Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6846

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
13/128315-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van drugsgerelateerde feiten en het voorhanden hebben van een pistool en munitie, nu de wetenschap niet kan worden bewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/128315-19 (Promis)

Datum uitspraak: 4 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1996,

wonende op het adres [adres 1] , gedetineerd in het [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van de Vliet en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.J. Veldheer naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat, na wijziging op de zitting – ten laste gelegd dat hij zich op 24 mei 2019 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

1. medeplegen van) opzettelijk telen, handelen en/of vervoeren, althans aanwezig hebben, van 23 liter cocaïne;

2. ( medeplegen van) het voorbereiden en/of bevorderen van het opzettelijk telen, handelen, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen, van cocaïne, amfetamine en/of MDMA, door voorwerpen en/of verschillende versnijdingsmiddelen voorhanden te hebben, die zijn bestemd voor het plegen van voornoemd feit;

3. het voorhanden hebben van een pistool en/of 3 patronen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde kan worden bewezen. Verder heeft hij aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, nu het wapen niet in het zicht lag en het DNA van verdachte niet op het wapen is aangetroffen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde is het volgende aangevoerd. Er is weliswaar sprake geweest van een gebrekkig onderzoek, maar het dossier bevat voldoende feiten en omstandigheden waaruit volgt dat verdachte wetenschap had van de aangetroffen drugs en versnijdingsmiddelen en dat hij daar ook de beschikkingsmacht over had. Verdachte heeft immers uitgebreid de auto schoongemaakt. Ook is hij gedurende 15 minuten in de garagebox geweest waarin de verschillende goederen in het zicht lagen. Verder heeft hij bij de politie ter plaatste een leugenachtige verklaring afgelegd. Bovendien is een document met de naam en het adres van verdachte aangetroffen in de garagebox. In de woning zijn daarna simkaarten, een weegschaal, een boksbeugel en sealbags aangetroffen. Dat alles bij elkaar maakt dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde kan worden bewezen.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van al het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte had geen wetenschap van de aangetroffen goederen. Dat heeft hij telkens stellig ontkend. Verdachte, die in [geboorteland] woont, is pas op de dag van zijn aanhouding in Nederland aangekomen en zou gaan verblijven op het adres aan de [adres 2] in Amsterdam, maar is daar nooit eerder geweest. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld waar de in de tenlastelegging genoemde 23 liter cocaïne (aangetroffen in een kartonnen doos, verdeeld over een jerrycan en twee flessen (Evian) - zich precies in de garagebox bevond. Zo kan niet worden vastgesteld of die cocaïne in het zicht stond en of verdachte de cocaïne dus heeft gezien. Daarnaast is er – anders dan naar het vuurwapen - geen DNA onderzoek gedaan en is er dus geen DNA van verdachte aangetroffen op de in de tenlastelegging onder feit 1 en 2 genoemde goederen. Daarom is er onvoldoende bewijs om de wetenschap van die goederen te kunnen aannemen. Het aangetroffen document met daarop de naam van verdachte maakt dat niet anders. Ten aanzien van feit 2 geldt nog dat verdachte geen wetenschap had van de bestemming van de aangetroffen chemicaliën, ook dat onderdeel van de tenlastelegging kan dus niet worden bewezen.

Wat betreft het vuurwapen is nog aangevoerd dat deze niet in het zicht lag en er geen DNA sporen van verdachte op zijn aangetroffen. Verder is een ander scenario, dat [persoon] – en niet de verdachte - betrokken is geweest bij de aangetroffen goederen, niet uit te sluiten. Nu het dossier onvoldoende bewijs bevat, moet verdachte integraal worden vrijgesproken.

De raadsman heeft nog voorwaardelijk verzocht om het horen van [persoon] en het verrichten van DNA-onderzoek op een aantal van de aangetroffen goederen. Daarnaast vindt hij dat in het geval van een bewezenverklaring moet worden onderzocht hoeveel cocaïne de 23 liter vloeistof bevat.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier kan – voor zover hier relevant - worden vastgesteld dat verdachte een auto (die blijkens de gegevens van de politie gelinkt kan worden aan een grote Albanese crimineel) grondig heeft schoongemaakt en deze in een garagebox heeft geparkeerd en daar 15 minuten heeft verbleven. Na 15 minuten sluit verdachte de roldeur van de garagebox af en verlaat de garagebox. Vervolgens loopt verdachte op een gegeven moment terug naar de garagebox en pakt iets uit de auto en loopt weer naar buiten. Verdachte stapt de metro in en stapt uit bij halte De Pijp. Na boodschappen te hebben gedaan gaat hij naar het huis aan de [adres 2] te Amsterdam. In dit pand staat niemand ingeschreven, maar het staat bekend als drugspand. In de woning worden onder meer 3 weekendtassen aangetroffen, een zogeheten BQ telefoon (cryptotelefoon) en 40 simkaarten. Ook wordt er in de keuken van de woning een sealapparaat en een weegschaal aangetroffen. In de garagebox worden in een kartonnen doos 2 plastic flessen (Evian) en een jerrycan (in totaal: 23 liter) aangetroffen met een vloeistof die na onderzoek cocaïne blijkt te bevatten. Ook worden er in de garagebox, veelal in (rol)koffers en tassen, diverse versnijdingsmiddelen en voorwerpen aangetroffen, zoals omschreven in de tenlastelegging van feit 2. Ten slotte wordt er in de garagebox in een koffer (die onder 3 dozen lag) een document aangetroffen gericht aan “ [verdachte] , [adres 2] ” en onder een zwarte rolkoffer een pistool en 3 patronen, zoals omschreven in de tenlastelegging van feit 3.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte de in de garagebox aangetroffen cocaïne (feit 1), versnijdingsmiddelen en goederen (feit 2) en het vuurwapen (feit 3) “aanwezig heeft gehad” in de zin van de wet. Daarvoor dient er bij verdachte een meer of mindere mate van bewustheid te bestaan ten opzichte van het aanwezig hebben van genoemde goederen (vgl. HR 10 juni 1986, NJ 1987/85). Hoewel de uit het dossier voortvloeiende feiten en omstandigheden als verdacht kunnen worden aangemerkt, zijn deze naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de wetenschap van verdachte met betrekking tot de in de garagebox aangetroffen goederen te kunnen bewijzen. Daarbij neemt de rechtbank onder meer in aanmerking dat verdachte heeft betwist dat hij het wist, dat hij stelt alleen de auto voor [persoon] in de garage te hebben gezet en daarna naar de woning te zijn gegaan, waar hij voor het eerst kwam. Daarbij komt dat de goederen veelal in koffers en dozen – en dus niet direct zichtbaar - zijn aangetroffen, en ook dat niet is vastgesteld dat er sporen van verdachte (op zijn minst enkele) op deze goederen zijn aangetroffen. Het scenario dat verdachte schetst, kan door de bewijsmiddelen niet worden weerlegd, waarbij een grote rol speelt dat [persoon] niet door de politie is gehoord en zijn rol onduidelijk is gebleven. Omdat feit 1 niet bewezen kan worden, komt de rechtbank ook niet toe aan een bewezenverklaring voor feit 2.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het aan verdachte tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal hem daarvan vrijspreken.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. N.J. Koene, voorzitter,

mrs. G.M. van Dijk en J.W.P. van Heusden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.N. Greeven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 september 2019.

[...]