Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6951

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
13/127505-19 (A); 13/684071-19 (B); 13/122528-19 (C); 13/684366-18 (TUL); 13/703114-14 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot oplegging ISD-maatregel. Verdachte is gemotiveerd en heeft een concreet plan opgesteld om zelf met zijn problematiek aan de slag te gaan en moet de kans krijgen om zijn plan uit te voeren. Holistische herkenningen. Fietsendiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/127505-19 (A); 13/684071-19 (B); 13/122528-19 (C); 13/684366-18 (TUL); 13/703114-14 (TUL)

Datum uitspraak: 20 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres

[BRP-adres] ,

gedetineerd in het [detentieplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2019. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de hierboven vermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd zaak A, zaak B en zaak C.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. L. Stroink, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.C. Fransen, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

ten aanzien van zaak A:

1.diefstal van een fiets door middel van braak op 8 april 2019;

2.diefstal van twee fietsen door middel van braak op 4 mei 2019;

3.diefstal van een fiets op 11 mei 2019;

ten aanzien van zaak B:

diefstal van een fiets door middel van braak op 11 april 2019, dan wel heling van deze fiets;

ten aanzien van zaak C:

diefstal van een fiets door middel van braak op 6 mei 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de in zaak B primair tenlastegelegde diefstal omdat deze diefstal niet kan worden bewezen. Wel dient verdachte te worden veroordeeld voor de subsidiair tenlastegelegde heling aangezien door de verbalisanten is gezien dat verdachte de fiets heeft verkocht aan de heer [naam koper] voor een bedrag van vijftien euro, welk bedrag niet in verhouding staat tot de waarde van de kostbare damesfiets.

De overige fietsendiefstallen kunnen allemaal worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier. Daarnaast heeft verdachte bekend feit 1 in zaak A en het feit in zaak C te hebben gepleegd.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feiten 2 en 3 onder zaak A en van het primair en subsidiair ten laste gelegde in zaak B.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 onder zaak A en het feit in zaak C. Verdachte heeft deze feiten ook bekend.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 en 3 ten laste gelegde in zaak A, omdat de camerabeelden te onduidelijk zijn om daar iemand op te kunnen herkennen. De persoon op de beelden draagt een pet en is vooral van de zijkant te zien, waardoor het gezicht slecht is waar te nemen. Er zijn daardoor onvoldoende specifieke persoonskenmerken waar te nemen. Ten aanzien van feit 2 betreft het daarnaast slechts één herkenning, waarbij nauwelijks specifieke kenmerken worden genoemd. Ook wordt slechts een algemene omschrijving, namelijk ‘slungelachtige lichaamsbouw’ gegeven, welke in het geheel niet van toepassing is op verdachte.

Ook dient verdachte te worden vrijgesproken van de in zaak B ten laste gelegde diefstal, dan wel heling. Het procesdossier bevat geen aangifte en evenmin is op een andere manier vastgesteld dat de fiets van diefstal afkomstig is, waardoor ook geen heling bewezen kan worden verklaard.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal van vijf fietsen (de feiten in zaak A en zaak C) en een heling van een fiets (het subsidiair ten laste gelegde in zaak B). Verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak B primair ten laste gelegde. Zij overweegt daartoe als volgt.

Vrijspraak van diefstal van een fiets op 11 april 2019 (zaak B, primair)

Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de fietsendiefstal niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Heling van een fiets op 11 april 2019 (zaak B, subsidiair)

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 11 april 2019 een fiets heeft verkocht terwijl hij wist dat deze van diefstal afkomstig was. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte tijdens een korte ontmoeting op een plein een zwarte damesfiets heeft verkocht aan de heer [naam koper] . Het hoefijzerslot van deze fiets stond open, terwijl er geen sleutel in het slot zat. Dit past bij een bij de politie (en de rechtbank) ambtshalve bekende wijze van het stelen van fietsen door het slot te openen met gereedschap (zoals een verbogen schaar). De heer [naam koper] heeft verklaard dat hij werd benaderd of hij een fiets wilde kopen waarna hij de fiets heeft gekocht voor vijftien euro. Bij de aanhouding van verdachte werd vijftien euro aangetroffen. Dit bedrag staat niet in een enigszins redelijke verhouding tot de waarde van de fiets. Op een foto in het procesdossier is te zien dat de fiets in goede staat verkeerde. Verdachte heeft geen enkele uitleg willen geven over hoe hij aan de fiets gekomen is en evenmin heeft hij een verklaring gegeven voor de staat van het hoefijzerslot. Uit het feit dat verdachte de fiets tijdens een kort treffen op een plein voor zo’n spotprijs heeft verkocht en de staat van het hoefijzerslot, leidt de rechtbank af dat de fiets gestolen is en dat het niet anders kan dan dat verdachte, die niet onbekend is met de handel in gestolen fietsen, wist dat hij een gestolen fiets verkocht. Dat de fiets niet als gestolen geregistreerd stond, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg.

Ten aanzien van de fietsendiefstallen op 4 en 11 mei 2019 (zaak A, feiten 2 en 3)

De verdenking dat verdachte de diefstallen heeft gepleegd is gebaseerd op de processen-verbaal van herkenning van verbalisanten [verbalisant 1] (feit 2), [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (feit 3), die verdachte aan de hand van de bewegende beelden hebben herkend. De raadsman heeft aangevoerd dat de beelden te onduidelijk zijn om iemand op die beelden te kunnen herkennen.

Bij de beoordeling van herkenningen staat steeds voorop dat daarmee behoedzaam moet worden omgegaan. De herkenning van een persoon op beeld kan, in het algemeen besproken, plaatsvinden op basis van het gezicht, kleding en accessoires en/of postuur en houding. Hiervan heeft de gezichtsherkenning onmiskenbaar de hoogste diagnostische waarde.

Uit onderzoek komt naar voren dat gezichten als één geheel, dat wil zeggen holistisch in het geheugen worden opgeslagen, en wel in visuele vorm. Dit is dan ook de manier waarop de herkenning van gezichten plaatsvindt.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de herkenningen de volgende elementen betrokken. Allereerst heeft de rechtbank aan de hand van de stills in het procesdossier en de bewegende beelden die op zitting zijn getoond, beoordeeld of deze voldoende duidelijk en helder zijn om een herkenning op te kunnen baseren. Daarmee nauw in verband staat een tweede beoordelingselement, namelijk hoe goed de herkenner de verdachte kent. Hoe beter men de verdachte visueel kent, hoe minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Ook zijn de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoeting(en) van belang. Een derde beoordelingselement is het aantal in aanmerking komende herkenningen, die onafhankelijk van elkaar zijn gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de camerabeelden van feit 3, die door de rechtbank op de zitting zijn bekeken, van voldoende kwaliteit om daarop herkenningen te baseren. De gezichtskenmerken zijn daarvoor voldoende helder in beeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vier afzonderlijke herkenningen door verbalisanten die, voorafgaand aan hun afzonderlijke herkenningen, met verdachte bekend waren. [verbalisant 2] heeft de afgelopen twee jaar meerdere keren contact gehad met verdachte en heeft hem op 11 april 2019 aangehouden. Ook [verbalisant 3] , [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben verdachte regelmatig gezien en staande- of aangehouden. Hierbij valt op dat [verbalisant 3] onder andere zijn opvallende manier van lopen en zijn opvallende oren noemt, dat [verbalisant 4] zijn herkenning onder andere baseert op de opvallende manier van lopen en zijn opvallend grote oren en dat ook [verbalisant 5] spreekt over opvallende herkenbare oren en loopje.

Verdachte komt op de camerabeelden ten aanzien van feit 2 voldoende in beeld om zijn kleding, postuur en houding goed te kunnen zien. Ten aanzien van feit 2 hecht de rechtbank waarde aan de herkenning door verbalisant [verbalisant 1] van kleding, loopje en lichaamsbouw van de verdachte. De gelijkenis tussen de kleding van de op de beelden van feit 2 vastgelegde persoon met de op de beelden van feit 3 herkende verdachte is daarbij zodanig opvallend, zoals de rechtbank ook zelf heeft waargenomen, dat de overeenkomst tussen beide fietsendieven niet meer aan het toeval kan worden toegeschreven.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de beelden voldoende duidelijk om daar een herkenning op te baseren. De herkenningen door de verbalisanten zijn voldoende betrouwbaar en de rechtbank gebruikt deze dan ook voor het bewijs. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte de persoon op de camerabeelden is en dat verdachte de fietsendiefstallen heeft gepleegd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A:

1.op 8 april 2019 te Amsterdam, een fiets die toebehoorde aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

2.op 4 mei 2019 te Amsterdam, twee fietsen, die toebehoorden aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen fietsen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3.op 11 mei 2019 te Amsterdam, een fiets, die toebehoorde aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

ten aanzien van zaak B, subsidiair:

op 11 april 2019 te Amsterdam, een fiets, merk Spirit, heeft voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van zaak C:

op 6 mei 2019 te Amsterdam, een fiets, die geheel toebehoorde aan [slachtoffer 4] , heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die

weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

Dit vonnis betreft een zogenaamd verkort vonnis. De rechtbank zal de bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring is gebaseerd uitwerken als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest.

8.2

Strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte geen ISD-maatregel op te leggen, maar een straf gelijk aan de tijd die verdachte al heeft uitgezeten, zodat verdachte in een vrijwillig kader de behandelingen die hij nodig heeft, kan ondergaan. Op die manier kan verdachte meteen aan de slag met zijn problematiek en kan hij werken aan zijn toekomst. Wanneer de ISD-maatregel wordt opgelegd, zal verdachte eerst maanden op een wachtlijst komen te staan voordat de maatregel überhaupt kan worden gestart. De twee eerder aan verdachte opgelegde ISD-maatregelen zijn daarnaast ook niet succesvol gebleken omdat verdachte in beide gevallen in het laatste gedeelte in een voorziening werd geplaatst waar het gebruik van harddrugs werd gedoogd. Verdachte werd dus, na hard gewerkt te hebben om van de drugs af te komen, tussen de dealers en gebruikers geplaatst.

Verdachte is gemotiveerd en is al aan de slag gegaan. Zo wordt hij al begeleid door [instelling 1] en heeft hij een intake gehad met de GZ-psycholoog. Verdachte wil graag naar [instelling 2] , dit wordt ook door de GZ-psycholoog als een geschikte plaats gezien. Hij wil daarheen omdat hij daar, naast dat hij zich kan bezig houden met de behandeling van zijn verslaving, ook in de tuin kan werken.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vijf fietsendiefstallen en heling van een fiets. Dit zijn, zeker in Amsterdam, zeer vervelende feiten die naast overlast, financiële hinder veroorzaken bij de gedupeerden. Door heling wordt daarbij het plegen van andere vermogensdelicten zoals diefstal bevorderd.

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 29 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsrapport van 29 augustus 2019, waarin de reclassering heeft geadviseerd om opnieuw een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Verdachte is veelpleger op het gebied van vermogensdelicten en voldoet opnieuw aan de criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel. Verdachte is ruim twintig jaar verslaafd aan cocaïne. Eerder opgelegde ISD-maatregelen en meerdere verslavingsbehandelingen zijn niet succesvol gebleken en hebben er niet voor kunnen zorgen dat verdachte is gestopt met het gebruik van cocaïne. De eerdere trajecten zijn vroegtijdig afgebroken of bleken niet haalbaar te zijn omdat verdachte weigerde op afspraken te verschijnen. Ook wil hij veelal niet meewerken met een plan van aanpak door de reclassering of justitie. Een ISD-maatregel zou met name de beveiliging van de maatschappij ten doel hebben.

Ter terechtzitting is het advies van de reclassering toegelicht door K. van der Heijden, reclasseringsmedewerker. Zij heeft benadrukt dat verdachte nu wel heel oprecht en gemotiveerd over komt, maar dat er in het verleden een hoop is misgegaan. Het kader van een ISD-maatregel geeft meer mogelijkheden wanneer verdachte dreigt af te haken. Het primaire doel, het beschermen van de maatschappij, wordt met de ISD-maatregel wel behaald. Verdachte zal dan twee jaar geen fietsendiefstallen kunnen plegen.

Verdachte heeft verklaard hard bezig te zijn om zijn leven in positieve zin te veranderen en gestart te zijn met een behandeling. Hij wil geen ISD-behandeling omdat je dan eerst maanden stil staat, wat voor hem gelijk staat als achteruit gaan. De twee eerdere ISD-maatregelen en opnames bij de Piet Roorda kliniek en de Woenselse Poort waren ook geen succes, omdat de behandeling en setting niet bij hem pasten. Verdachte wil vrijwillig naar [instelling 2] van [instelling 1] , en kan, zolang hij op de wachtlijst staat voor een plek bij [instelling 2] , terecht bij zijn ouders in Hongarije. De tickets had zijn vader al bijna geregeld, maar toen kwam hij weer vast te zitten. Wanneer hij zijn behandeling van [instelling 1] heeft afgerond wil hij starten met een re-integratietraject in [plaatsnaam] , zodat hij buiten de regio Amsterdam is. Verdachte heeft benadrukt dat dit zijn eigen keuze is en dat hij dat plan wil voortzetten. Zijn vriendin steunt hem voor honderd procent in zijn plan.

Dit wordt bevestigd door [naam] , senior Penitentiair Inrichtingswerker bij [detentieplaats] , in zijn bericht van 24 augustus 2019. Hij onderschrijft de gemotiveerde houding van verdachte en geeft aan welke initiatieven verdachte genomen heeft in dat kader. Verdachte wil een nieuwe start buiten Amsterdam zodat hij niet in verleiding komt om oude kennissen tegen te komen. Verdachte is goed bezig geweest met meerdere trainingen, zoals ‘Kies voor Verandering’ en stimuleert medegedetineerden om hun gedrag aan te passen. Uit het bewijs van deelname aan die cursus, is gebleken dat verdachte wordt omschreven als een ‘voorbeeld gedetineerde.’ Er zijn goede afspraken met hem te maken en hij is altijd bereid om meer te doen. Verdachte heeft ter zitting allerlei getuigschriften en verklaringen overhandigd over zijn werkzaamheden en inspanningen in [detentieplaats] .

Uit het e-mailbericht van 29 augustus 2019 van P. Jansen, maatschappelijk werker bij [instelling 1] , is gebleken dat het traject bij [instelling 2] , volgens hem, het meest geschikt is voor verdachte, geredeneerd vanuit de verslavingsproblematiek. Volgens hem is er sprake van een kleine wachtlijst voor de intakegesprekken en zal het enkele weken duren voordat verdachte daadwerkelijk geplaatst kan worden.

Hoewel verdachte aan de criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet, ziet de rechtbank reden om die maatregel nu niet op te leggen. Verdachte is gemotiveerd en heeft een concreet plan opgesteld, dat hij goed heeft voorbereid en waarbij hij al gedeeltelijk is begonnen met het uitvoeren daarvan. De rechtbank is overtuigd van de wil van verdachte om zijn leven in positieve zin te veranderen. Verdachte mag trots zijn op wat hij in de afgelopen periode op eigen initiatief heeft bereikt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat verdachte de kans moet krijgen om zijn eigen plan uit te voeren. Met name nu eerdere interventies het recidivegevaar niet hebben kunnen terugdringen en intrinsieke motivatie bij verdachte kennelijk van groot belang is om zijn leven een positieve wending te geven. Mocht hij daar niet in slagen dan zal het opleggen van de ISD-maatregel ter beveiliging van de maatschappij uiteraard weer in beeld komen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel op dit moment niet geschikt. De vordering van de officier van justitie zal dan ook worden afgewezen.

De rechtbank zoekt bij de op te leggen straf aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en houdt rekening met de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte vele malen eerder met justitie in aanraking is gekomen voor soortgelijke feiten.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van honderddertig dagen, met aftrek van voorarrest, gelet op de ernst van de feiten passend.

9 Beslag

Onder verdachte zijn in zaak B de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1 Geld Nederlands

(5735679) 1x5,- en 1x10,-

2 3.00 STK Sleutel

5735545

3 1.00 STK Schaar Kl:rood

5735551

4 1.00 STK Sleutel

knijptang

5735550

5 1.00 STK Schroevendraaier

5735556

Deze inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen de diefstallen met braak zijn begaan.

10 Vordering van de benadeelde partij

10.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de post die ziet op een nieuw voordeurslot, niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering omdat deze post niet door de aangifte of andere stukken uit het procesdossier wordt onderbouwd. De vordering dient voor het overige (€ 599,05) te worden toegewezen, verhoogd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de door hem bepleitte vrijspraak, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

10.3

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij, [gemachtigde] namens [slachtoffer 3] , vordert een schadevergoeding ten aanzien van de door haar in zaak A onder feit 3 geleden schade bestaande uit € 998,55 aan materiële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente.

Door het bewezenverklaarde is aan de benadeelde partij rechtstreekse schade toegebracht. De vordering zal tot een bedrag van in totaal € 599,05 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2019, zijnde het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering omdat niet uit het procesdossier is gebleken dat schade is toegebracht aan het voordeurslot en de vordering daarom onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

11 Vorderingen tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

Vordering in de zaak met parketnummer: 13/703114-14

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijke ISD-maatregel in de zaak met parketnummer 13/703114-14 afwijzen omdat het tenuitvoerleggen van de ISD-maatregel de bij dit vonnis opgelegde straf doorkruist.

Vordering in de zaak met parketnummer: 13/684366-18

Bij de stukken bevindt zich de op 31 juli 2019 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/684366-18, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 18 september 2018 van de meervoudige kamer in de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, met bevel dat van deze straf één week niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

13 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het in zaak B primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder feiten 1, 2 en 3, het in Zaak B subsidiair en het in zaak C ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 1 en onder 2 en het in zaak C bewezen verklaarde:

diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het in zaak B bewezen verklaarde:

opzetheling;

ten aanzien van het in zaak C bewezen verklaarde:

diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van honderddertig (130) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

1. Geld Nederlands

(5735679) 1x5,- en 1x10,-

2 3.00 STK Sleutel

5735545

3 1.00 STK Schaar Kl:rood

5735551

4 1.00 STK Sleutel

knijptang

5735550

5 1.00 STK Schroevendraaier

5735556

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [gemachtigde] (namens [slachtoffer 3] ), gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte tot het betalen van € 599,05 (vijfhonderdnegenennegentig euro en vijf cent) aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 mei 2019, zijnde het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag dat verdachte het gehele bedrag heeft betaald.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt verdachte de verplichting op om aan de Staat, met het oog op het slachtoffer
[gemachtigde] (namens [slachtoffer 3] ), € 599,05 (vijfhonderdnegenennegentig euro en vijf cent) te betalen. Wanneer verdachte niet betaalt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd van 11 (elf) dagen. De toepassing van die hechtenis zorgt er niet voor dat de betalingsverplichting daarmee komt te vervallen. Wanneer verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, komt daarmee de andere te vervallen.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer te Amsterdam van 22 juni 2015 opgelegde voorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar in de zaak met parketnummer 13/703114-14.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij het vonnis van de politierechter Amsterdam van 18 september 2018 in de zaak met parketnummer 13/684366-18, namelijk een gevangenisstraf van 1 (één) week.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J Hamming, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september 2019.

Bijlage

Tenlastelegging

Aan verdachte [verdachte] is ten laste gelegd dat

ten aanzien van zaak A:

1 hij op of omstreeks 8 april 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1]

, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

en/of verbreking;

2 hij op of omstreeks 4 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, twee, althans één of

meer, fiets(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te

weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te

eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen fiets(en) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak en/of verbreking;

3 hij op of omstreeks 11 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

ten aanzien van zaak B:

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (merk Spirit), geheel of ten dele toebehorende aan een tot op heden onbekend gebleven persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die weg te nemen fiets heeft verschaft en/of die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 11 april 2019 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, een goed, te weten een fiets (merk Spirit) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van zaak C:

hij in of omstreeks 6 mei 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een fiets, in elk geval

enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft

weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die

weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.