Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6811

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
06-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 668
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/668

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [adres] , Bosnië, eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mw. I.L.N. Dunselman).

De rechtbank zal partijen hierna aanduiden als [eiser] respectievelijk Uwv.

Procesverloop

Bij besluit van 5 september 2018 (het primaire besluit) heeft Uwv de arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiser] vastgesteld op 41,55%.

Bij besluit van 16 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft Uwv het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 48,03%.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2019. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tolk Bosnisch, mw. D. Foql. Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat vooraf ging aan de procedure bij de rechtbank

1. [eiser] , [geboortedatum] , was laatstelijk werkzaam als facilitair

medewerker voor 42,57 uur per week. Hij heeft zich op 5 november 2007 in verband met psychische klachten ziek gemeld. Op 2 november 2009, zijnde einde wachttijd, is hij voor 100% arbeidsongeschikt bevonden.

2. Uwv heeft [eiser] opgeroepen voor een herbeoordeling. De [verzekeringsarts] (hierna aangeduid als: de verzekeringsarts) heeft namens Uwv onderzoek verricht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 20 augustus 2018. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat [eiser] verminderde benutbare mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek. Hij heeft de beperkingen van [eiser] vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

3. De arbeidsdeskundige heeft op basis van de FML een aantal functies geselecteerd die [eiser] met zijn beperkingen in theorie nog zou kunnen verrichten. Dit is vastgelegd in het arbeidsdeskundig rapport van 30 augustus 2018. Het onderzoek van de arbeidsdeskundige resulteert in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 41,55%.

4. Uwv heeft met het primaire besluit het arbeidsongeschiktheidspercentage van [eiser] verlaagd naar 41,55%.

5. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.

6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep, [naam] , heeft onderzoek verricht en heeft haar bevindingen vastgelegd in een rapport van 7 januari 2019. Zij vindt de voor eiser geselecteerde functie van bezorger, gelet op het vele autorijden, onvoldoende passend. Voor het overige heeft zij het standpunt van de verzekeringsarts gehandhaafd. Naar aanleiding hiervan heeft zij een nieuw FML opgesteld.

7. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in zijn rapport van 15 januari 2019 tot de conclusie gekomen dat de nieuwe FML aanleiding geeft om het arbeidsongeschiktheidspercentage aan te passen naar 48,08%.

8. Met het bestreden besluit heeft Uwv het bezwaar van [eiser] gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 48,03%.

Standpunt [eiser]

9. [eiser] voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn hartklachten. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling in beroep - bij brief van 17 juli 2019 - medische stukken met betrekking tot zijn opname wegens hartklachten ingebracht. Daarnaast voert [eiser] aan dat hij door zijn psychische klachten meer beperkt is dan aangenomen. Hij is van mening dat er onvoldoende rekening is gehouden met behandelingen die hij in Bosnië heeft ondergaan. Zo zouden enkele stukken niet zijn vertaald noch op inhoud zijn beoordeeld. [eiser] is verder van mening dat er sprake is van een overschrijding van de beperkingen op de punten tillen, warmte en koude omgevingen, deadlines en hoog handelingstempo en dat voor verhoogde concentratie gassen en dampen beperkingen hadden moeten worden aangenomen. Ten slotte stelt [eiser] dat door zijn gebrekkige taalniveau de geselecteerde functies onvoldoende geschikt zijn voor hem en dat de geselecteerde functies geen eenvoudig procesmatige functies zouden zijn.

Wettelijk kader

10. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

Beoordeling door de rechtbank

Uitgangspunten bij de beoordeling

12. De rechtbank moet beoordelen of Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiser] met ingang van 20 augustus 2018 48,03% arbeidsongeschikt is.

13. Volgens vaste jurisprudentie komt aan een rapport, opgesteld door een verzekeringsarts, een arbeidsdeskundige en een verzekeringsarts bezwaar en beroep een bijzondere waarde toe, als deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn (dat wil zeggen dat ze tot een onbetwistbare conclusie moeten leiden). Het gevolg van die bijzondere waarde van die rapporten is dat Uwv zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene in beginsel op dit soort rapporten mag baseren. Dit is slechts anders als een betrokkene aannemelijk maakt dat een dergelijk rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen, inconsistenties bevat, niet concludent is of dat de in het rapport gegeven beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel wel een rapportage van een arts noodzakelijk.

De medische beoordeling

14. De rechtbank is van mening dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang. De verzekeringsarts heeft [eiser] gezien op het spreekuur van 22 juni 2018. Verder beschikte de verzekeringsarts over de dossiergegevens, waaronder medische informatie van behandelaars en de door [eiser] ingevulde vragenlijst. In aanvulling hierop zijn er zijn expertises verricht door een neuroloog en een psychiater. Op basis hiervan concludeert de verzekeringsarts dat er sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek, waardoor [eiser] is aangewezen op werkzaamheden overeenkomstig de door hem op

20 augustus 2018 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapportage de dossiergegevens van de heer Duracovik betrokken alsmede informatie verkregen tijdens de bezwaarprocedure, namelijk stukken van de internist van [eiser] . Zij heeft in haar rapportage zowel de psychische- als de hartklachten van [eiser] voldoende onderkend.

15. Ten aanzien van de medische stukken die in Bosnië zijn opgesteld stelt de rechtbank vast dat ter zitting is komen vast te staan dat alle relevante rapportages zijn vertaald en in het dossier aanwezig zijn zodat dit punt geen verdere bespreking behoeft.

16. Ten aanzien van de door [eiser] gestelde verdergaande psychische beperkingen ziet de rechtbank geen aanleiding om meer beperkingen aan te nemen dan door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen. Dat de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep tot een ander oordeel komen dan een eerdere verzekeringsarts bij de beoordeling einde wachttijd, op 15 september 2009, maakt dit niet anders. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat bij de beoordeling einde wachttijd er geen aanvullende informatie beschikbaar is geweest of is opgevraagd. De verzekeringsarts heeft bij de huidige beoordeling een expertiseonderzoek laten verrichten door een psychiater. Op basis van de expertise en de eigen bevindingen heeft de verzekeringsarts beperkingen aangenomen in persoonlijk en sociaal functioneren. De stelling van [eiser] dat er sprake is van meer beperkingen door een diagnose PTSS doet hier niet aan af. Volgens vaste rechtspraak1 is immers niet de diagnose bepalend voor de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsongeschikt is, maar diens beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek per de datum in geding.

17. De rechtbank is verder van mening dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn hartklachten beperkter is dan aangenomen. Dat hij hiervoor recent is opgenomen en het feit dat hij medicatie krijgt kan de stelling dat hij beperkter is dan aangenomen niet dragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voor de hartklachten al beperkingen aangenomen en de functie van bezorger laten vervallen in verband met eisers medicijngebruik. De rechtbank is van mening dat Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] op het punt van verhoogde concentratie gassen en dampen niet beperkt moet worden geacht.

18. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de in de FML vastgelegde beperkingen van [eiser] .

Het arbeidsdeskundig onderzoek

19. Bij de beoordeling van de vraag of [eiser] kan werken in de functies die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor hem heeft geselecteerd, gaat de rechtbank uit van de beperkingen zoals deze zijn vastgelegd in de FML van 7 januari 2019.

20. Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de functies, uitgaande van de beperkingen zoals weergegeven in de FML van 7 januari 2019, de belastbaarheid van [eiser] niet overschrijden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een overschrijding op de punten tillen (meer dan 15 kg), warmte en koude omgevingen, deadlines en hoog handelingstempo aan te nemen.

21. Voor wat betreft de (gebrekkige) kennis van de Nederlandse taal en het ontbreken van computervaardigheden bij [eiser] , verwijst de rechtbank naar de regelgeving op dit punt. In artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) zijn de mondelinge beheersing van de Nederlandse taal en computervaardigheden expliciet vermeld als een algemeen gebruikelijke bekwaamheid die binnen zes maanden kan worden verworven. In de ‘Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden’ is bepaald dat onder mondelinge beheersing van de Nederlandse taal als bedoeld in het Schattingsbesluit wordt verstaan: het verstaan en spreken van de Nederlandse taal voor zover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs vereist is. In casu gaat het om functies die zijn ingeschaald op niveau 2. Meenemende dat [eiser] op niveau 3 is opgeleid en heeft gefunctioneerd en dat hij in alle geselecteerde functies hulp kan vragen acht de rechtbank het voldoende geborgd dat hij in staat is op niveau 2 te werken. [eiser] heeft bovendien van 1997 tot eind 2011 in Nederland gewoond en gewerkt. Verwacht mag worden dat hij het Nederlands voldoende beheerst om de functies te kunnen vervullen.

22. De rechtbank ziet geen aanleiding om functies Administratief medewerker scannen en Administratief medewerker post niet passend te achten omdat deze geen eenvoudige productiematige functies zouden zijn. Nu uit de functiebeschrijvingen van de geduide functies naar voren komt dat het eenvoudig kantoorwerk betreft, ter ondersteuning van anderen, met opleidingsniveau 2, met het accent op sorteren en kopiëren, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze functies anders te duiden.

23. Uitgaande van de juistheid van de bij [eiser] vastgestelde en in de FML weergegeven belastbaarheid heeft Uwv met juistheid geoordeeld dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor hem.

24. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is.

25. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank bij die uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.J. Harten, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. van der Kroft, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2918