Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6915

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-09-2019
Datum publicatie
09-10-2019
Zaaknummer
C/13/613682 / FA RK 16-5627
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg convenant betreffende partneralimentatie. Verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/613682 / FA RK 16-5627 (RT/PvB)

Beschikking van 25 september 2019 betreffende de alimentatie

in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.C. Douma te Amstelveen .

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen ter griffie op 8 augustus 2016;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man, ingekomen ter griffie op 7 oktober 2016;

  • -

    het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de vrouw, ingekomen ter griffie op 22 november 2017.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 30 januari 2018.

1.3.

Verschenen zijn:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Kramer;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Douma.

1.4.

Tijdens deze mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van de zaak pro forma zal worden aangehouden tot 26 februari 2018 om partijen in de gelegenheid te stellen in overleg te treden. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.

1.5.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van:

  • -

    de brief d.d. 12 februari 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    een F9-formulier d.d. 11 mei 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    een F9-formulier d.d. 28 mei 2018 van de zijde van de man;

  • -

    een F9-formulier d.d. 1 juni 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief d.d. 8 juni 2018 van de zijde van de man;

  • -

    het aanvullend verweerschrift tevens houdende een aanvullend zelfstandig verzoek van de man, ingekomen ter griffie op 2 november 2018;

  • -

    een brief met bijlagen d.d. 2 november 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift op het aanvullend zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen ter griffie op 23 november 2018.

1.6.

De zaak is verder behandeld ter zitting met gesloten deuren van 4 december 2018.

1.7.

Verschenen zijn:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Kramer;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Douma.

1.8.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van:

- het F9-formulier van 24 juni 2019 van de zijde van de vrouw.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn op 19 december 1972 te [plaats] met elkaar gehuwd, welk huwelijk na omzetting in een geregistreerd partnerschap op 29 juni 2004 is ontbonden door inschrijving van een door partijen getekende notariële verklaring in de registers van de burgerlijke stand te [plaats] .

2.2.

Partijen hebben bij overeenkomst tot beëindiging (hierna: het convenant) de gevolgen van hun echtscheiding geregeld. Partijen zijn hierin – voor zover hier van belang – het navolgende overeen gekomen:

“5. De man zal aan de vrouw een alimentatie betalen zoals omschreven in de Notitie inzake Echtscheiding, opgesteld door de heer [accountant] , accountant verbonden aan [bedrijf] te [plaats] , (2e versie, gedateerd 7-11-2003).

De alimentatie zal worden voldaan gedurende de wettelijke periode van 12 jaren, doch zal nadien onverplicht levenslang worden voortgezet indien en zolang de inkomenspositie van de man en het saldo van zijn bezittingen en schulden zulks toelaten.

De alimentatie ondergaat wijziging casu quo vervalt op de wijze als omschreven onder 6. en 7. in bedoelde Notitie. Partijen doen overigens afstand van het recht om middels rechterlijke tussenkomst wijziging te vragen van het alimentatie-bedrag op grond van gewijzigde omstandigheden.

(…)”

2.3.

In de notitie bij berekening inzake echtscheiding (aangepast op 7-11-2003) (hierna: de notitie) staat het navolgende opgenomen:

“4. Blijkens de berekeningen in bijlage 1 heeft [eiseres] een alimentatie nodig van € 52.500 naast de jaarlijkse renteinkomsten van € 26.500. Van dit alimentatiebedrag wordt € 30.000 aan hypotheekrente weer terugbetaald.

5. Uitgaande van het gegeven dat de uitgaven gelijk zijn aan de inkomsten, kan de alimentatie in 2007 terug naar € 40.000 per jaar omdat dan het pensioen uitkeerbaar door [pensioenfonds] . in gaat. In 2011 gaat (in principe) de pensioenuitkering van het [voorheen pensioenfonds] in. Alsdan kan de alimentatie verminderd worden tot € 26.000 per jaar. Vanaf 2014 bestaat er dan voor [eiseres] ook recht op AOW en zijn de inkomstenbelastingtarieven lager. De alimentatie bedraagt dan € 9.000 per jaar. Gedurende de gehele periode waarin de alimentatie wordt betaald, blijft het netto inkomen steeds gelijk aan het begrote bestedingsniveau.

6. De verschuldigde alimentatie zal jaarlijks worden geïndexeerd aan het prijsniveau.

7. Alimentatie is in principe verschuldigd door de alimentatieplichtige voor een periode van 12 jaar. [verweerder] is bereid om nu reeds in het convenant vast te leggen dat hij zolang [eiseres] leeft alimentatie zal betalen, waarbij het uitgangspunt voor de hoogte van die alimentatie in de bijgevoegde berekeningen is gelegen. De alimentatie vervalt op het moment dat [eiseres] een duurzame huishouding aangaat met een partner, tenzij binnen één jaar na aanvang van de gezamenlijke huishouding aangetoond kan worden dat de partner onvoldoende draagkracht heeft om in het levensonderhoud van [eiseres] te voorzien. Het recht op alimentatie herleeft indien de gezamenlijke huishouding binnen één jaar waarna deze is aangegaan, is beëindigd. Het recht op alimentatie vervalt voorts in het geval dat [eiseres] blijvend wordt opgenomen in een AWBZ-instelling.

(…)”

3 De beoordeling

Verklaring voor recht

3.1.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht te verklaren voor recht dat het bedrag van de door de man aan de vrouw maandelijks voor de eerste van de maand te betalen alimentatie over de periode van 2014 tot en met 29 juni 2016 bedraagt € 2.491,08 (geïndexeerd tot 2016) per maand.

3.2.

De vrouw onderbouwt haar verzoek als volgt. Bij brief van 18 december 2015 heeft de man de vrouw bericht dat hij de partneralimentatie per 28 juni 2016, zijnde de datum van het verstrijken van de wettelijke periode van 12 jaar, zal verlagen van € 2.491,08 naar € 750,- per maand. De vrouw is van mening dat de man uitgaat van een onjuiste premisse. Als onderbouwing van zijn stelling verwijst de man naar de notitie, waarin staat opgenomen dat de alimentatie vanaf 2014 € 9.000,- bedraagt. Bij de berekening in bijlage 5 van de notitie is echter een essentiële rekenfout gemaakt. De levenslange pensioenuitkering van [voorheen pensioenfonds] ./ [pensioenfonds] . bedraagt geen € 12.447,-, maar slechts € 4.038,- per jaar. De man heeft ervoor gekozen deze onjuistheid in de berekening te laten voor wat die is en de vrouw hier niet over te informeren. Integendeel, de man is na het wegvallen van het pensioendeel per 2014 het voordien door hem betaalde bedrag van € 2.491,08 met indexering daarover tot en met 28 juni 2016 aan de vrouw blijven betalen. Uit dit doorbetalen van de man kan rechtens worden afgeleid dat voormeld bedrag van € 2.491,08 moet worden betaald. Dan gaat het niet aan om vervolgens op enig door de man conveniërend moment zich op het onjuiste bedrag van € 9.000,- per jaar te beroepen. Volgens de vrouw is dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid welke de man jegens de vrouw in acht heeft te nemen. Daarnaast stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rekenfout los dient te worden gezien van hetgeen partijen met elkaar afgesproken hebben en hun bedoeling daarbij, te weten dat als uitgangspunt van de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie zal gelden hetgeen de vrouw: ‘benodigd heeft voor levensonderhoud, huishouding, kleding en verzorging, vakanties en ontspanning, € 24.000’ . Daarnaast is van belang hetgeen in de notitie onder randnummer 5 is opgenomen. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat het uitgangspunt voor de door de man te betalen alimentatie de behoefte van de vrouw leidend is. Dit volgt ook uit de berekeningen van de accountant. De man heeft hiernaar gehandeld door tot en met juni 2016 maandelijks aan de vrouw het geïndexeerde bedrag van € 2.491,08 aan de vrouw te voldoen. Weinig geloofwaardig is de stelling van de man dat hij zich niet bewust zou zijn geweest van de vermeende onjuistheid van het door hem betaalde alimentatiebedrag. Bovendien is de man opdrachtgever van zijn accountant. De vrouw heeft mogen afgaan op de juistheid van de door deze accountant jaarlijks in opdracht van de man gemaakte berekeningen. Volgens de vrouw heeft de man er bewust voor gekozen om ook nadat hij kennis heeft gekregen van de rekenfout de alimentatie conform de partijbedoeling, en dus met instandhouding van het bestedingsniveau van de vrouw te blijven voldoen.

3.3.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen. De man stelt daartoe het navolgende. De focus van de man was steeds geweest dat hij vanaf medio 2014 nimmer meer dan € 9.000,- per jaar aan de vrouw zou betalen. Het is daarom ook dat een beding van niet-wijziging is overeengekomen. Indien de man zou hebben geweten dat hij vanaf 2014 toch meer dan
€ 9.000,- per jaar aan de vrouw zou moeten betalen, dan zou hij het convenant niet hebben ondertekend en dan zou de man ook niet de beperkte gemeenschap hebben gecreëerd waardoor de vrouw een vermogen van € 600.000,- verkreeg. Anders dan de vrouw stelt, is niet de behoefte van de vrouw leidend. Het gaat om de bedragen die de man aan de vrouw betaalt. De vrouw was steeds vrij om inkomen te hebben. Indien de behoefte leidend zou zijn geweest, dan zou ook steeds gekeken moeten worden naar het inkomen van de vrouw én in het voorkomende geval de mogelijkheden van de vrouw om (meer) inkomen te verwerven. De man stelt voorts dat in bijlage 5 van de notitie, die vanaf 2014 geldt, onder andere een door de man te betalen alimentatie staat van € 9.000,- per jaar. Hoewel de man gerechtigd was om dat bedrag vanaf 2014 aan de vrouw te betalen, heeft de man onverplicht per abuis tot en met juni 2016 hogere bedragen per maand betaald. Daar de man deze bedragen steeds heeft betaald, heeft de vrouw naar de mening van de man geen belang bij toewijzing van haar verzoek. De man is zich er sinds kort van bewust dat hij in de periode van juni 2014 tot en met juni 2016 meer heeft betaald dan waartoe hij was gehouden. In de gevallen waarin de man meer betaalde dan de overeengekomen bedragen, kan dat slechts als een onverschuldigde betaling worden gezien, doch niet als een erkenning van het een dan wel het ander.

3.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is in geschil hoe de bepalingen uit het convenant en de notitie uitgelegd dienen te worden. In het convenant staat opgenomen dat de man aan de vrouw een alimentatie zal betalen, zoals omschreven in de notitie. In de notitie staat opgenomen dat de alimentatie vanaf 2014 € 9.000,- per jaar bedraagt. De man is daarom van mening dat hij gehouden was om vanaf 2014 een bedrag van
€ 9.000,- per jaar te betalen. De vrouw is echter van mening dat dit bedrag (geïndexeerd tot 2016)
€ 2.491,08 per maand dient te zijn. Haar bestedingsniveau was blijkens de notitie leidend en de accountant heeft een rekenfout gemaakt. Het pensioen van [pensioenfonds] ., wat voorheen betaald werd door [voorheen pensioenfonds] ., bestond uit een tijdelijk overbruggingspensioen van 1 september 2006 tot 1 september 2011 van € 8.409,- per jaar en een levenslang ouderdomspensioen van € 4.038,- per jaar. In Bijlage 5 is bij ‘ontvangsten’ de pensioenuitkering opgenomen voor een bedrag van € 12.447,- per jaar, terwijl er vanaf 2011 maar een bedrag van € 4.038,- per jaar wordt uitgekeerd aan de vrouw, hetgeen blijkens Bijlage 2 bij de notitie overigens al duidelijk was ten tijde van het opstellen van de notitie en de berekeningen, zo constateert de rechtbank. De letterlijke bewoordingen van het convenant en de notitie zijn dus voor tweeërlei lezing vatbaar en bieden onvoldoende duidelijkheid bij de uitleg van de bepalingen. Het komt derhalve aan op de zin die partijen aan hetgeen is overeengekomen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981/635). De rechtbank zal daar in het hiernavolgende op ingaan.

3.5.

Blijkens de notitie heeft de vrouw een ‘alimentatie nodig van € 52.500’. Van dit ‘startbedrag’ van € 52.500,- worden vervolgens in de berekeningen de aanvullende inkomsten afgetrokken. Zo wordt de alimentatie per september 2006 verminderd van € 52.500,- naar € 40.000,-, omdat [pensioenfonds] . vanaf dat moment ouderdomspensioen uitkeert van € 12.447 per jaar (€ 52.500 – € 12.447 ≈

€ 40.000,-). Per 1 oktober 2011 keert het [pensioenfonds 2] ouderdomspensioen uit van € 14.137,- per jaar. Ook dit is weer een reden om de alimentatie te verminderen naar € 26.000,- (€ 52.500 – € 12.447 – € 14.137 ≈ € 26.000,-). Ten slotte wordt in 2014 de AOW-uitkering van € 11.450,- alsmede een fiscaal voordeel van (€ 8.999 – € 3.275 =) € 5.724 in mindering op de alimentatie gebracht, waardoor de alimentatie wordt becijferd op € 9.000,- (€ 52.500 – € 12.447 – € 14.137 – € 11.450 – € 5.724 ≈ € 9.000,-).

3.6.

Uit deze rekenmethodiek kan naar het oordeel van de rechtbank opgemaakt worden dat het de bedoeling van partijen was om de vrouw telkens op hetzelfde – nog niet geïndexeerde – bestedingsniveau van € 52.500,- te houden. Indien de vrouw aanvullende inkomsten ontvangt, gaat de bijdrage van de man omlaag. De vrouw blijft echter telkens op hetzelfde bestedingsniveau en de bijdrage is niet afhankelijk van de draagkracht van de man. De rechtbank acht hierbij van belang dat partijen dit in artikel 5 van de notitie ook zijn overeengekomen: ‘Gedurende de gehele periode waarin de alimentatie wordt betaald, blijft het netto inkomen steeds gelijk aan het begrote bestedingsniveau’.

3.7.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt ook uit de gedragingen en verklaringen van partijen dat het de bedoeling van partijen was om de vrouw op hetzelfde (geïndexeerde) bestedingsniveau te houden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De accountant heeft de vrouw bij bericht van 1 februari 2012 op verzoek van de man laten weten dat de berekeningen van 2011 en 2012 niet kloppen. Als bijlage bij zijn e-mail heeft de accountant een nieuwe berekening bijgevoegd. Uit deze nieuwe berekening volgt dat de man vanaf 1 oktober 2011 € 3.460,12 per maand dient te betalen aan de vrouw. Dit strookt ook met de hierboven geschetste rekenmethodiek. Immers, het geïndexeerde bestedingsniveau van de vrouw was in 2011 € 59.756,16. Hier dient de pensioenuitkering van [pensioenfonds] . van € 4.038,- en het [pensioenfonds 2] van € 14.196,- van af te worden getrokken. Er resteert dan een bedrag van (€ 59.756 - € 4.038 - € 14.196 / 12 =) € 3.460,- per maand. Dit bedrag komt overeen met de berekening van de accountant. Het had op de weg van de man gelegen om zich reeds op dat moment te beroepen op de bepaling in artikel 5 van de notitie waarin staat dat de bijdrage € 26.000,- per jaar, zijnde gemiddeld € 2.166,- per maand, zou zijn, indien hij van mening was dat het convenant en de notitie verkeerd werden uitgelegd en hij daardoor meer dan het overeengekomene moest betalen. De man heeft dit echter nagelaten en hij heeft – conform de berekeningen van de accountant – (na verrekening) voormelde bijdrage aan de vrouw betaald.

3.8.

De rechtbank constateert vervolgens dat ook in 2012 volgens voormelde rekenmethodiek wordt gerekend. Het geïndexeerde bestedingsniveau van de vrouw was in 2012 € 60.532,-. Afgetrokken dient te worden de pensioenuitkering van [pensioenfonds] . van € 4.038,- en het [pensioenfonds 2] van € 14.196,-. Er resteert dan een bedrag van (€ 60.532 - € 4.038 - € 14.196 / 12 =) € 3.524,- per maand. Ook nu trekt de man niet aan de bel, terwijl hij wel in 2011 door de accountant op de fouten in de berekeningen van 2011 en 2012 is gewezen, en betaalt hij de door de accountant berekende bijdrage (een en ander onder inhouding van een verrekening).

3.9.

Vervolgens treedt in april 2014 de volgende inkomensverandering op aan de zijde van de vrouw, omdat zij een AOW-uitkering krijgt en er lagere belastingtarieven voor haar gelden. Ook op dit moment beroept de man zich niet op de bepaling in artikel 5 van de notitie waaruit volgt dat de man vanaf 2014 € 9.000,- op jaarbasis zou moeten betalen, zijnde € 750,- per maand. De man maakt
€ 2.476,- per maand over. De rechtbank beschikt niet over de berekening van de accountant per april 2014. Echter, uit het e-mailbericht van de man van 28 april 2014 blijkt dat hij zich voor wat betreft de hoogte van de bijdrage baseert op de berekening van de accountant.

3.10.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de hiervoor vermelde omstandigheden en gedragingen van partijen worden afgeleid dat het de bedoeling van partijen was om bij de bepalingen aan te sluiten bij het bestedingsniveau van de vrouw. Partijen hebben immers jarenlang volgens het hiervoor geschetste principe afgerekend en de man heeft reeds in 2011 en in 2014 nagelaten om aan de bel te trekken, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen, indien hij van mening was dat aangesloten diende te worden bij de in artikel 5 van de notitie genoemde bedragen. Per slot van rekening kwamen vanaf 2011 de in eerste instantie berekende bedragen en de daadwerkelijke betalingen al niet meer overeen. De stelling van de man dat hij het convenant anders niet getekend zou hebben of dat hij de beperkte gemeenschap niet zou hebben gecreëerd, is onvoldoende om van dat oordeel af te wijken. De rechtbank acht hierbij mede van belang dat het initiatief voor het opstellen van het convenant en de notitie was genomen door de man, die als notaris de hiervoor vereiste deskundigheid bezat, en dat de notitie was opgesteld door een door de man ingeschakelde accountant.

3.11.

De rechtbank zal, nu de vrouw de voorwaarden in het convenant als hierboven beschreven uitlegt, aansluiten bij de zienswijze van de vrouw, in die zin dat haar bestedingsniveau leidend is bij de bepaling van de bijdrage. Dit betekent dat de bijdrage vanaf april 2014 niet € 750,- per maand, maar
€ 2.476,- per maand bedraagt en per 2016 € 2.488,08 per maand. De rechtbank merkt hierbij op dat de vrouw uitgaat van een bedrag € 2.491,08 per maand. De man heeft dit bedrag slechts eenmalig overgemaakt, omdat hij eind december 2015 € 3,08 te weinig had overgemaakt. Blijkens de berekening van de accountant is de bijdrage € 2.488,08 per maand. De rechtbank zal de verzochte verklaring voor recht als na te melden toewijzen.

Verlenging wettelijke termijn

3.12.

De vrouw heeft de rechtbank tevens verzocht te bepalen dat de verplichting tot betaling van de partneralimentatie door de man aan de vrouw vanaf 30 juni 2016 wordt verlengd tot aan het overlijden van de vrouw.

3.13.

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat uit het convenant volgt dat de man zich ook na het verstrijken van de 12 jaarstermijn in een rechtens afdwingbare vorm heeft verplicht tot het doorbetalen van alimentatie. De vrouw meent dat ten aanzien van het criteria van artikel 1:157, lid 5, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het van belang is dat partijen voor het voortduren van de alimentatieplicht van de man ná het verstrijken van de wettelijke termijn van 12 jaar niet de behoefte van de vrouw als uitgangspunt hebben genomen, maar de draagkracht van de man. Hiermee zijn partijen bewust afgeweken van de in dit artikellid opgenomen criteria. Dit leidt ertoe dat op de vrouw niet de bewijslast rust dat er sprake is van dermate bijzondere omstandigheden dat het verstrijken van de alimentatietermijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. In feite ligt zulks reeds besloten in de door partijen gemaakte afspraken en de daaraan ten grondslag liggende bedoelingen. Met het enkele feit dat de man in zijn brief d.d. 18 december 2015 de vrouw toezegt zijn alimentatieplicht voorvloeiende uit het convenant te blijven voldoen volgt in wezen reeds de juistheid van deze stelling.

3.14.

De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. Een verzoek op grond van artikel 1:157, lid 5, BW is alleen toewijsbaar als beëindiging naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan worden gevergd. Het moet gaan om een uitzonderingssituatie. In casu is en kan geen sprake zijn van een verzoek op grond van artikel 1:157, lid 5, BW, nu een dergelijk verzoek alleen mogelijk is in geval van omstandigheden aan de zijde van de vrouw (met, voor zover als de man bekend, een geschat vermogen van meer dan € 1.000.000,00) en in welk geval het wegvallen van de alimentatie zodanig ingrijpend is voor haar dat verlenging van de maximale wettelijke termijn gerechtvaardigd is. Van dergelijke omstandigheden is hier geen sprake en dat wordt ook niet gesteld. Er wordt door de vrouw terecht aangegeven dat bij de overeengekomen verlenging van de alimentatieduur niet van belang is of door het einde daarvan een ingrijpende situatie voor de vrouw ontstaat.

3.15.

De rechtbank overweegt als volgt.

Partijen hebben in artikel 5 van het convenant opgenomen:

“De alimentatie zal worden voldaan gedurende de wettelijke periode van 12 jaren, doch zal nadien onverplicht levenslang worden voortgezet indien en zolang de inkomenspositie van de man en het saldo van zijn schulden en bezittingen zulks toelaten.”

3.16.

Daarnaast staat in artikel 7 van de notitie opgenomen:

“Alimentatie is in principe verschuldigd door de alimentatieplichtige voor een periode van 12 jaar. [verweerder] is bereid om nu reeds in het convenant vast te leggen dat hij zolang [eiseres] leeft alimentatie zal betalen, waarbij het uitgangspunt voor de hoogte van die alimentatie in de bijgevoegde berekeningen is gelegen.”

3.17.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat het belang van de vrouw bij haar verzoek ontbreekt, nu het uitgangspunt dat de termijn wordt verlengd tot aan het overlijden van de vrouw reeds uit het convenant en de notitie volgt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verlening van de termijn van de alimentatie na het verstrijken van de wettelijke termijn van 12 jaar afhankelijk is van de inkomenspositie van de man en het saldo van zijn schulden en bezittingen, alsmede van omstandigheden aan de zijde van de vrouw, te weten een duurzame huishouding met een ander of de opname in een AWBZ-instelling. Er kan derhalve niet onverkort worden bepaald dat de alimentatietermijn doorloopt tot aan het overlijden van de vrouw. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

Alimentatieplicht vanaf 30 juni 2016

3.18.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht ten slotte verzocht te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vanaf 30 juni 2016 zal bedragen € 2.491,08, (de rechtbank begrijpt: € 2.488,08) maandelijks bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen bij gebreke waarvan de man aan de vrouw wettelijke rente verschuldigd is tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.19.

De vrouw stelt het navolgende. De man heeft naar het convenant gehandeld door tot en met juni 2016 maandelijks het bedrag van € 2.491,08 (de rechtbank begrijpt: € 2.488,08) aan de vrouw te betalen. In juli 2016 heeft de man aan de vrouw een bedrag van € 750,00 voldaan. De man handelt hiermee volgens de vrouw in strijd met het convenant. Nu de man op generlei wijze middels onderbouwing van financiële stukken en andere documenten heeft aangetoond dat zijn inkomenspositie en het saldo van zijn bezittingen en schulden niet toelaten de door partijen overeengekomen alimentatie aan de vrouw te voldoen, dient het ervoor te worden gehouden dat de man over voldoende draagkracht beschikt.

3.20.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek en stelt dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek, stelt de man primair dat het te betalen bedrag niet hoger is dan € 750,- per maand, hetgeen de man vrijwillig betaalt, waarop geen wettelijke indexering van toepassing is. Subsidiair stelt de man dat het te betalen bedrag niet hoger is dan € 1.450,75 per maand.

3.21.

De man stelt daartoe het volgende. De man stelt primair dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek. Indien het verzoek van de vrouw moet worden gelezen als een vordering tot nakoming dan moet deze vordering bij dagvaarding worden ingeleid.

Indien de rechtbank het verzoek inhoudelijk gaat beoordelen, voert de man het volgende aan. Naar blijkt bedragen de uitkeringen van [pensioenfonds] . aan de vrouw slechts € 4.038,00 per jaar, hetgeen zij in 2007 al feitelijk gemerkt zou moeten hebben. De vrouw had vanaf toen het meerdere al kunnen vorderen van de man of zijn BV. De vrouw heeft dat niet gedaan en dat kan niet anders worden aangemerkt dan als een stilzwijgende instemming met de wijziging van hetgeen was overeengekomen. De vrouw vond kennelijk dat zij over voldoende inkomsten beschikte. Na negen jaar hiermee te hebben ingestemd met de feitelijke betalingen kan de vrouw daarop niet meer terugkomen. De behoefte is verbleekt. Hoe het ook zij, als de man vrijwillig betaalt, dan gaat het om de bedragen zoals die in de notitie zijn opgenomen. Daarop ziet immers het overeengekomen niet-wijzigingsbeding. Dat betekent dat al sinds 2014 slechts € 9.000,- bruto per jaar aan alimentatie hoefde te worden voldaan. Zowel de man als de vrouw zijn beiden uitgegaan van een bedrag van € 750,- per maand. Uit het onverplicht en onbewust doorbetalen van € 2.491,08 (de rechtbank begrijpt: € 2.488,08) in plaats van € 750,- per maand kan niet worden afgeleid dat de man het bedrag van € 750,- als onjuist heeft erkend. De man heeft eenvoudigweg meer betaald dan is overeen gekomen. Ook mag de vrouw daaraan geen rechten ontlenen op het moment dat de man het bedrag van € 750,- hanteert. De man verwijst voorts naar een e-mail van de vrouw van 17 januari 2016 waarin staat dat de vrouw in de veronderstelling is dat de man haar met ingang van 28 juni 2016 een bedrag van € 1.450,75 per maand zou betalen. Thans vraagt de vrouw om € 2.491,08. Dat bedrag kan gelet op de e-mail van de vrouw 2016 niet worden toegewezen.

3.22.

De rechtbank overweegt als volgt.

De man stelt primair dat het verzoek van de vrouw bij dagvaarding moet worden ingeleid. Naar het oordeel van de rechtbank treft deze stelling geen doel. Ook na invoering van de Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht, Stb. 1994, 570, per 1 april 1995 moet in zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 BW, het volgen van de verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw inhoudelijk behandelen.

3.23.

In artikel 7 van de notitie is opgenomen dat het uitgangspunt van de hoogte van de alimentatie na het verstrijken van de wettelijke periode in de bijgevoegde berekeningen is gelegen. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit het convenant en de notitie dat de door de man te betalen bijdrage met ingang van 2016 € 2.488,08 bedraagt. De rechtbank verwijst voor wat betreft de beoordeling daarvan naar hetgeen onder ‘Verklaring voor recht’ is opgenomen. De man is derhalve naar het oordeel van de rechtbank gehouden om ook na het verstrijken van de wettelijke periode een bijdrage te voldoen van
€ 2.488,08.

3.24.

In artikel 5 van het convenant hebben partijen afgesproken dat de alimentatie na het verloop van de wettelijke periode van 12 jaar onverplicht zal worden voortgezet indien en zolang de inkomenspositie van de man en het saldo van zijn bezittingen en schulden zulks toelaten. Dit is een grond waarop de alimentatie naar beneden kan worden bijgesteld. Nu de man niet heeft gesteld dat zijn inkomenspositie en het saldo van zijn bezittingen en schulden niet langer toelaten dat hij deze bijdrage betaalt en bovendien geen sprake is van de in artikel 7 van de notitie genoemde omstandigheden aan de zijde van de vrouw, te weten de duurzame huishouding met een andere partner of de opname in een AWBZ-instelling, is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond om de bijdrage op € 750,- dan wel op € 1.450,75 vast te stellen. Het verzoek van de vrouw zal worden toegewezen, in die zin dat de rechtbank zal bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vanaf 30 juni 2016 zal bedragen € 2.488,08, maandelijks bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen.

3.25.

Voor wat betreft de verzochte wettelijke rente overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 6:119, lid1, BW en artikel 6:81, lid 1, BW volgt dat aan drie voorwaarden moet worden voldaan voordat wettelijke rente verschuldigd kan zijn. Deze voorwaarden zijn:

  1. de vordering moet bestaan;

  2. de vordering moet opeisbaar zijn;

  3. de schuldenaar moet in verzuim zijn.

3.26.

Aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Het verzuim treedt echter pas in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikel 6:82 BW). Niet gesteld of gebleken is dat de man in verzuim is. Het gedeelte van het verzoek dat ziet op de wettelijke rente zal derhalve worden afgewezen.

Terugbetaling/verrekening

3.27.

De man heeft de rechtbank bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen:

  1. primair dat de vrouw aan de man (terug)betaalt een bedrag van primair € 98.391,51 dan wel subsidiair € 79.204,99 dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag dat de man onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald;

  2. subsidiair dat de man een totaalbedrag van primair € 98.391,51 dan wel subsidiair € 79.204,99 dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag dat de man onverschuldigd aan de vrouw heeft betaald mag verrekenen met toekomstige door de man aan de vrouw te betalen bedragen.

3.28.

De man stelt dat hij over de periode 2011 tot en met 2016 te veel alimentatie heeft betaald.

3.29.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.30.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op hetgeen hiervoor onder ‘Verklaring voor recht’ is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de man in de periode van 2011 tot en met 2016 niet te veel heeft alimentatie betaald. De grond voor terugbetaling ontbreekt om die reden. De man heeft conform de bepalingen van het convenant en de notitie alsmede de bedoeling van partijen de verschuldigde bijdrage betaald. Het verzoek van de man zal worden afgewezen.

3.31.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart voor recht dat de door de man aan de vrouw maandelijks voor de eerste van de maand te betalen uitkering tot levensonderhoud over de periode van 2014 tot en met 29 juni 2016 (geïndexeerd tot 2016) € 2.488,08 per maand bedroeg;

4.2.

bepaalt dat de man met ingang van 30 juni 2016 € 2.488,08,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen;

4.3.

verklaart de beslissing onder 4.2 uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

4.5.

bepaalt dat elk der partijen de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Bennekom, griffier, op 25 september 20191

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.