Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6882

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
19-09-2019
Zaaknummer
13/751367-19
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Let op: deze tussenuitspraak is hersteld bij uitspraak van 29 augustus 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:6596).

Na de arresten van het Hof van Justitie van de EU van 27 mei 2019 in de zaken C-508/18 (OG en PI) en C-509/18 (PF), is de rechtbank in verschillende zaken met betrekking tot verscheidene lidstaten gebleken dat de wetgevingen van de betrokken lidstaten niet voorzien in een beroep in rechte tegen de beslissing tot uitvaardiging van het EAB zoals bedoeld in overweging 75 van het arrest OG en PI.

In deze gevallen betrof het EAB’s ten behoeve van strafvervolging en stelden zowel de uitvaardigende autoriteit als het Nederlandse Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat overweging 75 van dat arrest niet ziet op het geval waarin aan het EAB een beslissing van een rechter of rechterlijke instantie ten grondslag is gelegd. De rechtbank kan zich niet met dat standpunt verenigen. In dit geval strekt het EAB tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In een dergelijk geval ligt noodzakelijkerwijs een beslissing van een rechter of rechterlijke instantie aan het EAB ten grondslag. Zowel de uitvaardigende autoriteit als de Nederlandse officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat overweging 75 niet van toepassing is in geval van een EAB dat strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Omdat over de uitleg van de arresten van 27 mei 2019 op meerdere punten verschil van opvatting bestaat tussen de rechtbank en uitvaardigende autoriteiten uit andere lidstaten – zoals ook blijkt uit de verwijzingsbeslissingen die de rechtbank vandaag in twee andere zaken neemt – en zulke verschillen van opvatting onwenselijk zijn, vindt de rechtbank het raadzaam om ook dit geschilpunt aan het Hof van Justitie voor te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751367-19 (EAB II)

RK nummer: 19/2842

Datum uitspraak: 22 augustus 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel.

Dit EAB is uitgevaardigd op 2 mei 2019 door de Procureur des Konings, Parket van de Procureur des Konings van Brussel (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de [naam PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

1.1.

De vordering tot het in behandeling nemen van het Europees aanhoudingsbevel is behandeld

op de openbare zitting van 18 juni 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te worden gehoord. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam.

1.2.

De rechtbank heeft op 18 juni 2019 de gevangenneming van de opgeëiste persoon bevolen.

1.3.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 18 juni 2019 gesloten en op 2 juli 2019 een

tussenuitspraak gedaan. Het onderzoek ter zitting is heropend om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende autoriteit nadere vragen te stellen, naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 27 mei 2019 in de zaken OG en PI1 en PF2.

1.4.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 25 juli 2019.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te worden gehoord. Hij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst, te weten tot de zitting van 8 augustus 2019, en daarbij de raadsman en de officier van justitie verzocht om uiterlijk 2 augustus 2019 eventuele vragen te formuleren die in hun visie aan de Belgische autoriteiten gesteld zouden moeten worden.

1.5.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 8 augustus 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officieren van justitie mr. K. van der Schaft en mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht ter zitting te worden gehoord. Hij heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. De Bruijn.

1.6.

De raadsman heeft ter zitting van 8 augustus 2019 een verzoek ingediend tot schorsing van de overleveringsdetentie. Met instemming van de raadsman heeft de rechtbank het onderzoek na afloop van de zitting op 8 augustus 2019 gesloten. De rechtbank heeft daarbij de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft op de zitting van 8 augustus meegedeeld dat waarschijnlijk op 22 augustus 2019 uitspraak zal worden gedaan.

2 Prejudiciële vraag

Uniewetgeving

2.1.

De artikelen 1 en 6 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 betreffende het

Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PbEG 2002, L 190/1) luiden, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 1

Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel

1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

(…)

Artikel 6

Bevoegde rechterlijke autoriteiten

1. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.

(…)

3. Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.

Nationale wetgeving

2.2.

De Overleveringswet (Stb. 2004, 195) geeft uitvoering aan Kaderbesluit 2002/584/JBZ.

Artikel 1 OLW luidt, voor zover van belang:

In deze wet wordt verstaan onder:

(…)

b. Europees aanhoudingsbevel: de schriftelijk vastgelegde beslissing van een justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie strekkende tot de aanhouding en de overlevering van een persoon door de justitiële autoriteit van een andere lidstaat;

(…)

i. uitvaardigende justitiële autoriteit: de justitiële autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie, krachtens het nationale recht bevoegd tot het afgeven van een Europees aanhoudingsbevel;

(…)

Relevante feiten en omstandigheden

2.3.

Op 3 mei 2019 is de opgeëiste persoon in Nederland aangehouden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB).

2.4.

Het onderhavige EAB is op 2 mei 2019 uitgevaardigd door de openbaar aanklager (‘Procureur des Konings’) te Brussel (België). Het EAB strekt tot overlevering van de opgeëiste persoon ten behoeve van tenuitvoerlegging van een vonnis van 20 november 2018 van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel, waarbij de opgeëiste persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en drie maanden.

2.5.

De rechtbank stelt op basis van de door de Belgische autoriteiten verstrekte informatie vast dat een Belgische officier van justitie deelneemt aan de rechtsbedeling in België en onafhankelijk optreedt; hij loopt niet het risico dat hij in een individueel geval rechtstreeks of indirect wordt aangestuurd door of instructies ontvangt van de uitvoerende macht, zoals een Minister van Justitie, in het kader van de vaststelling van een besluit over de uitvaardiging van een EAB.

Bij e-mail van 17 juni 2019 heeft de substituut-procureur des Konings, W. Baert, het Internationaal Rechtshulp Centrum te Amsterdam als volgt bericht:

“De Belgische Grondwet waarborgt de onafhankelijkheid van het openbaar ministerie in de individuele opsporing en vervolging (art. 151, §1 van de Grondwet).

Deze onafhankelijkheid wordt geenszins beperkt door de mogelijkheid van de Minister van Justitie om de vervolging te bevelen voor een Belgische rechtbank. De bevoegdheid van de Minister van Justitie strekt zich niet uit tot het geven van specifieke instructies aangaande de wijze waarop het onderzoek uitgevoerd moet worden, noch behelst het enige bevoegdheid aangaande onderzoeksmaatregelen, met inbegrip van het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel. De bevoegdheid is bovendien enkel gerelateerd aan bepaalde feiten en kan nooit betrekking hebben op een specifieke persoon.

De Minister van Justitie kan tevens bindende richtlijnen van strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vastleggen. Deze richtlijnen zijn geen aansturingen of instructies in individuele zaken. De onafhankelijkheid van de procureur waarborgt bovendien dat hij/zij altijd de mogelijkheid heeft om van deze richtlijnen af te wijken op basis van de concrete elementen van de zaak (art. 151, §1 van de Grondwet).”


Gelet hierop voldoet de Belgische officier van justitie aan ten minste twee van de vereisten om als een “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584 te worden aangemerkt, namelijk de vereisten zoals het Hof van Justitie die heeft omschreven in zijn overwegingen 73 en 74 in de zaken OG en PI3.

2.6.

Naar aanleiding van de vraag of de beslissing om een EAB uit te vaardigen, met name de

evenredigheid van een dergelijke beslissing, in België het voorwerp van een beroep in rechte kan uitmaken dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming, als bedoeld in overweging 75 van het arrest OG en PI van het Hof van Justitie, hebben de Belgische uitvaardigende autoriteiten de volgende informatie verstrekt:

bij e-mail van 17 juni 2019 (door de substituut-procureur des Konings, W. Baert):

“(…) In de huidige Belgische EAB-wet is op dit moment echter niet voorzien in de mogelijkheid een beroep in te stellen tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB.”

Op 24 juli 2019 (door de substituut-procureur des Konings, W. Baert):

“(…) Wat betreft de vraag of in België de mogelijkheid bestaat om civielrechtelijk, dan wel bestuursrechtelijk, in rechte op te komen tegen de uitvaardiging van een EAB door het parket van de procureur des Konings, in het bijzonder met betrekking tot de evenredigheid van een dergelijke beslissing:

Het College van procureurs-generaal van België, is van oordeel dat uit het arrest van het Hof van Justitie niet blijkt dat voor een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het parket van de procureur des Konings in de fase van de strafuitvoering, zoals tegen de heer [opgeëiste persoon], een rechtsmiddel zou moeten kunnen worden aangewend.”

Overwegingen

2.7.

De informatie van de Belgische autoriteiten roept de vraag op of de in overweging 75 van het arrest OG en PI neergelegde voorwaarde dat de beslissing van de officier van justitie om een EAB uit te vaardigen en, met name, de evenredigheid van een dergelijke beslissing het voorwerp moeten kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming ook van toepassing is, indien het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf.

2.8.

De rechtbank leest het arrest van 27 mei 2019 in de zaken OG en PI als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kan een officier van justitie als uitvaardigende rechterlijke autoriteit worden aangemerkt indien hij deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat, hij onafhankelijk opereert en er een beroep in rechte open staat tegen de beslissing van de officier van justitie een EAB uit te vaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt het vereiste van de mogelijkheid om een beroep in rechte in te stellen uit overweging 75 van het arrest OG en PI. Het Hof van Justitie schrijft in één volzin in overweging 75 voor dat

“wanneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen toekent aan een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in die lidstaat deelneemt maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is, de beslissing om een dergelijk aanhoudingsbevel uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp moet kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming”.

De woorden ‘een dergelijk aanhoudingsbevel’ kunnen alleen maar terugslaan op het ‘Europees aanhoudingsbevel’ en laten geen ruimte om betrekking te hebben op een ander bevel dan een EAB, in het bijzonder niet het aan het EAB ten grondslag liggende nationaal aanhoudingsbevel.

In eerdere overleveringszaken is door de officier van justitie aangevoerd dat het criterium van overweging 75 niet geldt, omdat voldoende zou zijn dat slechts op één van de twee beschermingsniveaus zoals bedoeld in overweging 68 een beslissing moet zijn genomen die voldoet aan de eisen van een effectieve rechtsbescherming. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank houden de twee niveaus van bescherming van de procedurele rechten en grondrechten zoals bedoeld in overweging 67 – zoals volgt uit overweging 68 – onder andere in dat op “minstens” één van de twee niveaus – het nationaal aanhoudingsbevel respectievelijk het EAB – een beslissing wordt genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming. Dit betekent dat wanneer het EAB is uitgevaardigd door een autoriteit die weliswaar deelneemt aan de rechtsbedeling maar géén rechter of rechterlijke instantie is, het nationale aanhoudingsbevel wél moet zijn uitgevaardigd door een rechter of rechterlijke instantie. Aldus overweging 69:

“Hieruit volgt dat wanneer het recht van een uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen toekent aan een autoriteit die weliswaar deelneemt aan de rechtsbedeling in die lidstaat maar geen rechter of rechterlijke instantie is, de nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel waar het Europees aanhoudingsbevel op gebaseerd is, zelf moet voldoen aan dergelijke vereisten.”

Uit overweging 68 volgt dat op minstens één van de twee niveaus sprake moet zijn van een beslissing van een rechter of een rechterlijke instantie. In de situatie zoals hiervoor beschreven in overweging 69, is het beschermingsniveau op nationaal niveau – te weten het nationale aanhoudingsbevel waarop de beslissing tot uitvaardiging van het EAB is gebaseerd – gegarandeerd, zoals volgt uit overweging 70.

Uit de overwegingen 71 en 72 volgt dat het vervolgens de verantwoordelijkheid is van de autoriteit die de beslissing neemt om het EAB uit te vaardigen, om het tweede beschermingsniveau te waarborgen, “zelfs indien dit Europees aanhoudingsbevel gebaseerd is op een nationale beslissing van een rechter of een rechterlijke instantie.”

In het kader van dit tweede beschermingsniveau is eerst vereist dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de beslissing tot uitvaardiging van een EAB “geen enkel risico loopt om te worden onderworpen aan met name een individuele instructie vanwege de uitvoerende macht” (overwegingen 73 en 74). Voor het geval de bevoegdheid om een EAB uit te vaardigen is toegekend aan een (volledig onafhankelijke) autoriteit die deelneemt aan de rechtsbedeling maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is, is tevens vereist (“bovendien”, overweging 75) dat de beslissing om een EAB uit te vaardigen en met name de evenredigheid van die beslissing, het voorwerp moeten kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming, met andere woorden van een procedure voor een rechter of een rechterlijke instantie.

Niets in de bewoordingen van overweging 68 – in het bijzonder niet het woord “minstens” – sluit uit dat de eis zoals bedoeld in overweging 75 wordt gesteld als de beslissing op het nationale niveau is genomen door een rechter of een rechterlijke autoriteit. Overweging 68 eist niet meer dan dat een rechter of een rechterlijke instantie hetzij de nationale beslissing neemt hetzij het EAB uitvaardigt. In het eerste geval voegt overweging 75 daaraan toe dat tegen de door een andere autoriteit dan een rechter of rechterlijke instantie genomen beslissing tot uitvaardiging van een EAB een beroep in rechte bij een rechter of een rechterlijke autoriteit mogelijk moet zijn.

De vereisten van overweging 75 en overweging 68 staan dus naast elkaar.

Een en ander volgt ook uit het op dezelfde dag gewezen arrest in de zaak PF4. In die zaak is het nationale aanhoudingsbevel afgegeven door een rechterlijke instantie (zie Minister for Justice and Equality -v- Lisauskas [2017] IEHC 232 (27 February 2017), overwegingen 22 en 54 van het arrest), neemt de procureur-generaal van Litouwen bovendien deel aan de strafrechtsbedeling in Litouwen (overweging 42) en is gewaarborgd dat de procureur-generaal van Litouwen onafhankelijk is van de uitvoerende macht (overweging 66), maar moet de verwijzende rechter desalniettemin nagaan

of de beslissingen van de procureur-generaal om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de door een effectieve rechterlijke bescherming gestelde eisen”.

Ook indien het nationale aanhoudingsbevel is afgegeven door een rechter of een rechterlijke instantie, moet een beroep in rechte bij een rechter of een rechterlijke autoriteit mogelijk zijn tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB, wanneer deze beslissing is genomen door een andere autoriteit dan een rechter of rechterlijke instantie. Deze kwestie is naar het oordeel van de rechtbank “éclairé” (zie Rb. Amsterdam 5 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4852). Nu in onderhavige zaak sprake is van een beslissing tot uitvaardiging van een EAB genomen door het Belgische Openbaar Ministerie en dus niet door een rechter of rechterlijke instantie, moet naar de letter van de arresten aan beide vereisten – zoals bedoeld in overwegingen 68 en 75 van het arrest OG en PI – zijn voldaan.

2.9.

De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 4 juni 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:4010) overwogen dat, hoewel in de arresten OG en PI sprake is van EAB’s ten behoeve van vervolging, de overwegingen over de bescherming die de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bij de vaststelling van haar beslissing over de uitvaardiging van een EAB moet bieden zodanig zijn geformuleerd, dat daarin geen onderscheid tussen EAB’s ten behoeve van vervolging en EAB’s ten behoeve van executie valt te lezen. De rechtbank blijft bij dit oordeel.

2.10.

Sinds het arrest van 27 mei 2019 heeft de rechtbank ten aanzien van twee lidstaten op basis van de door de autoriteiten van die lidstaten verstrekte informatie vastgesteld dat de rechtsordes van die lidstaten niet voorzien in de mogelijkheid om de beslissing om een EAB uit te vaardigen en, met name, de evenredigheid daarvan te onderwerpen aan een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming, zoals bedoeld in overweging 75 van het arrest OG en PI.

2.11.

In beide gevallen betrof het EAB’s ten behoeve van strafvervolging en in beide gevallen stelden zowel de uitvaardigende autoriteit als het Nederlandse Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat overweging 75 van dat arrest niet ziet op het geval waarin aan het EAB een beslissing van een rechter of rechterlijke instantie ten grondslag is gelegd. Hierboven heeft de rechtbank uiteengezet dat en waarom zij zich niet met dit standpunt kan verenigen. In dit geval strekt het EAB tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. In een dergelijk geval ligt noodzakelijkerwijs een beslissing van een rechter of rechterlijke instantie aan het EAB ten grondslag. Zowel de uitvaardigende autoriteit als de Nederlandse officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat overweging 75 niet van toepassing is in geval van een EAB dat strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Omdat over de uitleg van het arrest van 27 mei 2019 op meerdere punten verschil van opvatting bestaat tussen de rechtbank en uitvaardigende autoriteiten uit andere lidstaten – zoals ook blijkt uit de verwijzingsbeslissingen die de rechtbank vandaag in twee andere zaken neemt – en zulke verschillen van opvatting onwenselijk zijn, vindt de rechtbank het raadzaam om ook dit geschilpunt aan het Hof van Justitie voor te leggen.

2.12.

De rechtbank zal het Hof van Justitie daarom – kort gezegd – vragen of een beroep in rechte mogelijk moet zijn tegen een beslissing van een openbare aanklager om een EAB uit te vaardigen en, met name de evenredigheid daarvan, indien het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf.

2.13.

Voor de beantwoording van de vraag vindt de rechtbank het volgende relevant. Ook

wanneer het EAB strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en dus aan het EAB een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van een rechter of rechterlijke instantie ten grondslag ligt, is het naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat de onafhankelijkheid van de openbare aanklager die het EAB heeft uitgevaardigd gewaarborgd is. In het stadium van de strafexecutie is het immers nog steeds van belang dat op onafhankelijke wijze wordt gecontroleerd of de voorwaarden voor uitvaardiging van een EAB aanwezig zijn en, met name, of de uitvaardiging daarvan evenredig is. De enkele omstandigheid dat tegen de opgeëiste persoon een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis is gewezen, brengt immers niet mee dat het uitvaardigen van een EAB ter tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis opgelegde vrijheidsstraf zonder meer evenredig is. Een beoordeling van de evenredigheid van de uitvaardiging van een dergelijk EAB ligt doorgaans niet besloten in het voor tenuitvoerlegging vatbare vonnis dat de rechter of rechterlijke instantie heeft gewezen. Daarbij komt dat tussen het voor tenuitvoerlegging vatbaar worden van het vonnis en de beslissing tot uitvaardiging van het EAB enige tijd kan zijn verstreken waarin zich nieuwe feiten en omstandigheden kunnen hebben voorgedaan die relevant zijn voor de evenredigheid van de beslissing tot het uitvaardigen van een EAB. In het verlengde daarvan lijkt geen goede grond te bestaan voor de aanname dat in geval van een door een openbare aanklager uitgevaardigd EAB dat strekt tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf de mogelijkheid van een beroep in rechte dat volledig aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming voldoet, niet nodig is.

Conclusie

2.14.

Het Hof van Justitie heeft zich nog niet gebogen over de vraag of de mogelijkheid van een beroep in rechte als bedoeld in overweging 75 ook moet bestaan in het geval van een EAB dat strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende sanctie. Hierboven is uiteengezet waarom het wenselijk is om deze vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie. Het antwoord op die vraag is bovendien noodzakelijk voor de door de rechtbank te nemen beslissing, nu een positief antwoord op de hierna onder 2.15. genoemde vraag zou meebrengen dat de rechtbank het EAB niet inhoudelijk in behandeling kan nemen en niet op het overleveringsverzoek kan beslissen, terwijl een negatief antwoord op de vraag zou kunnen leiden tot het toestaan van de overlevering.

2.15.

Daarom zal de rechtbank de volgende vraag aan het Hof van Justitie voorleggen:

Geldt, als een EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een bij voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van een rechter of rechterlijke instantie opgelegde vrijheidsstraf , terwijl het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat en gewaarborgd is dat hij in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken, op onafhankelijke wijze optreedt, ook de voorwaarde dat een beroep in rechte tegen de beslissing om een EAB uit te vaardigen – in het bijzonder de evenredigheid daarvan – dat volledig voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming mogelijk moet zijn?

3 Verzoek om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure

3.1.

De rechtbank verzoekt het Hof van Justitie deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de spoedprocedure zoals bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering.

3.2.

De prejudiciële vraag heeft betrekking op een gebied als bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU.

3.3.

De opgeëiste persoon bevindt zich in overleveringsdetentie in afwachting van de beslissing van de rechtbank op het overleveringsverzoek. Die beslissing kan de rechtbank niet nemen, zolang het Hof van Justitie de prejudiciële vraag niet heeft beantwoord. Het spoedige antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vraag is dan ook rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon.

4 Slotsom

Het onderzoek ter zitting moet worden heropend om de prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.

5 Beslissing

HEROPENT het onderzoek ter zitting.

VERZOEKT het Hof van Justitie van de Europese Unie een uitspraak te doen over de volgende vraag:

Geldt, als een EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een bij voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van een rechter of rechterlijke instantie opgelegde vrijheidsstraf , terwijl het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie die deelneemt aan de rechtsbedeling in de uitvaardigende lidstaat en gewaarborgd is dat hij in de uitoefening van zijn met de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel inherent verbonden taken, op onafhankelijke wijze optreedt, ook de voorwaarde dat een beroep in rechte tegen de beslissing om een EAB uit te vaardigen – in het bijzonder de evenredigheid daarvan – dat volledig voldoet aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming mogelijk moet zijn?

SCHORST daartoe het onderzoek voor onbepaalde tijd.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon – met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn advocaat – en van een tolk in de Arabische taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. C. Klomp en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 augustus 2019.

De jongste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 C-508/18, ECLI:EU:C:2019:456

2 C-509/18, ECLI:EU:C:2019:457

3 Arrest Hof van Justitie, 27 mei 2019, C-508/18, ECLI:EU:C:2019:456.

4 Arrest Hof van Justitie, 27 mei 2019, C-509/18, ECLI:EU:C:2019:457.