Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:670

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2019
Datum publicatie
08-02-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 3328
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De gemeente heeft terecht een boete van 13.500 euro opgelegd aan een woningeigenaar, omdat hij zijn woning niet volgens de regels aan toeristen heeft verhuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/3328

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Riessen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Brandenburg).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd van € 20.500,-.

Bij besluit van 27 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar in zoverre gegrond verklaard dat de boete is verlaagd tot € 13.500,-.

Eiser heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

Feiten, omstandigheden en besluitvorming

1.1

Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning). De woning heeft de bestemming ‘wonen’. De woning bevindt zich op de tweede verdieping en heeft een woonkamer, een badkamer en twee slaapkamers.

1.2

Op 4 juni 2017 heeft verweerder een ‘melding woonfraude’ ontvangen dat de woning aan toeristen werd verhuurd. Naar aanleiding van deze melding heeft verweerder besloten onderzoek in te stellen naar het feitelijk gebruik van de woning. Op 12 juli 2017 hebben twee toezichthouders van de gemeente de woning bezocht. Van dit bezoek is op dezelfde datum een ondertekend rapport van bevindingen (het rapport), op ambtsbelofte, opgemaakt.

2.1

Verweerder heeft eiser op 17 juli 2017 bericht voornemens te zijn een bestuurlijke boete op te leggen van € 20.500,- wegens overtreding van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 (Hvw), te weten het zonder vergunning onttrekken van woonruimte aan de bestemming tot bewoning. Eiser heeft geen zienswijze op het voornemen gegeven.

2.2

Met het primaire besluit heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete van € 20.500,- opgelegd. Met het bestreden besluit heeft verweerder de boete verlaagd tot € 13.500,-.

Hadden de toezichthouders toestemming de woning te betreden?

3.1

Eiser voert op de zitting aan dat de bevindingen in het rapport niet bij de besluitvorming mogen worden betrokken, omdat de twee hiervoor in 1.2 genoemde inspecteurs geen toestemming hadden de woning te betreden.

3.2

In het rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Wij hebben uitdrukkelijk toestemming verkregen de woning te betreden, hetgeen mij bleek

uit: op genoemde datum en tijd arriveerde mijn collega en ik bij het perceel, [adres]

. lk zag dat er geen naam bij de bel stond die correspondeerde met de tweede etage. Ik

drukte op de bel terwijl mijn collega keek of er iemand uit het raam keek. Vervolgens heb ik

op de deur gebonkt welke toen open ging. Vervolgens hebben mijn collega en ik het pand

betreden. Aangekomen op de tweede etage constateerden wij dat de deur open was. Ik zag

dat de deur niet meer goed sloot en scheef in het kozijn hing, ik voelde dat de deur tevens niet meer dicht te trekken was. Het feit dat de deur scheef hing, de scharnieren uit het verband hingen en het kozijn stuk leek te zijn deed mij vermoeden dat er ingebroken was. Mijn collega deelde deze mening. Ik heb vervolgens een paar keer geklopt en geroepen “goede morgen, gemeente Amsterdam ”. Ik heb hier op geen reactie gekregen. Toen heb ik besloten de politie te bellen op het nummer 112. Omstreeks 10:40 uur arriveerde er drie politieagenten. Ik heb hen vervolgens meegenomen naar de woning op de tweede etage. Daar aangekomen inspecteerde zij de deur en besloten de woning te betreden. Ik hoorde dat zij bij het betreden van de woning riepen, “goede morgen politie”. Na enkele seconden hoorde ik één van de agenten roepen dat er toeristen in de woning aanwezig waren die het huis gehuurd hadden via Airbnb. Ik hoorde dat één van de agenten de aanwezige toeristen verzocht zich allemaal naar de woonkamer te begeven. Hierna kwam hij naar deur waar mijn collega en ik nog stonden te wachten. Mijn collega heeft de agent vervolgens duidelijk uitgelegd wat de reden van ons bezoek was. Hierop hoorde ik dat de agent zij komen jullie maar binnen. Hierop hebben mijn collega en ik de woning betreden. Toen ik in de woonkamer kwam zag ik dat er vijf mannen aanwezig waren. Ik hoorde dat deze Engels spraken tegen de agenten. Ik hoorde dat een van de agenten hen uit legde dat wij van de gemeente Amsterdam waren en dat wij wat vragen voor hen hadden. Mijn collega en ik hebben ons vervolgens gelegitimeerd met onze gemeente pas en ik heb hen vervolgens in goed Engels uitgelegd wat de reden van ons bezoek was. Tevens heb ik hen gevraagd of wij om dit te kunnen doen mochten binnen komen om hen enkele vragen te stellen. Ik hoorde dat zij daarop antwoorde, “ natuurlijk”.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het hierboven weergegeven deel van het rapport voldoende dat de toezichthouders van de toeristen uitdrukkelijk toestemming hadden gekregen de woning te betreden voor het verrichten van onderzoek naar het gebruik ervan. Dit betekent dat verweerder de bevindingen in het rapport bij de besluitvorming mocht betrokken.

Is er sprake van een overtreding?

4.1

Eiser voert terecht aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de woning in de maanden oktober tot en met december 2016 is verhuurd, omdat uit de op de website van Airbnb geplaatste recensies, waarop verweerder zich in de besluitvorming heeft gebaseerd, niet valt op te maken dat deze zien op de woning.

4.2.1

Dit oordeel van de rechtbank laat echter onverlet dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Hvw is overtreden. Zij overweegt in dit verband als volgt.

4.2.2

De rechtbank stelt vast dat, zoals uit de behandeling op de zitting is gebleken, niet in geschil is dat de woning in de periode van 10 tot en met 14 juli 2017 aan vier toeristen is verhuurd. Ook is niet in geschil dat voor de verhuur van de woning geen onttrekkingsvergunning was verleend. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waaronder de uitspraak van 7 februari 20181, is de rechtbank van oordeel dat alleen al uit het gebruik van de woning door toeristen, in de bovengenoemde periode, volgt dat de woning niet beschikbaar was voor duurzame bewoning en dat deze derhalve aan de woningvoorraad was onttrokken.

4.2.3

Voor zover eiser bedoelt aan te voeren dat sprake was van geoorloofde particuliere vakantieverhuur, omdat in de woning slechts vier toeristen zijn aangetroffen, volgt de rechtbank hem daarin niet. Van vakantieverhuur kan volgens het gemeentelijk beleid immers pas sprake zijn als wordt voldaan aan vier voorwaarden. Naast de voorwaarde dat er aan maximaal vier personen wordt verhuurd, geldt de voorwaarde dat de woning duurzaam wordt bewoond door de betrokkene (het zogenoemde hoofdverblijf). Niet in geschil is dat eiser tijdens het verhuur van de woning aan de toeristen weliswaar in die periode als eigenaar op het adres van de woning stond ingeschreven, maar geen hoofdverblijf in de woning had, maar woonachtig was op de etage onder de woning, namelijk het adres [adres] .

Is eiser overtreder?

5.1

Eiser vindt dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt. Eiser verbleef in de periode van 4 juli 2017 tot 26 augustus 2017 samen met zijn dochter in verband met vakantie in het buitenland. Hij vermoedt dat de persoon die de woning in het verleden heeft gehuurd, de heer [naam] , een rol heeft gespeeld bij de verhuur van de woning, omdat hij ook over de sleutel beschikte. Omdat eiser op dat moment op vakantie was, kan hij er niet voor verantwoordelijk worden gehouden dat de woning in zijn afwezigheid werd verhuurd. Eiser had een vriend opdracht gegeven om tijdens zijn vakantie het pand in de gaten te houden, maar de toezichtmogelijkheden van deze vriend waren beperkt. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek uitgevoerd naar de persoon die zich schuldig zou hebben gemaakt aan verhuur aan toeristen, namelijk [naam] . Eiser woont nu zelf weer in de woning en heeft een einde gemaakt aan de huurrelatie met [naam] .

5.2.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser terecht als overtreder aangemerkt. Zoals blijkt uit de in het rapport opgenomen verklaringen van één van de toeristen, hadden zij de woning al geruime tijd voor de vakantie van eiser geboekt, namelijk op 4 mei 2017. Dit betekent dat de woning al ruimschoots vóór eisers vakantie in het buitenland voor verhuur aan toeristen was aangeboden. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van bovengenoemde toerist dat de toeristen de betaling van de woning via een contactpersoon hebben verricht, dat zij de sleutel van de woning hebben ontvangen van de in de woning aanwezige dame en dat zij die sleutel bij vertrek ook weer aan diezelfde dame zouden inleveren. Uit het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden afgeleid dan dat het oogmerk bestond de woning aan toeristen te verhuren. Omdat eiser ten tijde van de overtreding, als enige, eigenaar van de woning was en op het adres van de woning stond ingeschreven én hij zijn op de zitting geuite vermoeden dat [naam] , tijdens zijn vakantie, de woning aan de toeristen heeft verhuurd niet heeft onderbouwd, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser zelf tot de verhuur van de woning is overgegaan. In dit verband kan worden daargelaten of de hiervoor genoemde dame de dochter van eiser was, zoals uit het rapport van bevindingen naar voren komt en eiser betwist. De rechtbank is al hierom van oordeel dat eiser wist dan wel kon weten dat de woning tijdens zijn vakantie aan toeristen werd verhuurd. Het bovenstaande betekent dat verweerder geen onderzoek hoefde te verrichten naar de vraag of [naam] de overtreding heeft gepleegd.

5.2.2

De rechtbank merkt op dat ook als zij eiser volgt in zijn standpunt dat niet hij, maar een ander persoon, de woning, buiten zijn toestemming en medeweten, aan de toeristen heeft verhuurd, de rechtbank ook dan van oordeel is dat die verhuur van de woning aan eiser valt toe te rekenen. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser er, zoals blijkt uit zijn verklaringen op de zitting, voor heeft gekozen de sleutel van de woning aan [naam] af te geven, ondanks dat deze persoon de woning op het moment van de overtreding niet van hem huurde. Eveneens acht de rechtbank van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich tot op zekere hoogte heeft geïnformeerd over het gebruik van de woning gedurende zijn vakantie. De enkele stelling dat eiser een vriend opdracht heeft gegeven om tijdens zijn vakantie het pand in de gaten te houden, volstaat daartoe niet.

Bevoegdheid oplegging boete

6. Het vorenstaande betekent dat verweerder bevoegd was om op grond van artikel 35, eerste lid, van de Hvw en artikel 4.2.2, eerste lid, van de Verordening een boete aan eiser, als eigenaar van de woning, op te leggen.

Geen gronden tegen hoogte boete

7. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden tegen de hoogte van de boete heeft gericht.

Conclusie

8. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van

mr. F.S. Zwerwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:RVS:2018:428.