Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:688

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
AMS 18/4896, 18/4899, 18/4900
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het is omwonenden vooralsnog niet gelukt om het project ‘Creative Grid’ op de Noordelijke IJoever tegen te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 18/4896, 18/4899 en 18/4900

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te [woonplaats] , eisers,

en

Bewonersvereniging [eiseres] , te [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. S. Kleefstra),

en

[eiser 3] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. M. van Weeren),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,

(gemachtigde: mr. L.C. van Elewoud).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Maanzaad B.V., te Amsterdam, vergunninghoudster (gemachtigde: mr. F. Leyendeckers).

Procesverloop

Bij besluit van 5 juni 2018 heeft het college aan Maanzaad B.V. een omgevingsvergunning verleend (de omgevingsvergunning).

[eiser 1] en [eiser 2] , de bewonersvereniging en [eiser 3] hebben tegen de vergunning beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2018. De rechtbank heeft de beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] , de bewonersvereniging en [eiser 3] ter zitting gelijktijdig en gevoegd behandeld. Dit betekent dat de rechtbank in één keer uitspraak zal doen op de beroepen.

[eiser 1] is verschenen. De bewonersvereniging heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens was namens de bewonersvereniging aanwezig mr. F. Buitenwerf. [eiser 3] is verschenen, bijgestaan door mr. R. Timmers, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghoudster zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. In deze procedure staat het project “Creative grid” (het project) centraal. Het betreft de bouw van woningen, een hotel, een café, consument verzorgende dienstverlening en commerciële ruimtes op kavel 14 aan de Papaverweg 38-40, op het voormalig bedrijventerrein Buiksloterham in Amsterdam-Noord. Het project wordt omsloten door de Papaverweg, de Hulstweg, de Bosrankstraat en het gebouw van Beam Systems. Het project omvat onder andere 6.777 m² bruto vloeroppervlakte (bvo) voor de woningen en 5.380 m² voor het hotel. Vergunninghoudster heeft op 12 februari 2017 een aanvraag eerste fase ingediend voor het gebruiken van de gronden en gebouwen in strijd met de ruimtelijke regels, op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvragen voor omgevingsvergunningen voor het bouwen, de tweede fase, worden later ingediend. Deze procedure gaat dus alleen over de vraag of het project mag afwijken van de ruimtelijke regels.

2. Bij het bestreden besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Volgens het college kan, samengevat, worden afgeweken van het geldende planologische regime, omdat uit de ruimtelijke onderbouwing van LBP Sight van 24 april 2018 (de ruimtelijke onderbouwing) blijkt dat het project niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

3. Het project ligt binnen het bestemmingsplan ‘Buiksloterham’, inclusief de eerste tot en met de vierde partiële herziening daarvan. De gronden waar het project moet komen hebben de bestemming ‘gemengd’ en de nadere aanduidingen ‘aaneengebouwd’, ‘maximale floorspace-index van 1,5’, ‘maximaal aantal wooneenheden 11’, ‘maximaal percentage woninggebouw 30’ en ‘gevellijn’. Niet in geschil is dat de aanvraag op een aantal onderdelen in strijd is met de bestemmingen in het bestemmingsplan.

4. De door [eiser 1] en [eiser 2] , de bewonersvereniging en [eiser 3] aangevoerde beroepsgronden worden gezamenlijk behandeld omdat deze elkaar (deels) overlappen, zij van elkaars beroepsgronden op de hoogte zijn en zij elkaars beroepsgronden onderschrijven.

Waaraan toetst de rechtbank de omgevingsvergunning?

5. Voor de bepalingen die van toepassing zijn op de verleende omgevingsvergunning verwijst de rechtbank naar de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

6. Op deze zaken is de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing. Op grond van deze wet is de rechtbank verplicht deze zaken versneld te behandelen en binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen. De rechtbank doet binnen deze termijn uitspraak.

7. De aanvraag is op een aantal onderdelen in strijd met het bestemmingsplan, maar het college kan toch een omgevingsvergunning verlenen indien er geen strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Dit staat in artikel 2.12, eerste lid, sub a. en onder 3 van de Wabo. Het college heeft bij de afweging of zij daaraan meewerkt een zekere beoordelingsvrijheid. De uiteindelijke keuze van het college toetst de rechtbank terughoudend. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure geen eigen oordeel geeft over de vraag of het project er zou moeten komen, maar alleen kan en zal beoordelen of het college de omgevingsvergunning ‘in redelijkheid’ heeft kunnen verlenen.

Nadere motivering door het college

8. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvolledig is gemotiveerd met betrekking tot de verkeersdruk. In het bestreden besluit is in het kader van de verkeersdruk alleen ingegaan op het aantal te realiseren parkeerplaatsen en niet op verkeersonderzoeken. Zoals hierna zal worden besproken is pas ter zitting een nadere toelichting en motivering gegeven. Reeds daarom zullen de beroepen tegen het bestreden besluit gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd. Het college zou dan een nieuwe vergunning kunnen verlenen met een verbeterde motivering, waartegen eisers weer beroep zouden moeten instellen. Daarmee zouden zij dus niet veel opschieten. De rechtbank zal daarom hierna aan de hand van de door eisers aangevoerde beroepsgronden beoordelen of het bestreden besluit inhoudelijk in stand kan blijven.

Afbakening van het geschil

9. Eisers voeren aan dat het hotel, het kinderdagverblijf en de woningen vallen in de milieuzone ingevolge de Wet milieubeheer en daar niet mogen worden gesitueerd zonder ruimtelijke onderbouwing. Deze onderbouwing ontbreekt. Daarnaast voorziet het plan ter ontsluiting van kavel 14 in de aanleg van twee voetgangersbruggetjes richting de Bosrankstraat . Eisers vrezen onder andere voor overlast van toeristen.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Ter zitting is besproken dat er geen kinderdagverblijf zal worden gerealiseerd. Mocht de woontoren in de milieuzone vallen, dan moet dit worden beoordeeld bij de bouwaanvraag. Met het college en vergunninghoudster is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond op dit moment nog niet aan de orde is en daarom niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Datzelfde geldt voor het betoog van eisers over de aanleg van de voetgangersbruggetjes. De rechtbank is van oordeel dat de voetgangersbruggetjes geen onderdeel uitmaken van de aanvraag. De omgevingsvergunning wijkt niet ten behoeve van de voetgangersbruggetjes af van het bestemmingsplan.

Floorspace index (FSI)

11. De FSI geeft de omvang weer van het bvo in verhouding tot het grondoppervlak (artikel 1.21 van het bestemmingsplan). In het bestemmingsplan is hiervoor een maximum opgenomen om een te hoge bebouwingsdichtheid te voorkomen.

12. Volgens eisers staat het college ten onrechte toe dat de FSI wordt verhoogd van 1,5 naar 2,31. Het college handelt hiermee volgens eisers in strijd met zijn eigen beleid, zoals onder andere verwoord in het Investeringsbesluit Buiksloterham 2007. De verhoging van de FSI komt volgens eisers ten goede aan andere functies dan wonen, namelijk het hotel. Volgens eisers beroept het college zich daarom ten onrechte op de woningnood, terwijl er wel een hotel wordt toegestaan. Eisers vinden dit onbegrijpelijk, omdat er voor de stad een hotelstop geldt. Zij verwijzen hierbij naar het Overnachtingsbeleid 2017.

13. Het college heeft aangevoerd dat eisers geen beroep op de FSI kunnen doen, omdat dit voorschrift niet voor hun belangen is geschreven (het relativiteitsbeginsel). Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank van 28 mei 2015.1 De rechtbank verwerpt dit verweer. De bestreden verhoging van de FSI betekent intensiever grondgebruik, waardoor meer bebouwing wordt gerealiseerd. Eisers vrezen voor overlast en een toename van de verkeersdruk als gevolg daarvan. De rechtbank ziet niet in waarom de FSI in dit geval niet ook de belangen van eisers zou beschermen.

14. Het college heeft ter zitting toegelicht waarom de FSI alleen ten behoeve van de woningen wordt verhoogd. Op kavel 14 mag bij een FSI van 1,5 een bvo van 9.555 m² worden gebouwd (6.370 x 1.5). Het project omvat in totaal 7.933 m² bvo voor niet-wonen. Op grond van het bestemmingsplan is maximaal 30% bestemd voor wonen, maar dat is een maximum en geen minimum. Het niet-woongedeelte van het project past dus binnen het bestemmingsplan. Uit de aanvraag blijkt echter dat het project ook voorziet in 6.777 m² wonen, wat meer is dan het maximum van 30%. Het woongedeelte past dus niet in het bestemmingsplan. Daarom wil het college de FSI omhoog brengen en het maximumpercentage wonen loslaten. Volgens het college is dit noodzakelijk omdat er in Amsterdam tot 2025 50.000 woningen moeten worden gerealiseerd en Buiksloterham, vanwege onder meer zijn gunstige ligging aan het water van het IJ, is aangewezen als één van de locaties waar de komende jaren meer woningen worden gerealiseerd. Deze doelstelling is vastgelegd in de ‘Koers 2025’.

15. De rechtbank volgt de uitleg van het college en stelt vast dat het college de FSI uitsluitend heeft verhoogd ten behoeve van de functie wonen. In lijn met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 juni 20182, is de rechtbank van oordeel dat het college de overschrijding van de FSI van 1,5 voldoende heeft gemotiveerd.

16. Het betoog van eisers dat de komst van een nieuw hotel niet in overeenstemming is met de uitgangspunten van het Overnachtingsbeleid 2017 slaagt niet. Vergunninghoudster heeft bij de aanvraag voor dit punt niet om afwijking van het bestemmingsplan gevraagd. Zoals het college heeft toegelicht past het hotel binnen het bestemmingsplan omdat voor Horeca V voor het hele plangebied een maximum bvo van totaal 40.000 m² is toegestaan. Dat maximum was bij deze aanvraag nog niet bereikt. Het project voldoet op dit punt dus aan het bestemmingsplan. Het college was daarom niet verplicht om de aanvraag aan het Overnachtingsbeleid 2017 te toetsen.

Parkeernormen en verkeersdruk

17. Eisers voeren aan dat het college niet heeft onderbouwd waarom de verhoging van de FSI geen invloed heeft op de verkeersdruk. Het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng van 18 september 2009 (het verkeersonderzoek) is volgens hen gedateerd en gaat uit van het bestemmingsplan, met als uitgangspunt een FSI van 1.5. Daarnaast zal er van het hotel een grote verkeersaantrekkende werking uitgaan in verband met de aanwezigheid van taxi’s, touringcars en de vrachtauto’s van leveranciers. Eisers volgen niet de redenering van het college dat de verkeersdruk daalt omdat er minder parkeerplaatsen worden gerealiseerd.

18. Het college benadrukt dat het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng bij de vaststelling van het bestemmingsplan is uitgevoerd. Hieruit is volgens het college gebleken dat de ontwikkeling van het plangebied niet tot overbelasting van het wegennet leidt. Volgens het college blijft het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de prognose uit 2009 juist achter. Het college heeft eerst ter zitting toegelicht dat dit wordt ondersteund door het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai van 6 oktober 2016 bij de ruimtelijke onderbouwing. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de verkeerscijfers naar beneden zijn aangepast. Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift verwezen naar een verkeerstelling die in 2014 is uitgevoerd bij een naburig plangebied (Overhoeks). Tevens is uit een telling die recent is uitgevoerd in het kader van de vijfde herziening van het bestemmingsplan gebleken dat de verkeersdruk minder wordt dan verwacht. Volgens het college is er daarom geen aanleiding om een nieuw verkeersonderzoek te doen.

19. Ter zitting is besproken dat het college de resultaten van de genoemde tellingen niet met stukken heeft onderbouwd. Zoals echter is geoordeeld in rechtsoverweging 15 heeft het college in redelijkheid de maximaal toegestane FSI ten behoeve van de functie wonen verhoogd. Gelet op het geringe aantal extra woningen dat hierdoor wordt gerealiseerd is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat de verkeersdruk zodanig toeneemt dat het college niet in zijn redenering kan worden gevolgd. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.

20. Eisers voeren verder aan dat het college in strijd met het algemeen belang handelt door het project op deze wijze toe te staan. Eisers zijn daarnaast onvoldoende betrokken bij het project.

21. De rechtbank is van oordeel dat het college de juiste juridische procedure heeft gevolgd, waarbij eisers in de gelegenheid zijn gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken. Het college heeft hierop gereageerd. Het college was niet gehouden eisers meer in het voortraject te betrekken. De rechtbank begrijpt dat eisers zich onvoldoende gehoord voelen mede omdat niet aan hun wensen tegemoet is gekomen, maar de inspraak die er is geweest vindt de rechtbank voldoende.

Conclusie

22. De rechtbank acht het bestreden besluit, gelet op bovenstaande overwegingen, alsnog voldoende gemotiveerd. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand worden gelaten.

AMS 18/4896

23. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan [eiser 1] en [eiser 2] het door hen betaalde griffierecht (€ 170,-) vergoedt.

24. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben namelijk geen professionele rechtsbijstand ingezet.

AMS 18/4899

25. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan de Bewonersvereniging [eiseres] het door haar betaalde griffierecht

(€ 338,-) vergoedt.

26. De rechtbank veroordeelt het college in de door de Bewonersvereniging [eiseres] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

AMS 18/4900

27. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan [eiser 3] het door hem betaalde griffierecht (€ 170,-) vergoedt.

28. De rechtbank veroordeelt het college in de door [eiser 3] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt het college op het door [eiser 1] en [eiser 2] betaalde griffierecht van

€ 170,- aan hen te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het door Bewonersvereniging [eiseres] betaalde griffierecht van € 338,- aan haar te vergoeden;

  • -

    draagt het college op het door [eiser 3] betaalde griffierecht van € 170,- aan hem te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van de Bewonersvereniging [eiseres] tot een bedrag van € 1.024,-;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van [eiser 3] tot een bedrag van in

€ 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzitter, en mr. C.F. de Lemos Benvindo en mr. F.L. Bolkestein, leden, in aanwezigheid van mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Bijlage

Chw

In artikel 1.6, eerste lid, van de Chw is bepaald dat de bestuursrechter het beroep behandelt met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat de bestuursrechter binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak doet.

Wabo

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo - voor zover hier relevant - is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

In artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo is - voor zover hier van belang - bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;


In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.

1 Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:RBAMS:2015:3307.

2 Gepubliceerd op rechtspraak.nl onder: ECLI:NL:RBAMS:2018:4471, rechtsoverweging 10.3.