Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:69

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-01-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
13/751456-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Executie-EAB België, detentieomstamdigheden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751456-18

RK-nummer: 18/3957

Datum uitspraak: 4 januari 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 juni 2018 door de Rechtbank van Eerste Aanleg van Waals Brabant te Nijvel (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres], [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 17 juli 2018

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 juli 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.J. van der Duijn Schouten, waarnemende voor mr. A. Heida, advocaat te Dordrecht.

Tussenuitspraak 31 juli 2018

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 31 juli 2018 overwogen dat de rechtbank na sluiting van het onderzoek kennis heeft genomen van recente ontwikkelingen in België over de detentieomstandigheden in verband met stakingen in Belgische gevangenissen.

De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien zich te beraden over deze recente ontwikkelingen met het oog op het bepaalde in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (verder: het Handvest) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake Aranyosi en Căldăraru van 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU).

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend.

Zitting 21 december 2018

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 21 december 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie

mr. M. Diependaal.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.B. Visser, waarnemende voor mr. A. Heida, advocaat te Dordrecht.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van de Correctionele Rechtbank van Waals Brabant van 29 november 2017, referentie 17/2193.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 15 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Tussenuitspraak 31 juli 2018

De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 4, 5 en 6 in de tussenuitspraak van 31 juli 2018 (bijlage) waarin al is geoordeeld over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, de strafbaarheid van het feit en de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. Dit oordeel dient als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

5 Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

5.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dreiging van stakingen in België nog steeds bestaat. Weliswaar wordt gesproken over ophanden zijnde wetgeving die ertoe zou moeten leiden dat de minimumstandaarden tijdens stakingen worden gewaarborgd, maar deze is nog niet aangenomen. Daarom moet de overlevering op dit moment worden geweigerd.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van
14 augustus 2018. De situatie in België is sindsdien niet veranderd. Daarom dient de overlevering te worden toegestaan.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 14 augustus 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:5937), waarin is geoordeeld dat op dat moment in de Belgische detentiecentra geen sprake meer was van stakingen en dat de kans daarop ook niet meer reëel was, waardoor ‘geen sprake’ was ‘van een toestand die strijdig was met artikel 4 van het Handvest’. De rechtbank ziet geen aanleiding in deze zaak anders te oordelen. Evenmin leidt het gevoerde verweer tot een ander oordeel.

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW, en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 12 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Rechtbank van Eerste Aanleg van Waals Brabant te Nijvel (België) wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,

mrs. C.A. van Dijk en E.G. Fels, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 4 januari 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.