Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:656

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
RK 18/6553
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2020:373
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Klaagschrift artikel 552a Sv. Verzoek opheffing derdenbeslag en teruggave geldbedrag. Klager, belegger in bitcoins, is geen belanghebbende. Klacht ziet op een geldvordering, ook voor zover sprake is van de inbreng van bitcoins. Niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2019/34
JONDR 2019/675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

RK: 18/6553

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1964,

woonplaats kiezend op het adres van zijn raadsman,

mr. K. Spee, Herengracht 480, 1017 CB Amsterdam,

klager, niet zijnde beslagene (hierna: klager).

Procesgang

Het klaagschrift is op 27 september 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de behandeling in raadkamer een (ongedateerde) reactie en een aanvullende reactie van 14 januari 2019 op het klaagschrift ontvangen van officier van justitie L.M.J. Backx.

De rechtbank heeft op 15 januari 2019 de gemachtigde raadsman van klager en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Klager is, hoewel geldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Daarnaast is [persoon] , bijgestaan door zijn raadsman mr. J.M. Keizer, als belanghebbende in raadkamer verschenen en in de gelegenheid gesteld het woord te voeren.

De belanghebbenden [rechtspersoon 1] B.V., [stichting] en [rechtspersoon 2] B.V. zijn niet in raadkamer verschenen.

Inhoud van het klaagschrift

Klager heeft als belegging geïnvesteerd in cryptovaluta bij de onderneming [rechtspersoon 1] B.V., handelend onder de naam [naam] . Daartoe heeft klager een account geopend bij [stichting] en geld overgemaakt naar diens bankrekening.

Klager heeft inmiddels vernomen dat [persoon] , bestuurder en enig aandeelhouder van [stichting] , is aangehouden op verdenking van oplichting en witwassen, en dat in het kader van het strafrechtelijke onderzoek conservatoir beslag is gelegd op de bankrekening(en) van [stichting] .

Gezien die verdenking wenst klager zijn geld op te nemen en heeft hij de samenwerking met [stichting] beëindigd.

Klager is deels rechthebbende tot het geld dat onder [stichting] en/of [persoon] in beslag is genomen.

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag (primair ten bedrage van de door klager aangehouden waarde van de portefeuille, subsidiair ten bedrage van de investering van klager) en een last tot teruggave.

Waarde portefeuille volgens overzicht [stichting] :

[klager] : € 160.684,48

Geïnvesteerd bedrag
[klager] : € 93.597,60, waarvan € 43.597,60 in de vorm van bitcoins

De raadsman van klager vertegenwoordigt ter zitting meerdere klagers, onder wie [klager] , die een verzoek tot opheffing van beslag op de bankrekening van [stichting] ten bedrage van een bepaalde waarde hebben bij de rechtbank hebben gedaan. De raadsman heeft naar aanleiding van het primaire standpunt van de officier van justitie, inhoudende dat de klagers niet ontvankelijk zijn, en verder ter toelichting op het klaagschrift aangevoerd dat klagers wel ontvankelijk zijn in hun klaagschrift. Belanghebbende is, aldus de raadsman, degene die pretendeert dat zijn belang wordt geschonden. Tussen klagers en [stichting] is sprake van een overeenkomst van opdracht. Krachtens die overeenkomst hebben klagers er belang bij dat zij over hun geld kunnen beschikken. Klager heeft naast het geld dat hij overgemaakt heeft naar de bankrekening van [stichting] , ook bitcoins ingelegd bij [stichting] .

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Eind juli 2018 is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar (onder meer) [rechtspersoon 1] B.V., [stichting] en [persoon] . [persoon] is enig bestuurder van de [stichting] , die enig aandeelhouder is van [rechtspersoon 1] B.V. De verdachten worden verdacht van oplichting en/of verduistering en witwassen.

Via het door [rechtspersoon 1] B.V. geëxploiteerde [stichting] kon ieder vanaf een inleg van € 5.000,- investeren in het day-traden van cryptovaluta. Gedurende de periode van september 2017 tot en met juli 2018 is, voor zover nu bekend, op deze wijze een totaalbedrag van ongeveer € 5.600.000,- ingelegd door ongeveer 150 beleggers. Naar het zich laat aanzien is daarvan slechts € 675.000,- daadwerkelijk besteed aan de aankoop van cryptovaluta. In de periode van februari 2018 tot en met juli 2018 is daarmee een negatief rendement behaald van ongeveer € 235.000,-. Niettemin is onder vermelding van ‘rendement’ geld uitgekeerd aan diverse beleggers, welke uitkeringen (vermoedelijk) zijn betaald met de inleg van andere (nieuwe) deelnemers.

In totaal is op dit moment onder verdachten en onder derden beslag gelegd ex artikel 94 Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 94a Sv ten bedrage van € 2.024.140,28.

De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klaagschrift omdat hij geen belanghebbende is.

Het beslag is gelegd op voorwerpen van de verdachten, met name tegoeden op bankrekeningen, die vorderingen van de verdachten op die banken representeren. Uitsluitend de verdachten zijn rechthebbende (eigenaar) van die voorwerpen. Klager is hooguit, op grond van contractuele vorderingen, schuldeiser van een of meer van de verdachten. Klager heeft dan uitsluitend een persoonlijk recht tegen die verdachten. Schuldeisers worden echter niet als belanghebbende aangemerkt in de zin van artikel 552a Sv, ook al is hun vordering mogelijk ontstaan uit jegens hen door de beslagene gepleegde misdrijven (HR 27 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8487).

Het Openbaar Ministerie heeft oog voor de belangen van de gedupeerden. Klager is echter niet de enige gedupeerde. Er is hoogstwaarschijnlijk onvoldoende geld om alle gedupeerden, de benadeelde investeerders, (volledig) schadeloos te stellen. Het is uiteindelijk de bedoeling om de totale waarde van de voorwerpen waarop beslag is gelegd zoveel als mogelijk aan te wenden voor compensatie van de benadeelde investeerders in [stichting] .

Beoordeling

Uit de beschikbare stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Klager heeft geïnvesteerd in cryptovaluta bij [rechtspersoon 1] B.V. Hoewel de exacte omvang van de investeringen nog niet lijkt vast te staan, kan wel worden vastgesteld dat klager daartoe geldbedragen heeft overgemaakt aan [rechtspersoon 1] . Daarnaast stelt klager dat een deel van zijn investering uit de inbreng van bitcoins bestond.

De klacht van klager ziet derhalve op een geldvordering die hij stelt te hebben op [rechtspersoon 1] B.V en of [persoon] . Dit geldt ook voor zover er sprake is van de inbreng van bitcoins. Klager vraagt immers ook in dat geval om opheffing van het beslag en teruggave van de waarde van die inbreng.

Nu door het Openbaar Ministerie beslag is gelegd op de bankrekeningen van [stichting] en [persoon] wil klager zijn vordering via de klachtprocedure van artikel 552a Sv te gelde maken. Dat is echter niet mogelijk.


De rechtbank is, net als de officier van justitie, van oordeel dat klager in onderhavige beklagzaak geen belanghebbende in de zin van artikel 552a Sv is.

De Hoge Raad heeft in 1990 in een 552a Sv zaak bepaald dat schuldeisers of benadeelden

niet worden aangemerkt als belanghebbenden, ook als hun vordering is ontstaan uit door de beslagene jegens hen gepleegde misdrijven. Er zijn in deze zaak geen redenen om van deze lijn af te wijken.

De rechtbank zal klager niet-ontvankelijk verklaren en komt daarom niet toe aan een inhoudelijk behandeling van het klaagschrift.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank verklaart klager niet-ontvankelijk in het beklag.

Deze beslissing is gegeven door

mr. C.M. Degenaar, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en W.H. van Benthem rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.

Tegen de beschikking staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,

in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beschikking.