Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6801

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
AWB - 19 /4647 en 19/4605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Een basisschool mocht een kind van school verwijderen door de het gedrag van de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 19/4647 en AMS 19/4605

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2019 in de zaak tussen

[moeder] , te [woonplaats] , moeder

(gemachtigde: mr. T.P. Schut),

en

Stichting Openbaar Basisonderwijs Westelijke Tuinsteden, de school

(gemachtigde: mr. H.J. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 (het primaire besluit) heeft de school [kind] ( [kind] ) verwijderd van openbare basisschool [basisschool 1] (basisschool [basisschool 1] ). Daartegen heeft moeder bezwaar gemaakt en om een voorlopige voorziening verzocht. In de uitspraak van 13 juni 2019 (AMS 19/2716) heeft de voorzieningenrechter bepaalt dat [kind] vanaf maandag 17 juni 2019 tot en met de laatste dag van het schooljaar zal worden toegelaten op basisschool [basisschool 1] om het schooljaar af te maken.

Bij besluit van 7 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft de school het bezwaar van moeder ongegrond verklaard.

Moeder heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De school heeft op 12 september 2019 een schriftelijke reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2019. Moeder is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De school heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] en [naam 2] . De voorzieningenrechter heeft tijdens een korte schorsing van het onderzoek op de zitting met [kind] gesproken zonder dat de school en moeder daarbij aanwezig waren. Daarna heeft de voorzieningenrechter het onderzoek op de zitting weer hervat en het onderzoek vervolgens gesloten

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

Inleiding

1. De voorzieningenrechter stelt – net als de school, de vorige voorzieningenrechter en de bezwaaradviescommissie – voorop dat [kind] een rustige leerling is en dat met [kind] geen enkel probleem bestaat. De voorzieningenrechter constateert verder dat [kind] niets te verwijten valt en dat uit het dossier blijkt dat hij van basisschool [basisschool 1] is verwijderd door het gedrag van zijn ouders.

De eerdere uitspraak van 13 juni 2019 van de voorzieningenrechter

2.1

In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat op basis van het dossier en wat destijds op de zitting is gezegd, genoegzaam is komen vast te staan dat sprake is van een ernstig verstoorde relatie tussen de ouders van [kind] en de school. Deze verstoorde relatie komt door de incidenten van 5 november en 4 en 6 december 2018 die moeder niet had betwist. De verstoorde relatie achtte de voorzieningenrechter in grote mate te wijten aan de ouders, en met name vader [vader] (de vader van [kind] ).

2.2

De voorzieningenrechter oordeelde, mede gelet op artikel 40 van de Wet op het primair onderwijs (Wpo) dat voldoende aannemelijk was dat deze incidenten en de verstoorde relatie invloed hebben (gehad) op het ordelijk functioneren van de school als geheel en op de individuele leerkrachten. De voorzieningenrechter heeft ook geconstateerd dat het school- en pleinverbod niet genoeg hebben geholpen om de gemoederen tot bedaren te brengen, want twee van de drie incidenten hebben ná dat verbod plaatsgevonden. De voorzieningenrechter was dan ook van oordeel dat de verwijdering van [kind] van school als laatste redmiddel kon worden beschouwd om de verstoorde relatie en de daardoor ontstane situatie het hoofd te bieden en dat daar voldoende aanleiding voor was.

2.3

De voorzieningenrechter was echter van oordeel dat de directe aanleiding voor de verwijdering in het primaire besluit onvoldoende door de school was gemotiveerd. De voorzieningenrechter heeft vervolgens de belangen afgewogen van de school en die van [kind] . Het belang van [kind] om onderwijs te volgen (dat hij toen niet kreeg) gaf op dat moment de doorslag. De voorzieningenrechter heeft daarbij acht geslagen op de omstandigheid dat tussen de meivakantie en de zomervakantie nog maar zeven weken resteerden. Uit de belangenafweging van de school op de zitting werd het de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom [kind] voor de korte tijd die restte van school moest worden verwijderd en waarom niet voor het einde van het schooljaar was gekozen. Daarom heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [kind] vanaf het einde van de meivakantie weer moest worden toegelaten op basisschool [basisschool 1] om groep 7 af te maken.

2.4

Na deze uitspraak heeft [kind] groep 7 op basisschool [basisschool 1] afgemaakt.

Waar het partijen nu om gaat

3.1

Na de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft, een hoorzitting bij de bezwaaradviescommissie plaatsgevonden en deze heeft op 23 juli 2019, in de zomervakantie, advies uitgebracht. Het advies van de bezwaaradviescommissie was om [kind] niet van school te verwijderen, omdat het gedrag van moeder op zichzelf niet dusdanig was dat een verwijdering van [kind] was gerechtvaardigd. De bezwaaradviescommissie heeft voorgesteld om vader [vader] (nog) een school- en pleinverbod op te leggen, omdat dat wel leek te werken. Ook vond de bezwaaradviescommissie dat de school zich in het kader van de zorgplicht te weinig had ingespannen om [kind] op een andere school geplaatst te krijgen.

3.2

De school heeft in het bestreden besluit besloten om, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie, [kind] van school te verwijderen. [kind] zit sinds het begin van dit schooljaar thuis en gaat niet naar school.

3.3

De vraag die de voorzieningenrechter nu moet beantwoorden is of de school in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [kind] van school te verwijderen. Met andere woorden: mag [kind] ook groep 8 op basisschool [basisschool 1] beginnen en afmaken? [kind] en zijn ouders willen dat graag. De school ziet daar – gelet op de voorgeschiedenis met de ouders van [kind] – geen ruimte voor en heeft daarom het bezwaar van moeder ongegrond verklaard.

De beoordeling door de voorzieningenrechter

4.1

Het primaire besluit bevatte een motiveringsgebrek ten aanzien van de aanleiding voor de verwijdering van [kind] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat gebrek in het bestreden besluit voldoende hersteld. In het bestreden besluit heeft verweerder voldoende gemotiveerd weergegeven dat het incident van 6 december 2019 waarbij [naam 1] door vader [vader] is bedreigd en de verregaande bemoeienis van de ouders met de organisatorische gang van zaken op de school aanleiding is geweest voor de verwijdering van [kind] .

4.2

De vraag is vervolgens of de school met de motivering in het bestreden besluit, zoals nader is toegelicht in het verweerschrift en op de zitting, voldoende oog heeft gehad voor de belangen van [kind] en op goede gronden is afgeweken van het advies van de bezwaaradviescommissie. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.3.1

Het belang van [kind] is in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet. Ook op de zitting heeft [kind] zelf goed weten te verwoorden waarom hij graag op basisschool [basisschool 1] wil blijven: hij heeft daar zijn vriendjes, zijn klas kent hij al sinds groep 1 en hij wil graag met zijn klas zijn basisschoolperiode goed afsluiten. Groep 8 is een belangrijk schooljaar, dus met name in dat jaar zijn rust en stabiliteit in het onderwijs in het belang van [kind] . De voorzieningenrechter begrijpt voorts goed dat basisschool [basisschool 1] voor [kind] een bekende en dus veilige omgeving is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de school het belang van [kind] inzichtelijk en kenbaar betrokken in zijn besluitvorming, maar hoefde de school daar in dit geval geen doorslaggevende betekenis aan toe te kennen.

4.3.2

In het verweerschrift en op de zitting heeft de school nader gemotiveerd dat de handelwijze van de school na het incident van 6 december 2018 geen lange termijn oplossing is. De school heeft terecht gesteld dat het niet in het belang is van [kind] dat het zijn ouders wordt verboden om gedurende een heel schooljaar op school te komen en alle communicatie over hem via de mail of via anderen te laten plaatsvinden. Dat de situatie tijdens het schoolverbod van de ouders hierdoor enigszins gekalmeerd was, betekent niet dat een dergelijke situatie genormaliseerd dient te worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan niet van de school worden gevraagd dat deze situatie een heel schooljaar wordt volgehouden. De voorzieningenrechter hecht daarbij ook waarde aan de omstandigheid dat, zoals door de school is toegelicht op de zitting, bij zowel de docent van [kind] als bij de docenten die getuige zijn geweest van het incident op 6 december 2018 sterke gevoelens van onveiligheid en angst bestaan. De docenten lopen op eieren waar het de omgang met [kind] betreft, uit angst voor een reactie van een van de ouders. Het betoog van moeder dat het met die angstgevoelens van de docenten wel meevalt, omdat zij moeder op straat gewoon groeten, volgt de voorzieningenrechter niet. Dat de docenten uit beleefdheid de moeder groeten, betekent immers niet dat zij voornoemde gevoelens niet ervaren. Dat een leerkracht per mail heeft laten weten dat zij het jammer vindt dat [kind] van school moet, zegt evenmin iets over de gevoelens van die betreffende docent voor de ouders van [kind] .

4.3.3

Volgens moeder moet onderscheid worden gemaakt tussen haar gedag en dat van vader [vader] . Haar gedrag viel wel mee, het was vader [vader] die zich het meest misdroeg en daar kan zij niets aan doen, aldus moeder. De voorzieningenrechter volgt dit betoog niet. De bedreiging en vernieling op 6 december 2019 zijn dan wel gepleegd door vader [vader] , maar moeder was ook in de school aanwezig en heeft bovendien staan schreeuwen in de school. Daarnaast heeft moeder zich blijkens het dossier ook eerder meerdere malen misdragen in de school.

4.3.4

Voor de voorzieningenrechter is verder van belang dat de school niet over één nacht ijs is gegaan bij de verwijdering van [kind] . Blijkens het verweerschrift en de nadere toelichting op de zitting heeft de school in de maanden december 2018, januari en februari 2019 met dertien scholen contact opgenomen om [kind] op een andere school geplaatst te krijgen. Uiteindelijk had basisschool [basisschool 2] mogelijk plek, maar omdat moeder niet wilde meewerken aan de uitwisseling van persoonsgegevens is plaatsing op die school niet meer gelukt. Hetzelfde geldt voor de basisscholen [basisschool 3] en de [basisschool 4] . Volgens moeder zijn deze drie scholen niet geschikt omdat zij katholiek en/of te ver weg zijn. Inmiddels heeft de school plek gevonden bij basisschool [basisschool 5] (onderdeel van de stichting van de school) en kan [kind] daar per direct terecht – ongeacht of moeder meewerkt aan de uitwisseling van persoonsgegevens of niet. Ook deze school is volgens moeder echter niet geschikt, vanwege een ander leersysteem. Met de school is de voorzieningenrechter van oordeel dat nu niet meer gezegd kan worden dat de school niet aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Moeder heeft vier alternatieve scholen, zonder duidelijk goede reden, afgewezen. De school kan niet aan de gang blijven.

Conclusie

4.4

De voorzieningenrechter is samenvattend van oordeel dat de school in het bestreden besluit voldoende heeft toegelicht wat de directe aanleiding is geweest voor de verwijdering van [kind] . De school heeft daarbij kenbaar de belangen van [kind] betrokken en inzichtelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in zijn nadeel uitvalt. De school heeft dan ook voldoende gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van de bezwaaradviescommissie. Dit betekent dat basisschool [basisschool 1] [kind] van school heeft mogen verwijderen en dat [kind] groep 8 op een andere school zal moeten volgen.

5. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist wijst de voorzieningenechter het verzoek af. Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht door verweerder bestaat geen aanleiding.

Hoe nu verder?

6. De voorzieningenrechter hecht eraan op te merken het belangrijk is dat [kind] zo spoedig mogelijk weer naar een school gaat. Basisschool [basisschool 1] gaat het, gelet op deze uitspraak, niet worden. De voorzieningenrechter geeft moeder dan ook mee om basisschool [basisschool 5] daadwerkelijk een kans te geven. Het is in het belang van [kind] om zo snel als mogelijk aan groep 8 te beginnen en die mogelijkheid wordt hem daar geboden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2019.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden per mail aan partijen op: 17 september 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.