Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6780

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2019
Datum publicatie
01-10-2019
Zaaknummer
7478477 CV EXPL 19-1800
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheidspensioen, pensioenreglement, aanvraag niet tijdig gedaan, toekenning arbeidsongeschiktheidspensioen geen administratieve handeling, vordering op werkgever verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-1032
PS-Updates.nl 2019-1180
PJ 2019/133
PR-Updates.nl PR-2019-0156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7478477 CV EXPL 19-1800

vonnis van: 16 september 2019

fno.: 811

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

nader te noemen: [eiseres] ,

gemachtigde: mr. H.M.J. van den Hurk,

t e g e n

1 de stichting

STICHTING PENSIOENFONDS NOTARIAAT,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

nader te noemen: SNP,

gemachtigde: mr. B.S. Hagemann,

2. de naamloze vennootschap

DE BRAUW BLACKSTONE WESTBROEK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen: De Brauw,

gemachtigden: mrs. J.W. de Bruin en A. Mazreku.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:

- de dagvaardingen van 12 november 2018, met producties;
- de conclusie van antwoord van SNP;

- de conclusie van antwoord van De Brauw;
- het instructievonnis van 8 april 2019, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
- de dagbepaling comparitie;

- een fax van [eiseres] van 15 juli 2019 met bijlagen.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 15 juli 2019. [eiseres] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. Namens SNP zijn [vertegenwoordiger SNP 1] en [vertegenwoordiger SNP 2] verschenen, vergezeld door de gemachtigde. Namens De Brauw is [vertegenwoordiger De Brauw] verschenen, vergezeld door de gemachtigden. Partijen zijn gehoord, [eiseres] en De Brauw mede aan de hand van een pleitnotitie van hun gemachtigde, en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1.1.

SNP is op 1 maart 2017 ontstaan na een fusie tussen Stichting Bedrijfspensioenfonds voor medewerkers in het Notariaat en Stichting Notarieel Pensioenfonds (SNPF). Zowel voor als na de fusie zal het pensioenfonds hieronder steeds worden aangeduid als SNP.

1.2.

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1960, werkte vanaf 1987 bij De Brauw als kandidaat-notaris. Zij bouwde daarbij pensioenaanspraken op bij SNP.

1.3.

In januari 2002 heeft [eiseres] zich ziek gemeld in verband met een burn-out. Bij brief van 25 december 2002 heeft het UWV GAK aan [eiseres] medegedeeld dat zij vanaf 6 januari 2003 80-100% arbeidsongeschikt is.

1.4.

De Brauw heeft [eiseres] per 6 januari 2003 afgemeld bij SNP vanwege het verstrijken van het eerste ziektejaar. Op 24 februari 2003 heeft De Brauw SNP nader geïnformeerd over de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] , met overlegging van het besluit van UWV.

1.5.

In artikel 7 van het toepasselijke pensioenreglement is vermeld:

“1. Recht op arbeidsongeschiktheidspensioen heeft een deelnemer of gewezen deelnemer die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en, op het ogenblik dat hij geheel of gedeeltelijk ophoudt als notaris of kandidaat-notaris werkzaam te zijn, naar het oordeel van het bestuur geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, (…)”.

Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende tabel: (…)

65% of meer 100%.

De hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt aangepast indien naar het oordeel van het bestuur de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd. (…)”.

In artikel 8 van het toepasselijke pensioenreglement is vermeld:

“1. Bij het doen van een aanvraag voor arbeidsongeschiktheidspensioen dient de aanvrager tevens een schriftelijk advies van de behandelend arts rechtstreeks te doen toekomen aan de medisch adviseur van het fonds. Deze aanvraag moet worden ingediend binnen twee maanden nadat de aanvrager wegens arbeidsongeschiktheid geheel respectievelijk gedeeltelijk is opgehouden als notaris of kandidaat-notaris werkzaam te zijn.

2. Het bestuur wijst één of meer deskundigen aan voor een onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van de betrokkene. (…)

4. Het bestuur beoordeelt aan de hand van de uitgebrachte rapporten of betrokkene uit hoofde van daarin geconstateerde ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt geacht. (…)”

In artikel 9 van het toepasselijke pensioenreglement is vermeld:

“(…)2, Het arbeidsongeschiktheidspensioen eindigt:

(…)

d. op de eerste dag van de maand samenvallend met of volgend op het tijdstip waarop de rechthebbende, voordat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, naar het oordeel van het bestuur niet meer arbeidsongeschikt is; (…)

3. Het bestuur neemt een beslissing als bedoeld in het vorige lid onder letter d slechts nadat een deskundigen-onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van de rechthebbende heeft plaats gehad. (…).

4. Indien de rechthebbende niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek als bedoeld in het vorige lid, verliest hij het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen (…)”.

In artikel 10 van het toepasselijke pensioenreglement is bepaald:

1. Gedurende de periode waarover arbeidsongeschiktheidspensioen wordt uitgekeerd, wordt het deelnemerschap voortgezet zonder dat voor de deelnemer bijdragen zijn verschuldigd, een en ander conform de volgende tabel (…)

65% of meer 100%.(…)”.

1.6.

Bij e-mailbericht van 22 oktober 2003 heeft [eiseres] het volgende aan de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) gestuurd:

“In verband met het afwikkelen van mijn echtscheiding ontvang ik graag een opgave van mijn opgebouwde pensioenrechten. Voorts verneem ik graag of ik stappen moeten ondernemen in verband met mijn langdurige ziekte. Ik was tot januari 2002 werkzaam bij De Brauw Blackstone Westbroek N.V. (kantoor Rotterdam) en ben vanaf deze datum ziek thuis.”

1.7.

Bij brief van 4 november 2003 heeft SNP hierop onder meer als volgt gereageerd:

“(…) Het had u bekend kunnen zijn dat u bij het fonds ook verzekerd bent tegen arbeidsongeschiktheid. Een melding moet worden gedaan binnen twee maanden nadat men is opgehouden werkzaam te zijn. Aangezien uw werkgever u per 6 januari 2003 heeft afgemeld had uw aanvraag voor arbeidsongeschiktheidspensioen vóór 6 maart j.l. het fonds moeten hebben bereikt. Ik ben evenwel bereid een eventuele aanvraag alsnog in behandeling te nemen, (…)”

1.8.

Bij e-mailbericht van 18 november 2003 heeft [eiseres] aan [medewerkster De Brauw 1] , [functie] van De Brauw, onder meer bericht:

“(…) Zijn er verder nog dingen die geregeld moeten worden, zoals mededeling aan de kamer van toezicht of zo? En hoe zit het met het notarieel pensioenfonds? (…)”

1.9.

Bij e-mailbericht van 20 november 2003 heeft [medewerkster De Brauw 1] onder meer als volgt gereageerd:

“(…) Als bekend is per wanneer het dienstverband wordt beëindigd, zullen wij de KNB informeren. Ook het Notarieel Pensioenfonds wordt door ons op de hoogte gesteld. Dat betekent dat er verder geen stortingen worden gedaan en dat de polis premievrij wordt gemaakt. Het opgebouwde kapitaal wordt door hun beheerd totdat jij de pensioengerechtigde leeftijd hebt bereikt. (…)”.

1.10.

Bij e-mailbericht van 4 januari 2004 heeft [eiseres] aan [medewerkster De Brauw 1] onder meer bericht:

“(…) Onlangs heb ik zelf bij het notarieel pensioenfonds verzocht om stappen die ik moest nemen in verband met mijn arbeidsongeschiktheid. ik heb een brief ontvangen dat ik binnen 1 maand na berichtgeving door de werkgever (dat schijnt in februari 2003 gebeurd te zijn) een verzoek om een arbeidsongeschiktheidspensioen had moeten doen. zij zijn wel nog bereid een verzoek in behandeling te nemen, doch zonder terugwerkende kracht. ik was er helemaal niet van op de hoogte dat zoiets bestond, en baal er natuurlijk van dat ik die uitkering in 2003 over 10 maanden heb gemist. Ik heb nu zelf een verzoek ingediend met het verzoek alsnog terugwerkende kracht te verlenen. Ik vraag mij af of kantoor bereid is om mijn verzoek om terugwerkende kracht bij te zetten. (…)”

1.11.

Bij e-mailbericht van 12 januari 2004 heeft [medewerkster De Brauw 1] hierop onder meer als volgt gereageerd:

“(…) Arbeidsongeschiktheidspensioen

Ik zou graag even willen wachten op bericht van het notarieel pensioenfonds over de hoogte van de maandelijkse uitkering en per wanneer deze uitkering aan je wordt uitbetaald. Dan weten we ook hoe hoog de schade is. Misschien kan je het morgen bij de lunch ook nog even met [betrokkene] bespreken. (…)”.

1.12.

Met een ontslagvergunning heeft De Brauw [eiseres] op grond van haar twee jaar durende arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2004 ontslagen.

1.13.

Bij e-mailbericht van 4 maart 2013 schrijft [eiseres] aan [medewerker De Brauw 2] van De Brauw over “de problematiek mbt mijn recht op arbeidsongeschiktheidspensioen (uitkering) en mijn pensioen (premievrijstelling ivm opbouw pensioen)”, met reminders daarna op 13 mei en 16 juli 2013.

1.14.

Bij brief van 21 januari 2014 heeft SNP aan [eiseres] onder meer het volgende bericht:

“(…) Naar aanleiding van de telefonische vraag van uw ex-werkgever De Brauw Blackstone Westbroek d.d. 23 oktober 2013 waarom u geen arbeidsongeschiktheidspensioen ontvangt, hebben wij uw dossier bekeken.

Uit uw dossier blijkt dat u nimmer een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidspensioen heeft ingediend. (…) Volledigheidshalve informeren wij u dat het inmiddels niet meer mogelijk is alsnog een aanvraag in te dienen omdat u op grond van het pensioenreglement deelnemer dient te zijn op het moment dat u de aanvraag indient. (…)”.

1.15.

Bij brief van 26 mei 2015 heeft de gemachtigde van [eiseres] SNP gesommeerd tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de pensioenovereenkomst en aansprakelijk gesteld voor de geleden schade.

1.16.

Bij brief van 15 september 2015 heeft SNP hierop gereageerd en medegedeeld dat het bestuur uit coulanceoverwegingen over gaat tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling met ingang van de datum van het bestuursbesluit, zonder daar terugwerkende kracht aan te koppelen.

1.17.

Bij brief van 16 augustus 2017 heeft de gemachtigde namens [eiseres] op grond van de Klachten- en geschillenregeling een geschil aanhangig gemaakt bij SNP.

1.18.

Bij brief van 2 november 2017 heeft SNP aan de gemachtigde van [eiseres] medegedeeld dat het bestuur het eerder ingenomen besluit handhaaft, maar uit coulanceoverwegingen alsnog overgaat tot toekenning van een arbeids-ongeschiktheidspensioen en premievrijstelling met ingang van 1 januari 2009.

1.19.

Op 12 november 2018 is de dagvaarding in deze procedure aan SNP en De Brauw betekend.

1.20.

[eiseres] is tot op de dag van vandaag volledig arbeidsongeschikt.

Geschil

2 [eiseres] vordert dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis
SNPwordt veroordeeld om haar met terugwerkende kracht te brengen in de positie waarin zij had behoren te verkeren als haar arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid vanaf 6 januari 2003 wel op juiste wijze zouden zijn uitgevoerd, om alsnog tot betaling aan haar over te gaan van het arbeidsongeschiktheidspensioen vanaf 6 januari 2003 tot en met 1 januari 2009, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging en haar een opgave te verstrekken van de haar aldus toekomende uitkeringen alsmede de van premie vrijgestelde pensioenopbouw te bewerkstelligen vanaf 6 januari 2003 tot en met 1 januari 2009, met verstrekking van opgave daarvan;

De Brauw wordt veroordeeld tot nakoming van de arbeidsovereenkomst en tot het verrichten van alle handelingen en medewerking, zodanig dat alsnog aan haar haar arbeidsongeschiktheidspensioen vanaf 6 januari 2003 tot en met 1 januari 2009 wordt uitgekeerd door SNP, dan wel De Brauw te veroordelen tot uitkering van bedoeld arbeidsongeschiktheidspensioen vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging en dat De Brauw wordt veroordeeld tot nakoming van de arbeidsovereenkomst en aldus tot medewerking en het verrichten van alle handelingen welke noodzakelijk zijn om te bewerkstelligen dat zij in de positie wordt gebracht waarin zij had behoren te verkeren als wel vanaf 6 januari 2003 aan haar premievrijstelling was verleend, althans dat De Brauw wordt veroordeeld om al datgene te doen dat nodig is zodat voor haar alsnog vanaf 6 januari 2003 haar pensioen premievrij wordt voortgezet;

SNP en De Brauw hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de belastingschade ter grootte van een bedrag van € 21.850,16, immateriële schadevergoeding ten bedrage van € 25.000,00 en € 35.348,51 aan kosten voor juridische bijstand, vermeerderd met de wettelijke rente.

3. Aan deze vorderingen legt [eiseres] ten grondslag dat haar pensioenaanspraken rechtstreeks voortvloeien uit het pensioenreglement, deze niet vervallen of verjaren en dan ook door SNP en/of De Brauw dienen te worden nagekomen. Verder stelt [eiseres] dat De Brauw zich niet als goed werkgever heeft gedragen, omdat zij haar niet goed heeft voorgelicht over wat zij moest doen om in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling. Nu De Brauw en SNP hun verplichtingen niet zijn nagekomen, heeft [eiseres] schade geleden waarvoor De Brauw en SNP hoofdelijk aansprakelijk zijn.

4. SNP en De Brauw hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen zal hieronder voor zover van belang nader worden ingegaan.

Beoordeling

5. Vaststaat dat [eiseres] vanaf 6 januari 2003 een arbeidsongeschiktheidspensioen had kunnen aanvragen. Hoewel zij in het e-mailbericht van 4 januari 2004 (zie hiervoor 1.10) aan De Brauw heeft meegedeeld dat zij dit heeft gedaan, is onbetwist gebleven dat SNP vóór 26 mei 2015 geen aanvraag arbeidsongeschiktheidspensioen van [eiseres] heeft ontvangen. Verder staat vast dat [eiseres] in 2017 alsnog een arbeidsongeschiktheidspensioen is toegekend en dat deze uit coulance met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2009 is uitgekeerd met premievrijstelling.

SNP

6. Het geschil ten aanzien van SNP spitst zich toe op de vraag of SNP is gehouden ook arbeidsongeschiktheidspensioen (en premievrijstelling) over de periode 6 januari 2003 tot 1 januari 2009 toe te kennen. Ingevolge artikel 8 lid 1 van het toepasselijke pensioenreglement diende [eiseres] binnen twee maanden, te weten vóór 6 maart 2003 een aanvraag in te dienen. Nu zij dit niet heeft gedaan, voert SNP aan dat zij niet gehouden is met terugwerkende kracht pensioen toe te kennen. [eiseres] stelt hiertegen over dat geen sprake is van toekennen van pensioen, maar dat haar recht daarop van rechtswege voortvloeit uit haar verplichte deelname in het pensioenfonds en verwijst daarbij naar een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2012:BT8462) en naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2016:1751). SNP voert daartegen aan dat zij, anders dan bij het ouderdomspensioen, zelf de arbeidsongeschiktheid onderzoekt met behulp van een medisch deskundige en ook tijdens de arbeidsongeschiktheid onderzoekt of re-integratie mogelijk is. Nu niet tijdig een aanvraag is gedaan, doch tien jaar na dato, zijn deze mogelijkheden SNP ontnomen.

7. Ingevolge artikel 7 van het toepasselijke pensioenreglement heeft een werknemer recht op arbeidsongeschiktheidspensioen op het ogenblik dat hij geheel of gedeeltelijk ophoudt als notaris of kandidaat-notaris werkzaam te zijn én naar het oordeel van het bestuur geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Anders dan het recht op ouderdomspensioen, is het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen volgens dat artikel van het reglement dan ook afhankelijk gesteld van het oordeel van het bestuur. Daarbij is ook de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen afhankelijk gesteld van de mate van arbeidsongeschiktheid. In artikel 9 is bovendien de duur van het arbeidsongeschiktheidspensioen afhankelijk gesteld van het oordeel van het bestuur ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid. Anders dan ten aanzien van het ouderdomspensioen moet dan ook worden geoordeeld dat toekenning van het arbeidsongeschiktheidspensioen geen administratieve handeling betreft, maar een inhoudelijk oordeel daarover van het bestuur vereist. In artikel 7 en 9 is daarvoor een procedure beschreven, waaronder de benoeming van een medisch deskundige. Dat in artikel 8 van het reglement wordt verlangd van de deelnemer om binnen twee maanden nadat hij gestopt is met werken een aanvraag te doen en een schriftelijk advies van de behandelend arts rechtstreeks te doen toekomen aan de medisch adviseur van het fonds, is dan ook legitiem. Op die manier kan het bestuur zelf een oordeel vormen over de (mate van) arbeidsongeschiktheid van de aanvrager, deze wel of niet toekennen en de mate daarvan vaststellen alsmede daarna de duur ervan monitoren. De mate en duur van arbeidsongeschiktheid is immers geen gegeven, zoals het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd (in het kader van het uitkeren van ouderdomspensioen) wel is. Vraag is evenwel of een aanvraagtermijn van twee maanden om hieraan te kunnen voldoen lang genoeg is voor een deelnemer, die wegens arbeidsongeschiktheid is uitgevallen. [eiseres] heeft echter pas na tien jaar een aanvraag ingediend. Zij heeft daarmee SNP de mogelijkheid ontnomen om zelf te beoordelen of zij toentertijd gehouden was om tot uitkering van het arbeidsongeschiktheidspensioen over te gaan en gedurende tien jaar de (mate van) arbeidsongeschiktheid te monitoren. Dat De Brauw SNP reeds op 6 januari en 24 februari 2003 heeft geïnformeerd over de arbeidsongeschiktheid van [eiseres] en het oordeel van UWV heeft toegestuurd, maakt het voorgaande niet anders. SNP heeft dan ook terecht vanwege de te late aanvraag terugwerkende kracht aan de arbeidsongeschiktheidsuitkering onthouden. Daarbij geldt dat zij coulance halve (uiteindelijk) alsnog terugwerkende kracht heeft toegepast vanaf 1 januari 2009.

8. Conclusie is dan ook dat [eiseres] niet heeft voldaan aan de vereisten van het reglement en daarom thans niet meer in aanmerking komt voor een uitkering van het arbeidsongeschiktheidspensioen met terugwerkende kracht. Dat onbetwist is gebleven dat zij op dat moment in 2003 volgens het UWV volledig arbeidsongeschikt was, maakt het voorgaande niet anders.

9. Nu het recht op premievrijstelling ingevolge artikel 10 van het reglement is gekoppeld aan het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen, heeft SNP op de hierboven vermelde gronden terecht ook terugwerkende kracht aan de premievrijstelling gedurende de periode van 6 januari 2006 tot en met 1 januari 2009 onthouden.

10. Conclusie van het voorgaande is dat de vorderingen jegens SNP zullen worden afgewezen en dat [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij jegens haar zal worden veroordeeld in de proceskosten.

De Brauw

11. De Brauw beroept zich in de eerste plaats op verjaring. Voor zover zij [eiseres] in het e-mailbericht van 20 november 2003 of op enig ander moment niet goed zou hebben voorgelicht over het pensioen, dan was, volgens De Brauw, [eiseres] van de gevolgen daarvan al vanaf 4 januari 2004 op de hoogte, zodat daarna de verjaringstermijn van vijf jaar is aangevangen.

12. Het e-mailbericht van 4 januari 2004 van [eiseres] aan [medewerkster De Brauw 1] van De Brauw (zie 1.10) kan niet anders worden gelezen dan dat [eiseres] op dat moment wist dat zij een aanvraag moest indienen voor haar arbeidsongeschiktheidspensioen en dat het de vraag was of het pensioen met terugwerkende kracht door SNP zou worden toegekend. Conclusie is dan ook dat [eiseres] op 4 januari 2004 bekend was zowel met de schade als met de daarvoor mogelijk aansprakelijke entiteit, zodat de verjaringstermijn ten aanzien van de vordering jegens De Brauw op dat moment is gaan lopen. Nu [eiseres] niet binnen vijf jaar na 4 januari 2004, maar pas op 4 maart 2013, De Brauw heeft geïnformeerd over “de problematiek met betrekking tot haar arbeidsongeschiktheidspensioen” zijn haar vorderingen jegens De Brauw, voor zover deze al bestaan, verjaard.

13. Ook de vorderingen jegens De Brauw worden daarom afgewezen. [eiseres] wordt als de in het ongelijk gestelde partij eveneens veroordeeld in de proceskosten van De Brauw.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiseres] jegens SNP en De Brauw af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van SNP begroot op € 480,00 en aan de zijde van De Brauw begroot op € 480,00;

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 60,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar

uitgesproken op 16 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.