Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6581

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
17-09-2019
Zaaknummer
13/751459-19
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Poolse rechtsstaat. Tussenuitspraak. Nadere vragen gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751459-19

RK-nummer: 19/3219

Datum uitspraak: 3 september 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 mei 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 19 december 2018 door the Circuit Court in Poznán (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1977,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP-adres] ,

gedetineerd in [plaats detentie] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 16 juli 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C.J.J. Visser, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 30 juli 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:5607) het onderzoek ter zitting heropend omdat zij het wenselijk achtte dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit zou worden voortgezet. Om deze reden heeft de rechtbank de officier van justitie verzocht de in die tussenuitspraak geformuleerde vragen ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 30 juli 2019 de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 20 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak van 30 juli 2019

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 30 juli 2019 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld, alsmede over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a OLW heeft geoordeeld. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

4.1

Inleiding

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 inzake LM, C-216/18 PPU (ECLI:EU:C:2018:586) (hierna: het arrest).

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:

“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 (Rechtbank: HvJ 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.

Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt?

In vervolg daarop heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) vastgesteld:

- dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen;

- dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast;

- dat om die reden concreet en nauwkeurig moet worden beoordeeld of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen;

- dat de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom wordt uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78, teneinde een actueel en concreet beeld te krijgen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

In het licht van die vaststellingen heeft de rechtbank een aantal vragen geformuleerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit verzocht om deze te beantwoorden in het kader van de te voeren dialoog en het verstrekken van de benodigde informatie.

Deze vragen zijn ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd. De vragen zijn bij brief van 10 juli 2019 (deels) beantwoord door de Regional Court in Poznan. In deze brief wordt gesproken over een mogelijk hoger beroep dat zal worden behandeld door de Court of Appeal in Poznan. Om die reden heeft de rechtbank in haar tussenuitspraak van 30 juli 2019 verzocht de vragen ook te stellen aan de Court of Appeal in Poznan. Bij brief van 14 augustus 2019 heeft een rechter van de Regional Court in Poznan meegedeeld - kort gezegd - dat de strafzaak van de opgeëiste persoon niet geregistreerd is bij de Court of Appeal in Poznan.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 6 juni 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:4703), waarin melding wordt gemaakt van antwoorden die zijn gegeven door de Court of Appeal in Poznan. In die zaak heeft de rechtbank de tweede vraag, namelijk of de vastgestelde structurele gebreken negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de betreffende opgeëiste persoon zal worden onderworpen, bevestigend beantwoord.

Naar de mening van de officier van justitie kunnen de in die zaak verstrekte antwoorden ook worden toegepast in de onderhavige zaak, zodat de rechtbank aan de beantwoording van de derde vraag toekomt.

Ten aanzien van die vraag stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat er geen informatie voorhanden is op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat in dit concrete geval de opgeëiste persoon geen eerlijk proces krijgt na overlevering aan Polen. De overlevering van de opgeëiste persoon kan dan ook worden toegestaan.

4.3

Standpunt van de raadsman

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens het verstrijken van de redelijke termijn. Er is geen sprake van een dialoog en er is ook geen uitzicht op antwoorden van de Court of Appeal in Poznan. De antwoorden die door de Court of Appeal in Poznan zijn gegeven in de zaak ECLI:NL:RBAMS:2019:4703 kunnen in de onderhavige zaak niet worden gebruikt, nu niet vaststaat dat in de onderhavige zaak precies dezelfde antwoorden zouden zijn gegeven.

4.4

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat getracht wordt de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog te voeren.

De Regional Court in Poznan heeft niet alle vragen beantwoord.

Verder beschikt de rechtbank op dit moment niet over informatie van de rechtbank die in Polen in hoger beroep over de eventuele strafzaak van de opgeëiste persoon zal oordelen. De officier van justitie heeft ter zitting een brief van 22 mei 2019 overgelegd van een rechter van de Court of Appeal in Poznan. Uit het op die brief vermelde parketnummer blijkt dat die brief betrekking heeft op een andere zaak. De rechtbank is van oordeel dat de in die brief gegeven antwoorden niet van toepassing kunnen worden verklaard in de onderhavige zaak, nu de brief dateert van ongeveer drie maanden vóór de zittingsdatum en er mogelijk in de tussentijd nog relevante wijzingen of gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. Bovendien beschikt de rechtbank niet over informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit waaruit zou blijken dat de in de brief van 22 mei 2019 vermelde informatie ook van toepassing is in de onderhavige zaak.

Gelet op het bovenstaande beschikt de rechtbank, in het licht van het geformuleerde toetsingskader (LM, C-216/18 PPU) over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De rechtbank hecht nog steeds waarde aan de beantwoording van de vragen door deze gerechtelijke instanties, ook in verband met de inhoud van de al bij haar tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) genoemde rapportages en voorstellen, alsmede de volgende, meer recente rapportages betreffende de ontwikkelingen op het gebied van de rechtsstaat in Polen:

 Association of Judges "Themis": Judges under special supervision, that is "the great reform" of the Polish justice system, 5 maart 2019;

 KOS (The Justice Defence Committee): A country that punishes. Pressure and repression of Polish judges and prosecutors, Warsaw 2019.

In deze publicaties is onder meer vermeld dat er verschillende disciplinaire en strafrechtelijke procedures jegens rechters in Polen in gang zijn gezet/hebben plaatsgevonden, naar aanleiding van zaken die de desbetreffende rechters hebben behandeld.

Deze gegevens bevestigen en versterken de zorgen die er heersen over de gevolgen van de wetswijzigingen voor de Poolse rechtsstaat en daaruit voorvloeiend het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon.

Eerste aanleg

De rechtbank heeft geconstateerd dat de Regional Court in Poznan de vragen A2, A3, C1, C2 en C3 en E niet (afdoende) heeft beantwoord. Deze vragen dienen alsnog te worden beantwoord teneinde de rechtbank in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de vragen 2 en 3 van het hiervoor weergegeven toetsingskader van het HvJ. Ten aanzien van het antwoord op de vragen C1, C2 en C3 merkt de rechtbank op dat het antwoord van de Regional Court in Poznan lijkt te zien op de algemene situatie in Polen, terwijl deze vragen dienen te worden beantwoord ten aanzien van de situatie bij de Regional Court in Poznan.

Ten aanzien van vraag E is de rechtbank ambtshalve op de hoogte van het feit dat op 15 februari 2019 drie 'buitengewoon beroep'-procedures aanhangig waren gemaakt, waarop het Hooggerechtshof – voor zover bekend – toen nog niet had beslist. Om die reden wenst de rechtbank ten aanzien van vraag E door te worden geïnformeerd of er zich sinds 15 februari 2019 nog nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan.

Hoger beroep

De rechtbank verzoekt de uitvaardigende justitiële autoriteit de eerder gestelde vragen alsnog te beantwoorden en eventueel door te geleiden naar de Court of Appeal in Poznan ter beantwoording, teneinde de rechtbank in staat te stellen zich een oordeel te vormen over de vragen 2 en 3 van het hiervoor weergegeven toetsingskader van het HvJ.

De rechtbank merkt hierbij op dat in soortgelijke zaken, waarbij de opgeëiste persoon zich in Nederland bevond en de strafzaak zich nog in de vervolgingsfase bevond, de Poolse uitvaardigende autoriteiten wel antwoord hebben gegeven op de eerder gestelde vragen. De rechtbank benadrukt dat deze vragen zowel ter zake van de bevoegde rechtbank in eerste aanleg als van de bevoegde instantie in hoger beroep dienen te worden beantwoord.

De rechtbank wijst in dit verband ook op punt 97 van het arrest van het hiervoor vermelde arrest van het HvJ van 5 april 2016 (Aranyosi en Caldararu). Hieruit volgt het verplichtend karakter van deze dialoog in het kader van artikel 15, tweede, lid 2 van het kaderbesluit.

Daarbij merkt de rechtbank ten aanzien van de vragen B1, B2, D1, D2 en E het volgende op.

Ten aanzien van de vragen B1, B2, D1 en D2 is de rechtbank van oordeel dat zij naar aanleiding van de gelijkluidende antwoorden die zij van meerdere uitvaardigende justitiële autoriteiten in andere vergelijkbare Poolse overleveringszaken heeft ontvangen, voldoende is voorgelicht. Om die reden wenst de rechtbank enkel nog te vernemen of er recentelijk wijzigingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de toewijzing en behandeling van zaken en ten aanzien van de procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht.

Ten aanzien van vraag E is de rechtbank ambtshalve op de hoogte van het feit dat op 15 februari 2019 drie 'buitengewoon beroep'-procedures aanhangig waren gemaakt, waarop het Hooggerechtshof – voor zover bekend – toen nog niet had beslist. Om die reden wenst de rechtbank ten aanzien van vraag E door de hoger beroepsinstantie te worden geïnformeerd of er zich sinds 15 februari 2019 nog nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan.

Ten slotte herhaalt de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

4.5

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen, namelijk:

Ten aanzien van de Court of Appeal in Poznan:

A. Wijzigingen personele bezetting

1. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken (vice)voorzitters en rechters ontslagen? Zo ja, op welke datum is het ontslag aangezegd en wat is de grond die hiervoor is gegeven?

2. Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?

3. Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd?

4. Zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet inzake de Nationale School voor de rechterlijke macht assistent-rechters benoemd en zo ja, behandelen zij strafzaken en zo ja, als unus of binnen een rechterlijk college?

B. Toewijzing en behandeling van zaken

De rechtbank wenst te vernemen of er recentelijk wijzigingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de toewijzing en behandeling van zaken.

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?

2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

3 Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van 'written remarks' door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?

D. Procedures ter bescherming van bet recht op een onafhankelijk gerecht

De rechtbank wenst te vernemen of er recentelijk wijzigingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de procedures ter bescherming van het recht op een onafhankelijk gerecht.

E. Buitengewoon beroep

Hebben er zich sinds 15 februari 2019, toen drie 'buitengewoon beroep'-procedures aanhangig zijn gemaakt waarop het Hooggerechtshof nog niet had beslist, nog nieuwe ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de procedure van 'buitengewoon beroep' bij het Hooggerechtshof?

Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle gegevens die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.

Ten aanzien van de Regional Court in Poznan:

A. Wijzigingen personele bezetting

2. Zijn er (vice)voorzitters en rechters gepensioneerd als gevolg van de gewijzigde pensioenleeftijd? Zo ja, hoe veel, afgezet tegen het aantal rechters en (vice)voorzitters binnen de rechterlijke instantie?

3. Is het voorgekomen dat het mandaat van deze (vice)voorzitters en rechters na het bereiken van de pensioenleeftijd is verlengd?

C. Tuchtzaken of andere (disciplinaire) maatregelen

1. Zijn er sinds voormelde wetswijzigingen tuchtzaken tegen rechters en/of (vice)voorzitters geweest? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding en wat was de uitkomst?

2. Hebben er sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken wijzigingen plaatsgevonden in de bezoldiging van (vice)voorzitters en rechters? Zo ja, wat was hiervoor de reden?

3 Zijn er andere maatregelen betreffende (vice)voorzitters genomen, zoals het verstrekken van 'written remarks' door de Minister van Justitie? Zo ja, wat was hiervoor de aanleiding?

E. Buitengewoon beroep

Hebben er zich sinds 15 februari 2019, toen drie 'buitengewoon beroep'-procedures aanhangig zijn gemaakt waarop het Hooggerechtshof nog niet had beslist, nog nieuwe ontwikkelingen voorgedaan ten aanzien van de procedure van 'buitengewoon beroep' bij het Hooggerechtshof?

Zo ja, op welke grond en met welke uitkomst?

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle gegevens die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.

5 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en J.H. Beestman, rechters,

in tegenwoordigheid van N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 september 2019.

De jongste rechter is buiten staat om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.