Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6765

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-09-2019
Datum publicatie
14-11-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4725
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Preventieve last onder dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/4725

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

7 september 2019 in de zaak tussen

de besloten vennootschap [eiseres] ., te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.L. Diepenhorst),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. G.B. van Driel).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekster een preventieve last onder dwangsom opgelegd.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2019. De bestuurder van verzoekster [gemachtigde] is daar verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de kant van verweerder zijn ook nog verschenen [verweerder] (afdelingsmanager handhaving en toezicht) en [persoon] van de afdeling vergunningen.

De voorzieningenrechter heeft na het sluiten van het onderzoek op de zitting onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Overwegingen

1. Het verzoek hangt samen met het bezwaar van 6 september 2019 van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 6 september 2019 om verzoekster een preventieve last op te leggen. Deze preventieve last legt verweerder op omdat verzoekster voornemens is een evenement1 te houden op de [adres] te Amsterdam, zonder dat daar een evenementenvergunning voor is verleend. Het evenement wordt gehouden op [datum] om [datum 2] uur. Indien verzoekster dit evenement toch laat doorgaan, verbeurt zij een dwangsom van € 100.000,-.

2. In het verzoek om een voorlopige voorziening heeft verzoekster een beroep gedaan op de gang van zaken rondom het aanvragen en verkrijgen van een Wabo-omgevingsvergunning2. Verzoekster voert aan dat deze aanvraag is gebeurd in het kader van een door de gemeente gewenste herontwikkeling van het stadsdeel Sloterdijk/Nieuw West, waarbij verzoekster en een aantal andere ondernemers zijn betrokken. Verzoekster voert aan dat die gevraagde omgevingsvergunning een evenementenvergunning overbodig zou maken. Verweerder had op grond van de ontwikkelingen in die Wabo-zaak moeten afzien van handhavend optreden. De activiteit op [datum 4] valt onder het aangevraagde gebruik, aldus verzoekster. Verzoekster wil met het verzoek bereiken dat het evenement doorgang kan vinden.

3.1

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat er geen besluit is met betrekking tot de aanvraag om een omgevingsvergunning, waartegen bezwaar of beroep loopt. Ook onderliggender stukken van een dergelijk besluit ontbreken. Verweerder was ook niet verplicht in deze procedure om daarover stukken in te zenden.

3.2

Er is wel eerder (in juli van dit jaar) een Wabo-besluit genomen op een aanvraag van verzoekster om een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning heeft verweerder toen geweigerd. Tegen die weigering zijn geen rechtsmiddelen aangewend. De stukken die aan die weigering ten grondslag liggen, missen dan ook in deze procedure.

3.3.

Er is wel een nieuwe aanvraag gedaan, maar daar is nog niet op beslist. Die beslissing had er volgens verzoekster wel al moeten zijn. In dat geval had verweerder niet mogen handhaven, althans zo begrijpt de voorzieningenrechter het standpunt van verzoekster.

3.4

Of er niet tijdig op de aanvraag is beslist, is bij wat er nu aan dossier ligt, niet eenduidig vast te stellen. Zoals op de zitting is gebleken, hebben partijen in het kader van een gedeformaliseerde aanpak veel onderling overleg gehad over aanpassingen van verkeers- en veiligheidsplannen en de completering van de aanvraag. In dat kader zijn mogelijk ook in onderling overleg termijnen verlengd. Er is ook geen beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing.

3.5

Maar zelfs al zou moeten worden aangenomen dat de beslissing te lang op zich heeft laten wachten, dan is nog niet gezegd dat er een inwilligend besluit zou worden genomen. Het tijdsverloop is dan ook geen reden om het verzoek toe te wijzen.

3.6

Volgens verzoekster is er afgelopen woensdag mondeling door de heer [persoon 2] toegezegd dat [datum 3] positief zou worden beslist. Dit heeft [persoon 2] op de zitting echter weersproken. Hij heeft op de zitting verklaard te hebben gezegd positief te zijn over de gang van zaken, maar niets te hebben meegedeeld over de uitkomst, want daar moet op verschillende punten nog nadere ambtelijke beoordeling plaatsvinden. Wel heeft hij gezegd dat hij goede hoop had op een verlening van de omgevingsvergunning.

3.7

Het gaat hier om het woord van de een tegen dat van de ander, zonder nadere documentatie. In dat geval kan een beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen.

3.8

In het kader van de belangenafweging is op de zitting ook nog besproken wat de risico’s zijn van het doorgaan van het evenement. Verweerder heeft daarover gezegd dat dit niet helemaal kan worden overzien, maar het is voor verweerder niet op voorhand een slechts theoretisch punt. Er vindt ook nog een evenement in [bedrijf] plaats en gelet op informatie van de politie moet (ook) daar met inzet van personeel aandacht aan worden geschonken. Dat zou kunnen leiden tot capaciteitsproblemen bij de politie. Verzoeker stelt daar tegenover dat dit allemaal is meegerekend in het veiligheids- en verkeersplan behorende bij de omgevingsvergunning die nu feitelijk compleet is.

3.9

Ook hier geldt dat -bij gebreke aan stukken dienaangaande- niet kan worden vastgesteld of voldoende maatregelen zijn genomen om het evenement veilig doorgang te laten vinden. Het veiligheids- en verkeersplan zoals door verzoekster genoemd kan dan ook geen basis zijn voor het treffen van een voorziening.

4. Er is dus geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding en evenmin om verweerder op te dragen het griffierecht aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R.E. Toonen, griffier, op 7 september 2019.

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

1 Een Afterparty van het ZeeZout Festival 2019.

2 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.