbruikt?

18. Midvast voert aan dat het afwenden van sloopdreiging om maatschappelijke onrust te voorkomen niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan het bestreden besluit. Dit is namelijk geen beoordelingscriterium voor het aanwijzen van een gemeentelijk monument. Het dagelijks bestuur heeft dus in strijd met het verbod van détournement de pouvoir gehandeld, omdat de bevoegdheid tot het aanwijzen van het gebouw als gemeentelijk monument voor een ander doel is gebruikt dan het doel waarvoor die bevoegdheid is bedoeld.

19. Volgens het college duidt de maatschappelijke onrust erop dat ook vanuit de maatschappij het besef leeft dat het gebouw behoudenswaardig is. Dat het algemeen bestuur mede de monumentwaardigheid van het gebouw is gaan onderzoeken vanwege deze onrust, betekent dus niet dat het zijn bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is gegeven.

20. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken dat het algemeen bestuur het gebouw als monument heeft aangewezen om een andere reden dan het beschermen van cultuurhistorische waarden. Dat doel wordt omschreven in de toelichting van de Erfgoedverordening Amsterdam. Bovendien heeft het college terecht betoogd, dat de maatschappelijke onrust voortkwam uit de zorg dat de cultuurhistorische waarden van het pand niet voldoende beschermd werden.

Heeft het algemeen bestuur het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur geschonden?

21. Midvast betoogt dat het dagelijks bestuur willekeurig heeft gehandeld. Het algemeen bestuur heeft met de voormalige eigenaar van het gebouw een mediationtraject doorlopen. Toen was er kennelijk geen aanleiding om het gebouw aan te wijzen als gemeentelijk monument. Midvast heeft deze mogelijkheid van inspraak niet gehad. Het dagelijks bestuur is namelijk meteen gestart met de procedure om het gebouw aan te wijzen als gemeentelijk monument, aldus Midvast.

22. De rechtbank volgt Midvast niet in haar standpunt. Het mediationtraject werd in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning gestart. In deze zaak gaat het om het aanwijzen van een gemeentelijk monument. De situaties zijn daarom niet vergelijkbaar en er zijn verder ook geen aanknopingspunten dat het algemeen bestuur willekeurig heeft gehandeld.

Conclusie

23. Het algemeen bestuur heeft in redelijkheid het gebouw als gemeentelijk monument kunnen aanwijzen.

24. Het beroep is ongegrond. Midvast krijgt dus geen gelijk.

25. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, voorzitter, en mr. A.M. van der Linden-Kaajan en mr. F.L. Bolkestein, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RBAMS:2018:2310.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 november 2014, ECLI:NL:RVS:2013:1885, en van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2942.

3 Te vinden op pagina 4.