Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6777

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
11-11-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3224
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wabo. Omgevingsvergunning logiesgebouw Aalsmeer. Relativiteitsvereiste. Normen uit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol over geluidgevoelige gebouwen strekken niet tot de bescherming van de belangen van eiseres. Dit geldt ook voor zover eiseres vindt dat de geluidhinder voor de gebruikers van het logiesgebouw onvoldoende is onderzocht. De aspecten geluid, parkeren en actuele regionale behoefte (ladder voor duurzame verstedelijking) zijn voldoende onderzocht. Het college heeft de omgevingsvergunning dan ook in redelijkheid kunnen verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3224

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 september 2019 in de zaak tussen

de besloten vennootschap Duif’s Florist Articles B.V., handelend onder de naam Duif International, te Aalsmeer, eiseres

(gemachtigde: mr. R.A.M. Schram),

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer, verweerder

(gemachtigde: N. Lindeman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap JoiN B.V., te Aalsmeer, vergunninghouder.

Partijen worden hierna aangeduid als Duif, het college en de vergunninghouder.

Procesverloop

Met een besluit van 13 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan de vergunninghouder.

Duif heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 juni 2019. Duif is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [namen] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, E. de Rooy,
[naam 1] (projectmanager) en [naam 2] . De vergunninghouder is vertegenwoordigd door [naam 3] ( [functie] van JoiN B.V.).

Achtergrond

1. Duif is een import- en groothandelsbedrijf voor bloemen, planten, interieur, tuin- en cadeauartikelen. Duif is gevestigd aan de [adres 1] in Aalsmeer.

2. Het college heeft op 24 december 2016 een aanvraag ontvangen voor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het oprichten van een logiesgebouw (short stay), het plaatsen van een erfafscheiding, een overkapping ten behoeve van parkeerplaatsen, een fietsenstalling, een rokersplaats en containers, en het aanleggen van een in- en uitrit op het adres [adres 2] in Aalsmeer. Het project wordt hierna aangeduid als het [hotel] .

3. Op 23 november 2017 heeft het college het ontwerpbesluit tot het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning gepubliceerd in het Gemeenteblad van de gemeente Aalsmeer. Duif heeft daartegen een zienswijze ingediend.

4. Het college heeft met het bestreden besluit aan de vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Volgens het college kan, kort samengevat, worden afgeweken van het geldende bestemmingsplan ‘Green Park Aalsmeer deelgebieden 9 en 10 van de gemeente Aalsmeer’ (het bestemmingsplan), omdat uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de bouwplannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

5. Duif is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, omdat het [hotel] in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt.

6 Voordat de rechtbank toekomt aan een beoordeling van de inhoudelijke beroepsgronden, zal de rechtbank eerst een formeel punt beoordelen.

Beoordeling van een formeel aspect van de procedure

7. Duif heeft zich op het standpunt gesteld dat het college de omgevingsvergunning niet heeft mogen verlenen vanwege het ontbreken van een verklaring van geen bedenkingen.

8. Op grond van artikel 2.27 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) in samenhang met artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is voor een omgevingsvergunning waarbij van het bestemmingsplan wordt afgeweken een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig. De gemeenteraad kan op grond van het derde lid van artikel 6.5 van het Bor categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. De gemeenteraad heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt en in een besluit van 3 oktober 2013 neergelegd dat een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist als een activiteit past binnen een vastgestelde structuurvisie.

9. Met het college is de rechtbank van oordeel dat het [hotel] onder de reikwijdte van het besluit van 3 oktober 2013 valt. Het [hotel] is in overeenstemming met de kernpunten van de Structuurvisie ‘Greenpark Aalsmeer 2016’ (de Structuurvisie).1 Dat betekent dat een verklaring van geen bedenkingen in dit geval niet nodig is. De pas op zitting aangevoerde stelling van Duif dat het [hotel] niet (volledig) past in de Structuurvisie is te laat aangevoerd.

10. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Beoordeling van de inhoudelijke gronden

11. Partijen zijn het erover eens dat het project op meerdere punten in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Duif heeft op de zitting bevestigd dat het beroep zich richt tegen het planologisch strijdig gebruik en het aantal parkeerplaatsen.

12. Het college kan met vergunningverlening van een bestemmingsplan afwijken wanneer de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Bij de beslissing om al dan niet mee te werken aan het afwijken van het bestemmingsplan komt het college beleidsruimte toe. Dat betekent dat de rechtbank alleen beoordeelt of het college het besluit voldoende heeft gemotiveerd en de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Begripsbepaling logiesgebouw/logiesvoorziening

13. Volgens het bestemmingsplan is het [hotel] gelegen op gronden met de bestemming “Bedrijf-2”.

14. Uit de aanvraag volgt dat de vergunninghouder een omgevingsvergunning heeft gevraagd voor het oprichten van een logiesgebouw (short stay) en dat hij het op te richten gebouw in afwijking van de bestemming wil gaan gebruiken voor logiesfuncties (hotel). In de ruimtelijke onderbouwing2 is omschreven dat de vergunninghouder een logiesvoorziening voor tijdelijke arbeidsmigranten wil realiseren onder de naam [hotel] . In het gebouw komen 58 kamers met in totaal 166 bedden, bedoeld voor tijdelijke arbeidsmigranten die via [naam 4] uitzendbureau in dienst zijn bij Groenland B.V. en andere bedrijven, alsmede voor eventuele andere doelgroepen die kortdurend huisvesting binnen Aalsmeer nodig hebben (bijvoorbeeld kort blijvende studenten en bewoners die zijn getroffen door een calamiteit). Het verblijf van de gasten zal in alle gevallen niet langer dan zes maanden duren.

15. Het ontwerpbesluit voorzag in een omgevingsvergunning voor een logiesvoorziening; in het bestreden besluit is een omgevingsvergunning verleend voor een logiesgebouw.

16. Duif heeft bezwaar tegen de wijziging van het op te richten gebouw van ‘logiesvoorziening’ in het ontwerpbesluit naar ‘logiesgebouw’ in het bestreden besluit. Bovendien komen beide begrippen niet voor in het bestemmingsplan.

17. De rechtbank stelt vast dat de begrippen ‘logiesgebouw’ en ‘logiesvoorziening’ niet zijn gedefinieerd in de begripsbepalingen van het bestemmingsplan. Het beoogde gebruik van het [hotel] - zoals omschreven in de ruimtelijke onderbouwing - komt echter volledig overeen met de begripsbepaling voor ‘kamerverhuurbedrijf’ in artikel 1.28, onder b, van het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college daarom kunnen aansluiten bij die definitie. Daar komt bij dat uit de voorschriften van de omgevingsvergunning blijkt dat dit het gebruik is dat is toegestaan. De rechtbank oordeelt daarom dat er geen onduidelijkheid is over het toegestane gebruik.

18. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Woonkarakter?

19. Het [hotel] komt te liggen in het beperkingsgebied van het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib). Op grond van het Lib zijn binnen het beperkingsgebied in principe geen geluidgevoelige gebouwen toegestaan. Op grond van het Lib is een woning een geluidgevoelig gebouw. Vanwege de verblijfsperiode van de gasten en het beoogde gebruik kan het [hotel] volgens Duif niet worden aangemerkt als een logiesgebouw, maar is sprake van een woonkarakter. Dat betekent dat het [hotel] in strijd is met het Lib, aldus Duif.

20. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan leiden tot het vernietigen van het bestreden besluit, gelet op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierin is bepaald dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

21. Uit de Nota van Toelichting3 bij het Lib volgt dat het daarin opgenomen beperkingengebied voor geluidgevoelige gebouwen tot doel heeft om ernstige hinder en ernstige slaapverstoring door vliegtuiglawaai te beperken, omdat dit kan leiden tot negatieve gezondheidseffecten van inwoners en gebruikers van dit gebied. Vanwege de relatief hoge (potentiële) geluidbelasting in dit gebied, zijn nieuwe woningen en andere gebouwen met een geluidgevoelige functie in principe niet toegestaan.

22. De rechtbank concludeert hieruit dat Duif zich beroept op normen die kennelijk niet strekken tot bescherming van haar belang, maar die strekken tot bescherming van de belangen van gebruikers van het [hotel] . Of het [hotel] kan worden aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw, kan daarbij in het midden blijven. De rechtbank laat deze beroepsgrond, die niet kan leiden tot het vernietigen van het bestreden besluit, dan ook buiten beschouwing.

Geluid

23. Volgens Duif had de vergunning vanwege geluidhinder niet verleend mogen worden. Duif vreest dat zij wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering door de huisvesting van arbeidsmigranten op korte afstand van haar bedrijf. De rechtbank overweegt als volgt.

24. Het college heeft acht geslagen op de richtafstanden voor geluid uit de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (de VNG-brochure). Volgens de VNG-brochure geldt voor groothandelsbedrijven in bloemen en planten en consumentenartikelen voor wat betreft geluid een richtafstand van 30 meter tot een rustige woonwijk. Nog daargelaten dat het [hotel] niet te vergelijken is met een rustige woonwijk, wordt aan de richtafstand van 30 meter ruimschoots voldaan.

25. De rechtbank geeft het college hierin gelijk. Niet in geschil is immers dat het [hotel] op 60 meter afstand ligt van het terrein van Duif. De rechtbank vindt het daarom niet aannemelijk dat Duif vanwege geluidhinder zal worden beperkt in haar bedrijfsvoering. De omstandigheid dat Duif recentelijk een perceel heeft gekocht op korte afstand van het [hotel] dateert van na het bestreden besluit en daarmee heeft het college dan ook geen rekening kunnen en hoeven houden.

26. De rechtbank overweegt verder dat het [hotel] niet ligt binnen een geluidszone van een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Voor zover Duif vindt dat de geluidhinder voor de gebruikers van het [hotel] onvoldoende is onderzocht, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond afstuit op het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb.

27. Deze beroepsgronden slagen niet.

Parkeren

28. De omgevingsvergunning voorziet in het realiseren van 65 parkeerplaatsen. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat is uitgegaan van een kengetal van 0,6 tot 0,8 parkeerplaatsen per kamer. Uitgaande van 58 kamers komt dat neer op 35 tot 47 parkeerplaatsen. Omdat het aantal bedden tijdens piekmomenten kan worden uitgebreid en er dan mogelijk meer auto’s worden geparkeerd is in de parkeercapaciteit rekening gehouden met 18 extra parkeerplaatsen. Deze 18 parkeerplaatsen kunnen ook worden gebruikt door personeel. Volgens het college wordt met het aantal van 65 in voldoende parkeerplaatsen voorzien. De verwachting is dat dit aantal niet leidt tot parkeeroverlast. De tijdelijke arbeidsmigranten reizen veelal met een touringcar naar Nederland en worden via groepsvervoer van hun tijdelijke verblijfsplaats naar het werk gebracht.

29. Duif voert aan dat ten onrechte is uitgegaan van 58 kamers. Uit de plattegronden volgt dat er 30 kamers zijn met meerdere slaapvertrekken. Daarbij worden ook de woonkamer-keukens gebruikt als slaapvertrek. Volgens Duif moet daarom worden uitgegaan van 88 kamers zodat het huidige aantal parkeerplaatsen onvoldoende is. Daarnaast voert Duif aan dat ten onrechte niet is voorzien in parkeerplaatsen voor het personeel.

30. De rechtbank volgt Duif hierin niet. Uit de plattegronden bij de aanvraag volgt dat sprake is van 58 kamers. Op de zitting heeft het college toegelicht dat bij kamerverhuur wordt uitgegaan van 0,32 tot 0,39 parkeerplaats per bed. Met het aantal van 65 parkeerplaatsen is bovendien ook voorzien in parkeerplaatsen voor het personeel. De rechtbank stelt vast dat uitgaande van de norm per bed 53 tot 65 parkeerplaatsen nodig zijn. Gezien de toelichting dat veel van de arbeidsmigranten per touringcar naar Nederland reizen, heeft het college inzichtelijk gemaakt dat met 65 parkeerplaatsen aan de parkeerbehoefte als gevolg van het [hotel] wordt voldaan.

31. De uitspraak van de Afdeling4 waarnaar Duif op de zitting heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak lag het migrantenhotel buiten de bebouwde kom en moesten de arbeidsmigranten zelf zorgen voor vervoer tussen het migrantenhotel en hun werkplek. Op de zitting is vastgesteld dat het [hotel] op 200 meter afstand ligt van een winkelcentrum, met onder meer een supermarkt, en daarmee goed bereikbaar is zonder auto. Verder is in het dagelijkse vervoer tussen het [hotel] en de werkplek voorzien met groepsvervoer. Bovendien ligt het [hotel] op loop- en fietsafstand van de werkplekken.

32. De beroepsgronden van Duif slagen niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

33. Niet in geschil is dat het [hotel] een nieuwe stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Omdat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de ontwikkeling.

34. Volgens Duif bestaat in de regio geen behoefte aan de realisatie van het [hotel] .

35. Het college is ingegaan op de actuele behoefte van het [hotel] . Het college verwijst daarvoor naar paragraaf 5.11 van de ruimtelijke onderbouwing, waarin de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking is besproken. Het college heeft toegelicht dat behoefte bestaat aan de logiesvoorziening voor arbeidsmigranten. In het convenant5 is de intentie opgenomen om tussen 2013 en 2018 voor tijdelijke huisvesting 1.700 plaatsen te realiseren in de regio Greenport Aalsmeer. Naar aanleiding van het convenant heeft Aalsmeer zich bestuurlijk gecommitteerd aan de realisatie van 600 plaatsen voor arbeidsmigranten in Green Park Aalsmeer. In dit kader heeft de gemeente Aalsmeer de kadernota ‘tijdelijk huisvesting arbeidsmigranten’ opgesteld en is de realisatie van logiesvoorzieningen verder uitgewerkt in de Structuurvisie 2016. Het [hotel] geeft hier deels invulling aan. Ter voorbereiding van de Structuurvisie heeft er in 2014 en 2015 een marktconsultatie plaatsgevonden. Hieruit is geconcludeerd dat 250-300 bedden de wenselijke omvang is van een arbeidsmigrantenverblijf. Er zijn vervolgens verschillende locaties onderzocht, waarbij de projectlocatie van het [hotel] naar voren kwam als één van de drie geschikte locaties.

36. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, mede onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing, voldoende aannemelijk gemaakt dat er een actuele regionale behoefte bestaat aan deze ontwikkeling en dat deze ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied passend en wenselijk is.

37. Ook deze beroepsgrond van Duif slaagt niet.

Regionale Hotelstrategie 2016-2022

38. Duif voert aan dat het [hotel] ten onrechte niet is beoordeeld aan de hand van de Hotelladder in de Regionale Hotelstrategie 2016-2022 (de Hotelstrategie).

39. De rechtbank overweegt dat het [hotel] is gericht op het verstrekken van nachtverblijf voor een verblijf van minimaal een week en maximaal zes maanden aan personen die elders hun hoofdverblijf behouden. De kamers zullen worden verhuurd aan tijdelijke arbeidsmigranten. Er is dus geen sprake van een regulier hotel waar nachtverblijf per nacht kan worden geboekt door een ieder. De Hotelstrategie en de Hotelladder zijn daarom niet van toepassing.

Belangenafweging

40. Duif voert tot slot aan dat het college geen juiste belangenafweging heeft gemaakt. Het college heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar gevolgen voor de ontwikkeling van het hoogwaardige bedrijventerrein, zodat haar belangen ook niet op juiste wijze in kaart zijn gebracht.

41. Anders dan Duif stelt, heeft het college in het bestreden besluit voldoende rekening gehouden met de belangen van Duif. Duif heeft een zienswijze ingediend. Op deze zienswijze heeft het college gereageerd in zijn nota van beantwoording. Daarnaast is een afweging gemaakt tussen het belang van een goede huisvesting voor arbeidsmigranten en de keuze van een juiste locatie op het bedrijventerrein. Ook de gevolgen van de komst van het [hotel] voor het bedrijventerrein zijn meegewogen. Uit de structuurvisiekaart behorende bij de Structuurvisie volgt dat in het gebied sprake moet zijn van ‘overwegend sierteelt gebonden en logistiek’. Gelet daarop is in het gebied ook ruimte voor andere bedrijven en gebouwen zoals het [hotel] . Ten aanzien van de vrees van Duif dat er meer logiesverblijven voor arbeidsmigranten op het bedrijventerrein zullen worden opgericht, overweegt de rechtbank dat het [hotel] op dit moment het enige initiatief is op het bedrijventerrein Green Park Aalsmeer waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.

Conclusie

42. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd en de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

43. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, voorzitter, en mr. H.B. van Gijn en mr. F.L. Bolkestein, leden, in aanwezigheid van mr. R. Boerlage, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Gelet op pagina 17 en 34 van de Structuurvisie.

2 Zie pagina’s 1 en 6 van de ruimtelijke onderbouwing van 22 februari 2018.

3 Stb. 2017, nr. 402, p. 15 en verder.

4 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1744.

5 Convenant Regio Greenport Aalsmeer inzake huisvesting van Europese arbeidsmigranten in de periode 2013-2018, gesloten ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten.