Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6805

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
26-09-2019
Zaaknummer
13/730082-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voorbereiding liquidatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/730082-15

Datum uitspraak: 16 september 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 20 juni en 2 september 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. van de Venn, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich op 8 oktober 2015 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

feit 1

primair

het medeplegen van de voorbereiding van moord/doodslag, door te proberen een GPS-tracker te plaatsen onder een auto;

subsidiair

het medeplegen van een poging tot het plaatsen van een technisch hulpmiddel (GPS-tracker) om gegevensoverdracht af te tappen (artikel 139d lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr))

en/of

het medeplegen van het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel (GPS-tracker), waarmee wederrechtelijk gegevens kunnen worden afgetapt (artikel 139d lid 2 sub a Sr).

Daarnaast is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich op 12 juni 2014 te Diemen heeft schuldig gemaakt aan diefstal van een motorscooter (feit 2 primair) dan wel dat hij zich in de periode van 12 juni 2014 tot en met 9 oktober 2015 te Amsterdam en/of Diemen schuldig heeft gemaakt aan opzet- dan wel schuldheling van deze motorscooter (feit 2 subsidiair).

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van medeplegen van het voorbereiden van moord/doodslag (feit 1 primair) moet worden vrijgesproken en dat feit 1 subsidiair (het medeplegen van een poging tot het plaatsen van de GPS-tracker en medeplegen van het voorhanden hebben van de GPS-tracker) is bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe kort gezegd het volgende aangevoerd.

Verbalisanten zien medeverdachte [medeverdachte 1] onder een Porsche Panamera rommelen en zij zien ook dat hij daarna naar drie andere jongens loopt. De auto blijkt op naam te staan van iemand die antecedenten heeft voor moord/doodslag en bezit van een vuurwapen. Daarnaast beschikt de politie over informatie dat er een dreiging op het leven van deze persoon bestaat. Later die avond komen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] bij de auto. [medeverdachte 2] gaat er onder liggen en verdachte staat op de uitkijk. Hij kijkt hierbij vooral in de richting van de straat van waaruit de eigenaar van de auto even later aankomt gelopen. Beide jongens worden aangehouden en er wordt een GPS-tracker bij [medeverdachte 2] aangetroffen. [medeverdachte 1] verklaart dat hij een GPS-tracker onder de auto wilde plakken. Er is een sterke verdenking dat een liquidatie werd voorbereid, maar dit is niet voldoende voor een bewezenverklaring. Zo kan bijvoorbeeld niet bewezen worden dat er sprake was van opzet op de voorbereiding van moord/doodslag.

De drie verdachten hebben twee keer geprobeerd de GPS-tracker onder de auto te plakken, met het oogmerk om locatiegegevens wederrechtelijk af te tappen. De GPS-tracker is een technisch hulpmiddel, zoals bedoeld in artikel 139d Sr. In de GPS-tracker zat een simkaart en er kon worden ingelogd op een applicatie op een mobiele telefoon, zodat kon worden beschikt over gegevens die via gsm-masten worden overgedragen. Omdat in dit geval vast staat dat de verdachten de gegevens wilden aftappen voor het plegen van een strafbaar feit, is ook bewezen dat zij de GPS-tracker voorhanden hebben gehad om wederrechtelijk gegevens af te tappen.

Ten aanzien van feit 2

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van diefstal van de motorscooter (feit 2 primair) moet worden vrijgesproken, maar dat schuldheling (feit 2 subsidiair) is bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe kort gezegd het volgende naar voren gebracht.

De motorscooter die in de box bij de woning van verdachte wordt aangetroffen, blijkt gestolen te zijn. Er kan niet worden vastgesteld dat verdachte de motorscooter heeft gestolen. Verdachte heeft verklaard dat hij de motorscooter stalde voor iemand anders en dat er geen codes op de motorscooter zaten. Verdachte had op zijn minst vragen moeten stellen over de herkomst van de motorscooter. Hij had zich moeten realiseren dat de motorscooter mogelijk uit misdrijf afkomstig was.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van alle feiten vrijspraak bepleit en hij heeft hiertoe kort gezegd het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1

Het is allerminst evident dat het in dit geval gaat om eventuele betrokkenheid bij de voorbereiding van een liquidatie. Ten tweede geldt dat het gekozen artikel 139d lid 1 Sr zich niet leent voor deze zaak. Bij het plaatsen van een GPS-tracker wordt weliswaar de locatie van iemand anders opgenomen, maar dat is slechts een gegeven en niet de overdracht of verwerking daarvan. Omdat de GPS-tracker bij de medeverdachte is aangetroffen, kan ook niet worden bewezen dat verdachte die voorhanden heeft gehad. Verder is het zo dat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had op het wederrechtelijk afluisteren, aftappen of opnemen. Tenslotte geldt dat verdachte op de uitkijk zou hebben gestaan. Dat is slechts een vermoeden, want door de politieagenten is niet geverbaliseerd dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gecommuniceerd. Dat is een duidelijke contra-indicatie voor de stelling dat verdachte op de uitkijk heeft gestaan.

Ten aanzien van feit 2

Uit niets blijkt dat de motorscooter door verdachte is weggenomen. Ten aanzien van de heling is het zo dat verdachte min of meer door de verbalisant tot een bekennende verklaring wordt gebracht. De rechercheur heeft gehandeld in strijd met het pressieverbod. De verklaring van verdachte dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze niet (volledig) in vrijheid is afgelegd. Daarnaast heeft verdachte aan zijn onderzoeksplicht voldaan: een vriend in de scooter-business heeft hem gezegd dat, als een scooter geen nummers heeft, deze enkel op eigen terrein te gebruiken is. Verdachte mocht hierop vertrouwen.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Ten aanzien van feit 1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier het volgende vast.

Op 8 oktober 2015, omstreeks 20.10 uur, zien verbalisanten op het Ceramplein te Amsterdam een Porsche Panamera geparkeerd staan. Omdat er veel auto-inbraken plaatsvinden in de betreffende wijk, komen agenten in burger ter plaatse om de betreffende auto en de aanwezig jongeren in het zicht te houden. De auto blijkt op naam te staan van [persoon], een persoon met antecedenten ter zake moord/doodslag en vuurwapenbezit. Omstreeks 20:26 uur komt een man, medeverdachte [medeverdachte 1], naar de Porsche lopen. Hij loopt naar de achterkant van de Porsche, gaat op zijn rug liggen en schuift zich half onder de kofferbak. [medeverdachte 1] rommelt met zijn handen aan de onderkant van de auto. Na enige tijd staat [medeverdachte 1] op en loopt hij naar drie jongens. Uit nader onderzoek in de politiesystemen blijkt dat [persoon] op een zogenaamde dodenlijst staat. Eerder dat jaar is hij door de politie gewaarschuwd in verband met een dreiging op zijn leven. De verbalisanten houden de Porsche onder observatie en zien dat er omstreeks 22:55 uur twee personen aan komen rijden op een snorfiets. Dit zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]. Zij parkeren op de stoep tegenover de Porsche en lopen in de richting van de Porsche. [medeverdachte 2] gaat bij de bestuurderskant op de grond liggen. Verdachte blijft in de richting van de Eerste Ceramstraat kijken en de verbalisanten vermoeden dat hij op de uitkijk staat. [medeverdachte 2] is twee minuten bezig op de grond bij de Porsche Panamera. Dan staat hij op en loopt hij naar verdachte die ongeveer 5 meter achter hem staat. Dan komt [persoon] aanlopen. Hij stapt in de auto en rijdt weg. Hierop worden verdachte en [medeverdachte 2] aangehouden. Bij [medeverdachte 2] wordt in zijn jaszak een GPS-tracker aangetroffen. In de buddyseat van de snorfiets waarop zij reden, wordt onder meer een kleverige substantie, verpakt in plastic, aangetroffen.

Verdachte verklaart kort gezegd dat hij van niets weet en dat hij op de verkeerde tijd op de verkeerde plaats is geweest. Hij zegt ook niet te weten dat [medeverdachte 2] een GPS-tracker bij zich had. [medeverdachte 2] ontkent iets met (de voorbereiding van) een liquidatie te maken te hebben. [medeverdachte 1] verklaart kort gezegd dat hij een GPS-tracker onder de Porsche wilde plakken, omdat hij van plan was deze te stelen. Hij ontkent iets met een liquidatie of de voorbereiding daarvan te maken te hebben

Ten aanzien van het medeplegen van voorbereiding van moord/doodslag (feit 1 primair)

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van een liquidatie, zoals onder 1 primair ten laste gelegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van artikel 139d Sr (feit 1 subsidiair)

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het plaatsen van een technisch hulpmiddel (GPS-tracker) om gegevensoverdracht af te tappen (artikel 139d lid 1 Sr) en/of het medeplegen van het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel (GPS-tracker), waarmee wederrechtelijk gegevens kunnen worden afgetapt (artikel 139d lid 2 sub a Sr).

Voor beantwoording van die vraag is ten aanzien van beide tenlastegelegde varianten van artikel 139d Sr van belang of met een GPS-tracker wederrechtelijk gegevens kunnen worden afgetapt, zoals in dit artikel strafbaar is gesteld. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende.

Op grond van voornoemd artikel moet er sprake zijn het ‘op een bepaalde plaats aanwezig doen zijn van een technisch hulpmiddel, met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen’.

Anders gezegd, het is de vraag of zo’n GPS-tracker, als deze onder een auto wordt geplakt, de gegevensoverdracht door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk aftapt. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Een GPS-tracker geeft, via een simkaart, zijn eigen actuele locatiegegevens (lengte- en breedtegraad, hoogte en tijd) door. Die locatie is vervolgens op een laptop of mobiele telefoon met behulp van daarvoor bestemde software te zien. Er wordt dus geen gegevensoverdracht van een geautomatiseerd werk van derden afgetapt. De gegevens die op de laptop of telefoon zijn te zien, zijn namelijk gegevens die door de GPS-tracker zelf worden gegeven, zodat er geen sprake is van het wederrechtelijk aftappen van gegevens. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte ook van feit 1 subsidiair vrijspreken.

3.3.2.

Ten aanzien van feit 2

Overtreding van het pressieverbod?

Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de motorscooter voor iemand anders in de box heeft gestald en dat deze geen nummers had. De raadsman heeft verzocht om deze verklaring van het bewijs uit te sluiten omdat de verhorende rechercheur heeft gehandeld in strijd met het pressieverbod. Zo heeft de rechercheur – onder meer – gedreigd om, als verdachte niet verklaart, langs zijn moeder te gaan om haar te horen. De rechtbank is het, net als de officier van justitie, met de raadsman eens dat de manier waarop dit verhoor is gegaan, vragen oproept. Het staat wel vast dat de verhorende verbalisant de nodige druk heeft uitgeoefend op de verdachte. De vraag die moet worden beantwoord is of de door de verbalisant uitgeoefende druk als ongeoorloofd moet worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank is de verhorende rechercheur net binnen de grenzen gebleven van wat toelaatbaar is. Daar komt bij dat verdachte op een later moment, zoals op de terechtzitting, aan had kunnen geven dat de verklaring over het stallen van de motorscooter niet juist was. Dat heeft hij echter niet gedaan. Er is daarom ook geen aanleiding te veronderstellen dat de verklaring van de verdachte als gevolg van de wijze van ondervragen als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt. De rechtbank zal de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd dan ook gebruiken voor het bewijs.

Vrijspraak diefstal (feit 2 primair)

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte de motorscooter heeft gestolen. Hij zal daarom van de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal worden vrijgesproken.

Opzet- of schuldheling (feit 2 subsidiair)

In de box die bij de woning van verdachte hoort, wordt op 9 oktober 2015 de betreffende motorscooter aangetroffen. De rechtbank gaat uit van verdachtes verklaring dat hij deze daar voor iemand anders heeft gestald. Verdachte heeft de motorscooter dus voorhanden gehad. Uit de aangifte blijkt dat de motorscooter ergens tussen 20 mei en 12 juni 2014 is gestolen. Nu verdachte van diefstal van de motorscooter wordt vrijgesproken, is de vraag of is bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan heling. Van opzetheling is sprake als verdachte op het moment dat hij de motorscooter voorhanden krijgt, weet dat deze door misdrijf verkregen is. Van schuldheling is sprake als verdachte op dat moment had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is bewezen dat verdachte, op het moment dat hij de motorscooter voorhanden kreeg, wist dat deze was gestolen. Er is daarom geen sprake van opzetheling. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte wel moeten vermoeden dat het een gestolen motorscooter betrof. Immers betrof het een motorscooter zonder nummers, zoals bijvoorbeeld een chassisnummer. Verdachte heeft geen verder onderzoek gedaan naar de herkomst van de motorscooter en hij heeft deze toch in zijn box gestald. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan schuldheling.

3.4.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

4 Bewezenverklaring

Bewezen is dat verdachte

in de periode van 12 juni 2014 tot en met 9 oktober 2015 te Amsterdam een motorscooter (merk Piaggio, type Gilera, Duits kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die motorscooter had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, in het geval van een veroordeling, aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die gelijk is aan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldheling van een motorfiets. Hij heeft een motor die niet van hem was in de box bij zijn woning gestald. Daarmee heeft hij eraan bijgedragen dat de eigenaar van de motorfiets hier niet over kon beschikken. Verdachte verdient hiervoor een straf. Bij gebreke van oriëntatiepunten die de rechters onderling hebben afgesproken voor heling zoekt de rechtbank aansluiting bij de oriëntatiepunten voor diefstal van vervoermiddelen. Deze geven in het geval van diefstal van een brommer of scooter een taakstraf van 30 uur aan, bij diefstal van een motorfiets door braak of verbreking geven deze oriëntatiepunten een taakstraf van 120 uur aan. De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf opleggen en houdt bij het bepalen van de hoogte van de taakstraf rekening met de omstandigheid dat het een feit is dat lange tijd geleden is gepleegd.

Gelet op het voorgaande legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op van 40 uren, met aftrek van voorarrest.

8 Ten aanzien van het beslag

Onder verdachte is een aantal voorwerpen in beslag genomen, waaronder twee iPhones. De raadsman heeft namens verdachte verzocht om teruggave van zijn iPhone. De rechtbank zal beslissen dat alle inbeslaggenomen voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, zodat verdachte de iPhone die hem toebehoort terug kan krijgen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair en 2 primair niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘schuldheling’.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van VEERTIG (40) uren, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht naar de maatstaf van twee (2) uren per dag.

Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van twintig (20) dagen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1. Telefoon SAMSUNG (5060602);

2. Telefoonkaart LYCA (5060603);

3. Papier (5060605);

4. Gereedschap ACCU (5060607);

5. Plakband (5060608);

6. Telefoontoestel IPHONE (5060672);

7. Telefoontoestel IPHONE (5060914);

8. Motorfiets GILERA PIAGIO (5060959);

9. Portemonnee BEN SPORTIEF (5061021);

10. Identiteitsbewijs (5061025);

11. Pas MONTES LYC studenten (5061026);

12. Pas OBA BIEB (5061029);

13. Pas ABN AMRO wereld (5061031).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.E. Geradts, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en A. Meester, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 september 2019.

mr. A. Meester is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

[...]