Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6954

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
03-10-2019
Zaaknummer
13/684061-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mishandeling, bedreiging, dwang en belaging/stalking van (ex-)vriendin. Verdachte wilde niet dat de relatie werd beëindigd en dreigde naaktfoto's en -video's te verspreiden om haar te dwingen om de relatie voort te zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/684061-19

Datum uitspraak: 20 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats]

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:

[BRP-adres]

gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2019. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. L. Stroink, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Polat, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij

1.in de periode van 1 december 2018 tot en met 4 februari 2019 zijn (ex)vriendin [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) heeft mishandeld;

2.op 23 februari 2019 [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

3.in de periode van 21 maart 2019 tot en met 23 maart 2019 [slachtoffer 1] heeft gestalkt (belaagd);

4.op 23 maart 2019 [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

5.in de periode van 21 maart 2019 tot en met 23 maart 2019 [slachtoffer 1] door bedreiging met smaad, namelijk het verspreiden van naaktfoto’s en –video’s, heeft gedwongen om iets te doen, niet te doen of te dulden;

6.op 27 maart 2019 een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3. Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier kunnen worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde en gedeeltelijk dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van feiten 4, 5 en 6. Verdachte heeft deze feiten ook bekend.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat niet kan worden bewezen dat verdachte zijn toenmalige vriendin heeft gestompt. Verdachte heeft bekend haar te hebben geslagen in de auto tijdens de autorit vanaf Almere, waardoor de mishandeling kan worden bewezen. Het procesdossier biedt echter, afgezien van de verklaring van aangeefster, geen ondersteuning voor het stompen waardoor verdachte van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde omdat niet uit het procesdossier valt te herleiden om welke social media berichten het gaat. De officier van justitie stelt dat het om het lange WhatsApp gesprek gaat, maar dit is niet goed geverbaliseerd en komt niet uit het procesdossier naar voren. Er zit dan wel een vertaling in het procesdossier, maar hieruit blijkt niet welke gedeeltes zijn vertaald. Het is niet duidelijk om welke berichten het gaat omdat de originele tekst er niet bij wordt weergegeven. De verdediging heeft hierdoor niet kunnen controleren om welke berichten het gaat, of deze berichten juist zijn vertaald en wat de verdere context is.

Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde omdat de gedraging niet kan worden gekwalificeerd als belaging. Hetgeen door de officier van justitie naar voren is gebracht, ziet juist op de dwangcomponent zoals dat ook onder feit 4 is tenlastegelegd. Met de vijf tot zeven WhatsApp berichten heeft verdachte aangeefster onvoldoende stelselmatig lastig gevallen om belaging bewezen te verklaren.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Gedeeltelijke vrijspraak van de onder 1 ten laste gelegde mishandeling

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zijn toenmalige vriendin heeft gestompt. De verklaring van aangeefster ten aanzien van het stompen en het overige slaan vindt namelijk geen steun in het procesdossier. Verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zijn toenmalige vriendin in haar gezicht heeft geslagen, zoals ook door hem ter zitting bekend, op 4 februari 2019.

Gedeeltelijke vrijspraak van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier onvoldoende duidelijk is met betrekking tot de vraag welke berichten uit welke gesprekken door de tolk zijn vertaald op pagina 51 van het dossier, waardoor de verdediging en de rechtbank onder meer niet in staat zijn gesteld de vertaling en de context van de WhatsApp berichten te toetsen. Ook is niet met zekerheid vast te stellen wanneer de vertaalde berichten (’23.02.2019 vanaf 20.37 uur’) zijn verstuurd. De rechtbank zal deze vertaling dan ook niet gebruiken voor het bewijs. Verdachte heeft bekend het vanaf dossierpagina 91 weergegeven WhatsApp gesprek met aangeefster te hebben gevoerd. Dit wordt ondersteund door het procesdossier waaruit blijkt dat het IMEI-nummer van de telefoon van verdachte wordt gekoppeld aan het WhatsApp gesprek. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat het gesprek geruzie inhield. Verdachte heeft bekend het bericht ‘ik maak je af’ te hebben gestuurd. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich in zoverre heeft schuldig gemaakt aan bedreiging.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft bekend in de periode zoals tenlastegelegd meerdere dreigende WhatsApp berichten te hebben gestuurd naar zijn ex-vriendin met het doel om haar bang te maken.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat ook een geringe duur en frequentie van de gedragingen het bestaan van de vereiste stelselmatigheid van de inbreuk niet hoeft uit te sluiten (zie HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:533 en HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3625).

Verdachte heeft in een periode van drie dagen – nadat hij was geschorst en een contactverbod opgelegd had gekregen - meerdere dreigende berichten gestuurd naar zijn ex-vriendin. Deze berichten waren van zeer indringende aard. Zo stuurde hij onder andere de tekst: “Absoluut, absoluut niet met andere praten en niet van iemand anders worden, absoluut,” “je verwijdert hun overal en je stopt met praten, anders verspreid ik je vuiligheid aan hun” en: “Je mag niet van iemand anders worden. Ik waarschuw je voor de laatste keer. En als iemand ander deze berichten komt dan ga je eraan. Ik heb al je foto’s in bezit, absoluut niet iets doms doen. Absoluut niet van een ander worden” en: “Luister absoluut niet denken dat je met een ander kan praten, je mag nooit met een ander zijn. Ik waarschuw je. Ik kom overal achter. Dit weet jij.” Uit de tekst blijkt dat verdachte wilde dat zijn ex-vriendin al het contact met andere mannen zou verbreken, anders zou hij haar naaktfoto’s en –video’s verspreiden. Uit de aangifte blijkt dat verdachte door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.

Gelet op de indringendheid van deze berichten en de frequentie waarmee verdachte via WhatsApp contact heeft gezocht met zijn ex-vriendin, kan gesproken worden van belaging in de zin van het eerste lid van artikel 285b Sr. Hierbij overweegt de rechtbank dat het contact geheel eenzijdig was waarbij alle berichten kwamen vanuit de kant van verdachte. Verdachte heeft zijn ex-vriendin eerder bedreigd en heeft haar mishandeld. Hij wist dat zijn berichten een grote impact op haar zouden hebben. Hij wist namelijk van haar geestelijke gesteldheid en wist dat zij in het ziekenhuis had gelegen vanwege een zelfmoordpoging. Bovendien was verdachte er sinds 15 maart 2019 ook van op de hoogte dat zijn ex-vriendin geen contact meer met hem wilde. Verdachte was namelijk geschorst uit voorlopige hechtenis en één van de voorwaarden waaraan hij zich in dat kader moest houden was dat hij geen contact meer zou hebben met zijn ex-vriendin. Desondanks heeft hij haar gedurende genoemde korte periode op zeer indringende wijze lastig gevallen met de bedoeling om tegen haar uitdrukkelijke wens in contact met haar te komen en haar angst aan te jagen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak feit 1:

op 4 februari 2019 in Nederland, zijn vriendin, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1] in het gezicht te slaan;

ten aanzien van feit 2:

op 23 februari 2019 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [slachtoffer 1] via WhatsApp berichten dreigend de woorden toe te voegen:

- “ik maak je af” en

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

ten aanzien van feit 3:

in de periode van 21 maart 2019 tot en met 23 maart 2019 te Amsterdam, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door haar WhatsApp berichten te sturen met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen;

ten aanzien van feit 4:

op 23 maart 2019 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door voornoemde [slachtoffer 1] dreigend via een WhatsApp bericht de woorden toe te voegen: “Ik waarschuw je voor de laatste keer en als iemand achter deze berichten komt dan ga je eraan;”

ten aanzien van feit 5:

in de periode van 21 maart 2019 tot en met 23 maart 2019 te Amsterdam, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door bedreiging met smaad gericht tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en te dulden, te weten het verwijderen van de accounts en contacten van alle mannen op haar sociale media, door via WhatsApp berichten te dreigen dat hij anders haar naaktfoto’s en video's zal verspreiden;

ten aanzien van feit 6:

op 27 maart 2019 te Amsterdam, een wapen van categorie I, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

Dit vonnis betreft een zogenaamd verkort vonnis. De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

9.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf wordt opgelegd van driehonderd dagen, waarvan honderdachttien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Zij heeft gevorderd dat aan de proeftijd de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden verbonden en dat het toezicht en de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

9.2

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur die verdachte al in voorarrest heeft uitgezeten. Indien een voorwaardelijke straf wordt opgelegd is verdachte bereid om mee te werken aan een meldplicht, reclasseringstoezicht en een contactverbod. De raadsman heeft verzocht om geen klinische opname als voorwaarde op te leggen omdat een ambulante behandeling voldoende is. De raadsman heeft daarom verzocht het advies uit de Pro Justitia rapportage van 4 juni 2019 te volgen en een ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde aan verdachte op te leggen.

9.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, bedreiging, dwang en belaging van zijn ex-vriendin. Daarnaast heeft hij een wapen voorhanden gehad. Het zwaartepunt van deze zaak ligt bij de gedragingen tegen zijn ex-vriendin. De gedragingen van verdachte begonnen terwijl zij nog een relatie hadden. Verdachte heeft haar toen mishandeld en bedreigd. Na het verbreken van de relatie escaleerde het gedrag van verdachte. Ondanks dat verdachte wist dat zij geen contact meer met hem wilde, heeft hij alsnog contact met haar opgenomen en haar belaagd. Verdachte wilde niet dat de relatie werd beëindigd en dreigde naaktfoto’s en -video’s te verspreiden. Hij wilde haar dwingen om weer contact met hem op te nemen en om de relatie voort te zetten. Door zo te handelen heeft verdachte op grove en indringende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van aangeefster. Mede gelet op de culturele achtergrond van de relatie tussen verdachte en aangeefster, heeft hij hiermee grote angst bij haar teweeggebracht en bestond bij haar de vrees dat verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn dreigement de foto’s en video’s openbaar te maken. Daarbij heeft verdachte enkel rekening gehouden met zijn eigen behoefte om in contact te blijven met haar en heeft hij zich niet bekommerd om de grote (psychische) gevolgen van zijn handelen voor aangeefster. Uit de aangiftes en de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat het handelen van verdachte een grote invloed heeft gehad op haar leven.

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 29 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Uit de Pro Justitia rapportage van 4 juni 2019 is gebleken dat verdachte is gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis met daarnaast narcistische- en antisociale trekken. Vanuit de persoonlijkheidsstoornis wordt het gedrag van verdachte gestuurd door verlatingsangst, wisselende reactieve stemmingen, woede na krenking en impulsiviteit. Hij kan de ander niet loslaten uit angst om alleen te worden gelaten. De feiten kunnen verdachte daarom licht verminderd worden toegerekend. Zonder ingrijpen is de kans op recidive van partnermishandeling, -bedreiging of stalking in aanzienlijke mate aanwezig. Zijn recente gedrag gedurende de schorsingsperiode heeft laten zien dat hij de gestelde contactbeperkingen heeft overtreden. Verdachte heeft voldoende verstandelijke vermogens om tot alternatieven te komen. Het NIFP adviseert een ambulant forensisch behandelcontact bij [instelling] , gericht op beïnvloeding van de persoonlijkheidsproblematiek, mogelijk aangevuld met het nemen van medicatie (die verdachte ook nu al neemt).

Ook heeft de rechtbank gekeken naar de reclasseringsrapporten van 27 juni en 18 juli 2019. De reclassering is, anders dan het NIFP van oordeel dat verdachte een klinische behandeling dient te ondergaan. De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Verdachte dient zich te houden aan een contactverbod met zijn ex-vriendin en mag op geen enkele manier contact met haar zoeken. Daarnaast dient hij zich te melden bij de reclassering en mee te werken aan het toezicht. Ook moet hij zich laten opnemen in een zorginstelling om zich klinisch te laten behandelen. De reclassering garandeert dat verdachte op 23 september 2019 geplaatst kan worden bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling Transfore. De reclassering adviseert om het toezicht met bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dit maakt dat de behandeling en begeleiding bij een eventuele veroordeling doorgang kan hebben, ook in het geval dat er hoger beroep wordt ingesteld.

De rechtbank zoekt tot slot bij de op te leggen straf aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met het gegeven dat de feiten in licht verminderde zin aan verdachte kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook een voorwaardelijk deel moet worden opgelegd als stok achter de deur om recidive te voorkomen. De rechtbank legt daarbij de meldplicht, het reclasseringstoezicht en het contactverbod op, zoals deze voorwaarden door de reclassering zijn geadviseerd. Ten aanzien van een behandeling is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ontbrekende motivatie voor een klinische behandeling, ambulante behandeling het traject is met de meeste kans van slagen. De rechtbank zal daarom verdachte verplichten tot het volgen van een behandeling in een ambulant kader.

De rechtbank acht een gevangenisstraf passend van tweehonderdtwaalf (212) dagen, waarvan dertig (30) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met daaraan voornoemde bijzondere voorwaarden verbonden. De tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht dient van die straf te worden afgetrokken.

Omdat er, gelet op het bovenstaande, rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een dergelijk misdrijf begaat, dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

10 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Simkaart van zaktelefoon

LYCAMOBILE

5727995

2 1.00 STK Imitatiewapen

TAURUS

5727957

3 1.00 STK Wapen

5727946; boksbeugel

4 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

VERBATIM

5727954

5 1.00 STK Computer

ASUS

5727962

6 1.00 STK Zaktelefoon

IPHONE 5

5727988

7 1.00 STK Computer

MAXTOR

5728849

10.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.

10.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de Asus computer en de IPhone 5 terug te geven aan verdachte omdat niet vaststaat dat er nog naaktfoto’s of –video’s op die gegevensdragers staan.

10.3

Oordeel van de rechtbank

Op de IPhone 5 en de Asus computer zijn naaktfoto’s en –video’s van [slachtoffer 1] aangetroffen. Of deze bestanden nu nog op die gegevensdragers zijn te vinden, is voor het verbeurd verklaren niet relevant.

Verbeurdverklaring

De onder 1, 2, 4, 5, 6 en 7 inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

Het onder 3 inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, de boksbeugel, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot dit voorwerp het onder 6 bewezen geachte is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

11 Vordering van de benadeelde partij

11.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de posten die zien op kosten studie en een kapotte telefoon, moeten worden afgewezen omdat niet kan worden vastgesteld dat de studiekosten in rechtstreeks verband staan met de feiten en de kapotte telefoon niet door de aangifte of andere stukken uit het procesdossier wordt onderbouwd. De vordering dient wat betreft het materiële deel voor het overige (€ 385,-) te worden toegewezen. Het immateriële deel dient, gelet op de diepe impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad, in zijn geheel te worden toegewezen (€ 5.000). Het toegewezen bedrag dient te worden verhoogd met de rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

11.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, net als de officier van justitie, verzocht om de posten die zien op studiekosten en de kapotte telefoon af te wijzen. De post die ziet op het eigen risico van de zorgkosten moet ook worden afgewezen omdat ook daar niet uit blijkt dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de geleden schade en het bewezen geachte. Ten aanzien van het immateriële deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het immateriële deel te matigen.

11.3

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij, [slachtoffer 1] , vordert een totaal bedrag van € 7.154, bestaande uit € 2.154,- aan materiële-schadevergoeding en € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met de bewezen verklaarde feiten.

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat een slachtoffer van dergelijke feiten last ondervindt of enige geestelijke schade lijdt. De rechtbank waardeert deze schade op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2019, zijnde het moment van het ontstaan van de schade, tot de dag van volledige betaling.

De benadeelde partij heeft meer gevorderd dan de rechtbank zal toewijzen. De behandeling van de vordering levert voor dat deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

In het belang van [slachtoffer 1] wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 57, 284, 285, 285b en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feiten 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

mishandeling begaan tegen zijn levensgezel;

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 3:

belaging;

ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 5:

een ander door bedreiging met smaad dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden;

ten aanzien van feit 6:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tweehonderdtwaalf (212) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot dertig (30) dagen van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt:

Stelt de volgende algemene voorwaarden:

  1. Veroordeelde mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

  2. Veroordeelde moet ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  3. Veroordeelde moet medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Daarnaast kan de tenuitvoerlegging ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden:

  1. Meldplicht: verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland. Hij blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

  2. Reclasseringstoezicht: verdachte werkt mee aan het toezicht en de begeleiding door de reclassering, zolang de reclassering dat nodig vindt. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering;

  3. Ambulante behandeling: verdachte wordt verplicht tot ambulant forensisch behandelcontact bij [instelling] , gericht op beïnvloeding van de persoonlijkheidsproblematiek. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  4. Contactverbod: Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met mevrouw [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), zolang het Openbaar Ministerie dit nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op – en het bieden van steun bij de naleving van de voorwaarden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart verbeurd:

1. STK Simkaart van zaktelefoon

LYCAMOBILE

5727995

2 1.00 STK Imitatiewapen

TAURUS

5727957

4 1.00 STK USB-stick (memorykaart)

VERBATIM

5727954

5 1.00 STK Computer

ASUS

5727962

6 1.00 STK Zaktelefoon

IPHONE 5

5727988

7 1.00 STK Computer

MAXTOR

5728849

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

3 1.00 STK Wapen

5727946; boksbeugel

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot het betalen van € 500,- (vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 februari 2019, zijnde het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag dat verdachte het gehele bedrag heeft betaald.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt verdachte de verplichting op om aan de Staat, met het oog op het slachtoffer [slachtoffer 1] , € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen. Wanneer verdachte niet betaalt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd van 10 (tien) dagen. De toepassing van die hechtenis zorgt er niet voor dat de betalingsverplichting daarmee komt te vervallen. Wanneer verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, komt daarmee de andere te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J Hamming, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september 2019.

Bijlage

Tenlastelegging

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat

1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 december 2018 tot en met 04 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zijn (ex)vriendin, [slachtoffer 1] , heeft mishandeld door (telkens) voornoemde [slachtoffer 1] eenmaal of meermalen in/op/tegen het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen;

2.hij op of omstreeks 23 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met verkrachting, door voornoemde [slachtoffer 1] (via WhatsApp berichten) dreigend de woorden toe te voegen:

- " ik schiet je dwars door je keel" en/of

- " ik ga je nu neuken" en/of

- " vanaf nu mag je bang voor me zijn" en/of

- " zodra ik je vind, is het klaar met je" en/of

- " ik ga je vinden en neuken" en/of

- " ik zweer het, ik maak je af" en/of

- " als ik je vandaag niet zie, dan laat ik je de kosten betalen en zwaar in elkaar slaan" en/of

- " Scelen, anders ga ik je ernstig neuken"

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.gevoegde zaak 684064-19)

hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2019 tot en met 23 maart 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door haar meermalen WhatsApp berichten te sturen met het oogmerk voornoemde [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

4.gevoegde zaak 684064-19)

hij op of omstreeks 23 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door voornoemde [slachtoffer 1] dreigend (via een WhatsApp bericht) de woorden toe te voegen: "Ik waarschuw je voor de laatste keer en als iemand achter deze berichten komt dan ga je eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.gevoegde zaak 684064-19)

hij in of omstreeks de periode van 21 maart 2019 tot en met 23 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een ander, te weten [slachtoffer 1] , door bedreiging met smaad en/of smaadschrift gericht tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het verwijderen van de accounts en/of contacten van alle mannen op haar sociale media, door (via WhatsApp berichten) te dreigen dat hij anders haar naaktfoto's en/of

video's zal verspreiden;

6.gevoegde zaak 684064-19)

hij op of omstreeks 27 maart 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meer wapens van categorie I, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.