Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6948

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
13/091290-19; 13/122983-16 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

voorwaardelijke ISD-maatregel. woninginbraak. Vrijspraak diefstal met braak en valse sleutel omdat (ongeacht de vraag wie de persoon op de camerabeelden is) niet wordt gezien dat de dief laptops meeneemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/091290-19; 13/122983-16 (TUL)

Datum uitspraak: 20 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] ,

gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2019. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. L. Stroink, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.G.C. van Riet, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1.diefstal uit een woning door middel van braak in de nachtelijke uren op 14 april 2019;

2.diefstal uit een bedrijfspand door middel van een valse sleutel op 21 februari 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten kunnen worden bewezen. Verdachte heeft bekend het eerste feit, de woninginbraak, te hebben gepleegd en heeft verklaard dat hij de in de tas aangetroffen spullen, samen met andere waardevolle spullen, wilde meenemen.

Het tweede feit kan ook worden bewezen. Verdachte is door meerdere verbalisanten op de camerabeelden herkend en er is geen enkele aanleiding om aan die herkenningen te twijfelen. De verbalisanten hebben bewegende beelden gezien en kennen verdachte vanuit hun werkzaamheden. Op de camerabeelden kan worden gezien dat verdachte wegloopt met iets ‘glimmends’ in zijn handen, dit lijken de laptops te zijn. Verdachte is niet werkzaam in het gebouw en is dus op een andere manier binnengekomen. Die combinatie maakt dat het feit kan worden bewezen.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit. Verdachte heeft dit feit bekend.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw primair bepleit dat niet op de camerabeelden kan worden gezien dat de man met een valse sleutel binnenkomt en dat hij weggaat met vier laptops. Ook zijn er geen braaksporen aangetroffen. Hierdoor kan, ongeacht de vraag wie deze man is, niet worden bewezen dat deze man de diefstal van laptops met braak en door middel van een valse sleutel heeft gepleegd.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte niet de persoon is die op de camerabeelden wordt weergegeven. De karakteristieke kenmerken van verdachte worden niet waargenomen bij de man op de camerabeelden.

3.3

Oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van de diefstal door middel van braak en met een valse sleutel bij een bedrijfspand (feit 2)

De camerabeelden zijn op de terechtzitting door de rechtbank en in aanwezigheid van de officier van justitie, verdachte en zijn raadsvrouw bekeken. Op deze beelden is te zien hoe een man de toegangsdeur van het bedrijfspand binnengaat en even later naar buiten loopt met een klein glimmend voorwerp in zijn handen. Verdachte heeft bij het tonen van deze beelden verklaard dat hij zichzelf daarop niet herkent.

Bij het bekijken van de bewegende beelden heeft de rechtbank niet waargenomen dat de man die op de beelden te zien is vier laptops meeneemt. Wel is te zien dat deze man op enig moment een klein glimmend voorwerp in zijn handen heeft en op een later moment een wapperend stuk papier, maar op alle momenten waarop de man in beeld komt is duidelijk te zien dat hij geen laptops in zijn handen heeft. Dit betekent dat slechts uit één bewijsmiddel kan worden afgeleid dat er laptops zijn gestolen, namelijk uit verklaring van de aangeefster, die geen ondersteuning vindt in enig ander bewijsmiddel. De constatering dat een persoon onbevoegd het bedrijfspand is binnengegaan ondersteunt uiteraard wel dat daar iets is gebeurd dat niet in de haak is, maar draagt niet voldoende specifiek bij aan de vaststelling dat het daarbij gaat om de diefstal van laptops. De rechtbank oordeelt dat gelet hierop, ongeacht de vraag of verdachte de persoon is op de camerabeelden, onvoldoende bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van de diefstal te komen.

Gelet op het voorgaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde.

3.3.2

Ten aanzien van de woninginbraak

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan feit 1. Verdachte heeft ook bekend dat hij in de woning heeft ingebroken. Zijn bekennende verklaring wordt ondersteund door het overige bewijs in het procesdossier.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierna wordt beschreven in rubriek 4. Nu verdachte dit feit heeft bekend en de raadsvrouw hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met de hierna genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan:

1 De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 september 2019.

2. Een proces-verbaal van aangifte door [aangever] mede namens [aangever2] , met nummer [pvnummer 1] van 14 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 3-5.

3. Een proces-verbaal van bevindingen, met nummer [pvnummer 2] van 14 april 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 6-7.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

hij op 14 april 2019 omstreeks 3:15 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen twee Playstations 4 en twee Playstation controllers en een Sonos speaker en een digitaal TV kastje, toebehorende aan
[aangever] en [aangever2] , waarbij de verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel)

7.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in de rapporten van 2 en 4 september 2019.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de adviezen van de reclassering van 2 en 4 september 2019, te weten de voorwaardelijke ISD met bijzondere voorwaarden, te volgen. Verdachte is nu gemotiveerd om mee te werken aan een behandeling in de FPA. Daarnaast heeft de reclassering zich tot het uiterste ingespannen om op een zo kort mogelijke termijn een plaats voor verdachte te regelen en is er afgesproken dat mevrouw Blok , die verdachte kent en met wie hij inmiddels een vertrouwensband heeft, zijn toezichthouder wordt waardoor de kans op een succesvolle behandeling op dit moment groter dan ooit is.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders – in voorwaardelijke vorm – passend op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een woninginbraak waarbij verdachte gericht op zoek is gegaan naar waardevolle spullen en deze ook buit heeft gemaakt. Hij heeft met zijn handelen schade en overlast veroorzaakt bij de gedupeerden. Daarbij komt dat een woning bij uitstek de plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid bij de bewoners. Bovendien zorgen woninginbraken voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage van 8 augustus 2019, opgemaakt door drs. B. Koudstaal, klinisch psycholoog en drs. G. Poncin, GZ-psycholoog. Uit dit rapport blijkt dat bij verdachte een verstandelijke beperking en een antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn vastgesteld. De rapporteurs adviseren een onvoorwaardelijke ISD op te leggen aan verdachte waarbij hij een klinische behandeling ondergaat met uitstroom naar een RIBW (Regionale Instelling voor Beschermend en Begeleid Wonen). Volgens hen is dit het meest geschikte traject om recidive te verminderen.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsrapport en het aanvullend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 2 en 4 september 2019, opgemaakt door M. Blok . Uit dit rapport blijkt dat de reclassering zich aansluit bij het door de Pro Justitia rapporteurs geschetste traject, maar dat de rapporteur het er niet mee eens is dat dit traject binnen een onvoorwaardelijke ISD-maatregel moet worden ondergaan. Volgens de reclassering is een voorwaardelijke ISD-maatregel het meest geschikte traject voor verdachte omdat verdachte nu intrinsiek gemotiveerd is om zich klinisch te laten opnemen. Deze opname dient zo snel mogelijk gerealiseerd te worden om zo zijn motivatie vast te kunnen houden. Uit ervaring weet de reclassering dat er wachtlijsten (soms van maanden) zijn voordat de ISD-maatregel kan starten en dat er te weinig casemanagers zijn om de uitvoer van het opgestelde plan van aanpak in goede banen te leiden. Volgens de reclassering dient de ISD-maatregel in het voorwaardelijk kader als stok achter de deur zodat het behandeltraject positief kan worden voltooid en daarmee de kans op recidive wordt verlaagd. De route van een voorwaardelijke ISD is tot slot de snelste route tot klinische opname omdat er al een indicatie is afgegeven voor opname in een FPA (Forensisch Psychiatrische Afdeling) in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel.

Ter terechtzitting is het reclasseringsadvies herhaald en toegelicht door M. Blok . Zij heeft benadrukt er in te geloven dat een voorwaardelijke ISD-maatregel het meest geschikte traject is voor verdachte met de meeste kans van slagen. Vanuit dit traject is de ‘straf’ die boven verdachte zijn hoofd hangt, de ISD-maatregel, namelijk zo hoog, dat dit ook goed in zijn hoofd blijft zitten voor het geval het minder goed gaat. Een ISD-maatregel weegt voor verdachte zwaarder als stok achter de deur dan een voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast heeft zij aangegeven dat zij zelf het toezicht zal uitvoeren omdat zij nu bekend is met verdachte, een vertrouwensrelatie met hem heeft en weet hoe er het best met verdachte moet worden omgegaan. Zij heeft tot slot benadrukt dat verdachte, wanneer op 20 september 2019 uitspraak wordt gedaan (voorwaardelijke ISD), nog op diezelfde dag kan worden geplaatst in een kliniek.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard het eens te zijn met het advies van de reclassering. Hij is van mening dat het traject hem zal helpen en dat hij genoeg zal leren zodat hij niet meer met justitie in aanraking komt.


De rechtbank overweegt als volgt.

Om een ISD-maatregel op te kunnen leggen, moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan die staan in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Zo moet verdachte een misdrijf hebben begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis bewezen verklaart dat verdachte een woninginbraak heeft gepleegd, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte in de afgelopen vijf jaar meer dan drie keer voor een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Uit het strafblad van verdachte van 1 juli 2019 blijkt dat verdachte ook aan deze voorwaarde voldoet. Bovendien moet de in dit vonnis bewezen woninginbraak zijn begaan na tenuitvoerlegging van die eerder opgelegde vrijheidsbenemende straffen. Ook dit is het geval.

De rechtbank overweegt dat de primaire doelstelling van de ISD-maatregel ziet op de beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van recidive van verdachte. Daarbij gaat het met name om bestrijding van (ernstige) overlast. Uit het reclasseringsrapport moet blijken dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen.

De recente rapportages van de reclassering en Pro Justitia geven aan dat het algehele risico op recidive hoog wordt geschat, mede vanwege de persoonlijke omstandigheden en de bij verdachte gediagnosticeerde lichte verstandelijke beperking en antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verdachte wordt niet in staat geacht de risicofactoren zelfstandig te managen en is in zijn functioneren afhankelijk van een structurerende en controlerende context. Verdachte is volgens de Pro Justitia rapporteurs geneigd om terug te vallen in delict gedrag wanneer de gelegenheid zich voordoet.

De rechtbank acht het recidiverisico ook hoog. De rechtbank is het, gelet op al dat op de zitting is besproken, eens met de reclassering dat een voorwaardelijke ISD-maatregel het meest geschikte traject is, om gevaar voor herhaling te beperken. De rechtbank is, gelet op de uitgesproken motivatie van verdachte, van oordeel dat verdachte een allerlaatste kans moet worden geboden om zelf, met behulp van de reclassering, zijn gedrag in positieve zin te veranderen en op het rechte pad te komen.

Voor het geval dat verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en de tenuitvoerlegging van de maatregel zal worden gelast, acht de rechtbank het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Die tijd is nodig om recidive te voorkomen, de bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en daarnaast om de maatschappij optimaal te beschermen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale duur van twee jaar opleggen en in geval van tenuitvoerlegging daarvan de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

De rechtbank zal dus aan verdachte de voorwaardelijke ISD-maatregel opleggen, met daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar.

8 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer
13/122983-16, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 27 oktober 2016 van de politierechter te Amsterdam, waarbij verdachte onder meer is veroordeeld tot een taakstraf van twintig uur, met bevel dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 38m, 38n, 38p en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten van de rechthebbende bevindt, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaar.

Beveelt dat deze maatregel niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt de volgende algemene voorwaarden:

  1. Veroordeelde mag zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

  2. Veroordeelde moet ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

  3. Veroordeelde moet medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Daarnaast kan de tenuitvoerlegging ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden:

  1. Opname in zorginstelling: veroordeelde laat zich opnemen op een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA), te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zodra veroordeelde geplaatst kan worden en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst acht, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

  2. Toeleiding RIBW: veroordeelde verleent zijn medewerking, na afronding van het klinische behandeltraject, aan toeleiding naar een RIBW of een soortgelijke instelling;

  3. Reclasseringstoezicht: veroordeelde komt onder toezicht te staan van Reclassering Nederland. Gedurende de klinische opname zal zijn toezichthouder contact onderhouden met zijn behandelaar, teneinde het verloop van de opname te monitoren. De veroordeelde houdt zich in dit kader aan de aanwijzingen van de reclassering;

  4. Meldplicht: veroordeelde moet zich zo vaak en zo lang als de reclassering dat nodig acht melden bij Reclassering Nederland, waarbij de locatie van het kantoor nader bepaald wordt, afhankelijk van waar hij in een RIBW geplaatst wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken die met de reclassering gemaakt worden.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op – en het bieden van steun bij de naleving van de voorwaarden.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 13/122983-16

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis van 27 oktober 2016 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een taakstraf van twintig (20) uur, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid. Wanneer veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, zal vervangende hechtenis worden toegepast van tien (10) dagen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J Hamming, voorzitter,

mrs. M.E.A. Nijssen en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 september 2019.