Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6629

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-09-2019
Datum publicatie
31-10-2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1370
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA; 6:19-besluit; naar het oordeel van de rechtbank berust het besluit op een voldoende medische en arbeidskundige motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 19/1370

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. Y.G.H. van der Poel),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: P.A. Haakman).

Procesverloop

In het besluit van 15 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat haar loongerelateerde WGA-uitkering in het kader van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 14 april 2018 wordt omgezet naar een WGA-vervolguitkering uitgaande van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

In het besluit van 30 januari 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 55-65% (64,57%). De aanpassing van de uitkering (verlaging) heeft verweerder laten ingaan per 1 april 2019.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

In het besluit van 7 mei 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 65-80% (65,62%).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2019. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door [naam 1] (trajectcoach). De gemachtigde van verweerder was aanwezig.

Overwegingen

Wat aan dit beroep vooraf ging

1. Eiseres heeft gewerkt als persoonlijk begeleider bij [naam 2] . Op 16 oktober 2013 is zij uitgevallen voor haar werk met psychische klachten. Eiseres ontvangt een WIA-uitkering sinds 14 oktober 2015. Bij de einde wachttijd beoordeling is zij 70% arbeidsongeschikt geacht.

2. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat aan dit besluit geen actueel sociaal-medisch oordeel ten grondslag ligt. Eiseres is daarom op 7 mei 2018 gezien door een primaire verzekeringsarts. Hij heeft geconcludeerd dat bij eiseres sprake is van een persisterende depressieve stoornis, een emotionele instabiele/borderline persoonlijkheidsstoornis en ongespecificeerde aandachtdeficiëntie (ADHD). Hij heeft de beperkingen van eiseres vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige geoordeeld dat eiseres 64,57% arbeidsongeschikt is.

3. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het dossier beoordeeld. Volgens hem is er geen sprake van volledige arbeidsongeschiktheid. Wel heeft hij aanleiding gezien om extra beperkingen in de FML aan te nemen op persoonlijk en sociaal functioneren. De arbeidsdeskundige concludeert vervolgens dat eiseres 64,51% arbeidsongeschikt is. Hiermee valt eiseres in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse dan bij het primaire besluit. Verweerder heeft het bezwaar daarom gegrond verklaard en de uitkering van eiseres verlaagd naar de hoogte geldend voor de klasse 55-65% welke verlaging feitelijk is ingegaan per 1 april 2019.

Het standpunt van eiseres

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij meer beperkt is dan is aangenomen. Zij is volledig arbeidsongeschikt. Haar psychische klachten zijn in de afgelopen jaren verergerd en er hadden daarom meer beperkingen moeten worden aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren. Eiseres voert verder aan dat het medisch onderzoek in bezwaar onzorgvuldig is verricht, omdat er geen verzekeringsarts bij de hoorzitting aanwezig was. Tot slot voert eiseres aan dat zij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen.

De wijziging van het bestreden besluit I

5. Naar aanleiding van het beroep van eiseres heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft meer beperkingen aangenomen. De arbeidsdeskundige heeft op basis van de nieuwe FML twee functies niet langer passend geacht en één nieuwe functie geselecteerd voor eiseres. Op basis hiervan is hij tot de conclusie gekomen dat eiseres 65,62% arbeidsongeschikt is. Dit betekent dat de WIA-uitkering van eiseres, anders dan in het bestreden besluit I is besloten, ongewijzigd wordt voortgezet in de klasse 65-80%.

6. Aangezien met het bestreden besluit II niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van eiseres wordt het beroep met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit II. Omdat verweerder het bestreden besluit I heeft ingetrokken en gesteld noch gebleken is van enig belang bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit I, zal de rechtbank het beroep van eiseres daartegen vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren.

De beoordeling van het bestreden besluit II

7. Verweerder heeft de verlaging van de uitkering bij bestreden besluit I niet met terugwerkende kracht willen laten ingaan, maar eerst per toekomende datum (1 april 2019).

Dat neemt niet weg dat de aanspraken van eiseres op een WIA-uitkering moeten worden beoordeeld op de datum 14 april 2018, omdat dat de ingangsdatum is van de WIA-vervolguitkering.

De medische beoordeling

8. De rechtbank moet beoordelen of de rapportages van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, of deze inzichtelijk zijn en of de conclusies te volgen zijn. Als dit het geval is komt aan het rapport van een verzekeringsarts bijzondere waarde toe. Dit betekent dat verweerder het bestreden besluit op dit rapport mag baseren. Eiseres kan proberen aan te tonen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aan deze vereisten voldoet of dat de beoordeling onjuist is. Om aannemelijk te maken dat de beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een arts noodzakelijk.

9. Eiseres heeft aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep betekent de enkele omstandigheid dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek niet dat enkel al daarom sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.1 Eiseres is vlak voor haar bezwaar onderzocht door de primaire verzekeringsarts en zij had voorafgaande aan de hoorzitting in bezwaar geen specifieke bezwaren naar voren gebracht. Verder bevatte het dossier recente informatie van de behandelend psychiater van eiseres. Deze informatie heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, samen met hetgeen tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht en het verloop van de hoorzitting, bij zijn beoordeling betrokken. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet onzorgvuldig dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek.

10. Naar aanleiding van het beroep van eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep extra beperkingen aangenomen. Hij heeft rekening gehouden met de psychische problematiek die speelt bij eiseres door extra beperkingen aan te nemen op persoonlijk en sociaal functioneren. Volgens eiseres hadden er verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen op dit gebied. Er had in ieder geval een verdergaande beperking moeten worden aangenomen op hoog handelingstempo. Dat zij enkel beperkt is geacht voor hoog handelingstempo in complex werk is volgens eiseres onvoldoende. Hierdoor is zij ten onrechte geschikt geacht voor de functie huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333).

11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportage van 3 mei 2019 voor meerdere onderdelen wat betreft persoonlijk en sociaal functioneren aangegeven waarom hij eiseres daar wel of niet voor beperkt acht. Eiseres heeft geen nieuwe medische informatie ingebracht die ziet op de datum in geding (14 april 2018) waaruit objectief gezien volgt dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen op persoonlijk en sociaal functioneren. Eiseres heeft een brief van [naam 3] van 19 juni 2019 ingebracht maar daaruit komen geen nieuwe gegevens over de gezondheidssituatie van eiseres naar voren. Desondanks zijn er op persoonlijk en sociaal functioneren extra beperkingen aangenomen ten opzichte van de eerdere beoordeling in 2015. De rechtbank begrijpt het gevoel van eiseres dat zij zichzelf niet in staat acht om te werken, maar ziet gelet op het voorgaande geen ruimte voor het oordeel dat objectief gezien onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten.

12. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat voldoende rekening is gehouden de klachten die eiseres heeft vanwege een longemfyseem. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen dat eiseres niet mag worden blootgesteld aan hoge concentraties stof, rook, gassen en dampen. Eiseres heeft aangevoerd dat zij helemaal niet mag worden blootgesteld aan stof, rook, gassen en dampen. Omdat zij in de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) wordt blootgesteld aan soldeerdamp is deze functie volgens eiseres niet geschikt. Uit de FML volgt dat eiseres wat betreft stof, rook, gassen en dampen beperkt is voor alleen hoge concentraties. Eiseres heeft geen objectieve medische informatie overgelegd waaruit volgt dat haar beperkingen onderschat zijn. Deze beroepsgrond van eiseres kan daarom niet slagen.

13. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust.

De arbeidskundige beoordeling

14. Uitgaande van de belastbaarheid van eiseres zoals deze is vastgelegd in de FML kunnen de door haar tegen de geselecteerde functies aangevoerde gronden niet slagen. De door eiseres in beroep gestelde overschrijdingen in de geselecteerde functies betreffen aspecten waarop zij in de FML niet beperkt is geacht en belastende factoren waarvan in de functies geen sprake is.

15. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet geschikt zijn voor eiseres. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht waarom de geselecteerde functies geschikt zijn. Uit de resultaat functiebeoordeling bij het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 mei 2019 volgt niet dat in de functie huishoudelijk medewerker (SBC-code 111333) sprake is van een hoog handelingstempo. Bovendien heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep aangegeven dat het om eenvoudig werk gaat en niet om complex werk. Verder volgt uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat in de functie productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) van hoge concentraties stof, rook, gassen en dampen geen sprake is en dat een luchtafzuiging op de werkplek aanwezig is. Het bestreden besluit berust daarom ook op een voldoende arbeidskundige grondslag.

Conclusie

16. Zoals hiervoor onder 6 geoordeeld, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft moeten maken voor haar beroep tegen het bestreden besluit I. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

17. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiseres per 1 april 2019 recht heeft op een WGA-vervolguitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. A.R. Vlierhuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 september 2015, te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:CRVB:2015:3207.