Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6556

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
12-09-2019
Zaaknummer
13/997099-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen afleveren 4 kilo cocaïne (Melogale I)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997099-15 (Promis)

Datum uitspraak: 3 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] ,

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 maart 2017, 8 november 2018, 6 mei 2019 en 9 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Bijleveld en van wat verdachte en zijn raadsman mr. S. Schuurman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 8 juni 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 4 kilogram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende bij lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht, op basis van de bewijsmiddelen in het dossier, bewezen dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het afleveren, verstrekken en vervoeren van vier kilo cocaïne op 8 juni 2015.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Verdachte heeft geen wetenschap gehad van de vier kilo cocaïne in een Albert Heijn tas die hij op 8 juni 2015 in zijn auto heeft vervoerd. Er zijn geen sporen van verdachte op de tas of de inhoud aangetroffen en de tas is door medeverdachte [medeverdachte 1] op een eerder moment in de auto van verdachte gelegd. Verdachte heeft de tas nooit in handen gehad. [medeverdachte 1] had verdachte verteld dat het om een tas met PGP (BlackBerry)-telefoons betrof. Er was voor verdachte geen reden om daaraan te twijfelen. Onder verwijzing naar jurisprudentie heeft de raadsman gesteld dat niet kan worden gezegd dat verdachte, door zich niet van de inhoud van de tas te vergewissen, zich bewust is geweest van de inhoud van de tas en daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de tas cocaïne zou bevatten.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

In maart 2015 is een onderzoek gestart naar medeverdachte [medeverdachte 2] en anderen die bij de politie in beeld kwamen in verband met de verdenking van handel in verdovende middelen. In dit onderzoek, genaamd Melogale I, is [medeverdachte 2] veelvuldig getapt en geobserveerd door de politie.

Tijdens het onderzoek wordt verdachte met [medeverdachte 1] op 8 juni 2015 geobserveerd tijdens de overdracht van een Albert Heijn tas met inhoud op het parkeerterrein van horeca groothandel Hanos in Amsterdam. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn in het onderzoek Melogale I als medeverdachten van [medeverdachte 2] aangemerkt.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn auto, een Volkswagen Golf, eerder die dag aan [medeverdachte 1] had uitgeleend en dat zij wel vaker in elkaars auto reden.

[medeverdachte 1] heeft verdachte gevraagd een tas te brengen die hij eerder die dag vergeten was mee te nemen uit de Volkswagen Golf. Verdachte was in de veronderstelling dat het om een tas met PGP- telefoons ging, omdat hij wist dat [medeverdachte 1] daarin handelde en dat hij niet in de tas heeft gekeken. Omdat [medeverdachte 1] hem vroeg de tas te brengen heeft verdachte dat gedaan.

Ten aanzien van het bewijs overweegt de rechtbank het volgende.

Op 8 juni 2015 wordt verdachte samen met [medeverdachte 1] geobserveerd door de politie op een parkeerplaats van horeca groothandel Hanos in Amsterdam. Uit de camerabeelden en de observaties van de politie blijkt het volgende.

Om 11.53 uur komt [medeverdachte 1] de parkeerplaats op rijden in een Toyota. Hij parkeert daar zijn auto en om 12.02 uur komt verdachte het parkeerterrein op in een Volkswagen Golf. Verdachte parkeert zijn auto naast die van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] en verdachte staan vervolgens bij de geopende achterbak van de Volkswagen Golf, waar een lichtblauw voorwerp in ligt. Even later is te zien dat [medeverdachte 1] de linker achter deur opendoet en dat daarna het lichtblauwe voorwerp op de achterbank achter de bestuurderskant van de Toyota te zien is. Om 12.05 uur rijdt verdachte weg van de parkeerplaats.

Omstreeks 12.05 uur komt [medeverdachte 2] in beeld. Samen met [medeverdachte 2] loopt [medeverdachte 1] naar de Toyota en [medeverdachte 1] pakt een gevulde blauwe Albert Heijn tas van de achterbank van de Toyota. Vervolgens lopen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen naar een geparkeerde Renault. [medeverdachte 2] opent de kofferbak van deze Renault en haalt er een kartonnen doos uit. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] plaatsen samen de blauwe Albert Heijn tas in de kofferbak van de Renault en [medeverdachte 2] sluit de Renault vervolgens af. Om 12.09 uur nemen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afscheid van elkaar en verlaat [medeverdachte 1] het parkeerterrein in de Toyota. [medeverdachte 2] rijdt weg in een BMW.

Om 12.14 uur komt [medeverdachte 2] wederom het parkeerterrein van de Hanos oprijden in de BMW. [persoon] stapt uit de BMW, stapt vervolgens als bestuurder in de Renault en rijdt om 12.16 uur weg. [medeverdachte 2] verlaat het parkeerterrein ook en rijdt achter de Renault het terrein af. Om 12.20 uur neemt het onderzoeksteam de observatie van de Renault over en om 12.38 uur wordt [persoon] door de observanten gezien op rijksweg A4 bij Leiderdorp. Kort daarna wordt [persoon] aangehouden. In de kofferbak van de Renault blijkt een Albert Heijn tas te liggen die gevuld is met vier kilo cocaïne.

De raadsman van verdachte heeft in zijn pleidooi gerefereerd aan de standpunten van de raadslieden van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die hebben bepleit dat er een gat van vier dan wel zes of zelfs achttien minuten in de observatie van [persoon] zit, waarbij niet bekend is wat [persoon] in die tijd heeft gedaan. [persoon] zou in de tussentijd de Albert Hein tas kunnen hebben verwisseld voor een ándere Albert Heijn tas, zodat de uiteindelijk aangetroffen partij drugs niet in handen van de andere verdachten is geweest, aldus de raadslieden.

Het Openbaar Ministerie heeft beargumenteerd dat er geen gat in de observatie zit, zich baserend op een andere interpretatie van het desbetreffende proces-verbaal. De officier van justitie heeft gesteld dat opsporingsambtenaren met de term ‘observatie overgenomen’ bedoelen dat het subject continu onder observatie is gehouden, waarbij niet is gezien dat [persoon] onderweg is gestopt.

De rechtbank overweegt dat de verslaglegging van de observatie ruimte laat voor de interpretatie die de raadslieden daar aan geven, namelijk dat [persoon] enige minuten uit zicht is geweest. De rechtbank kan niet zonder nader onderzoek afgaan op de hiervoor genoemde mededeling van de officier van justitie, al is het maar omdat de rechtbank niet kan inschatten of iedere verbalisant de term ‘observatie overnemen’ uitlegt zoals de officier dat doet. Het verdient voor de toekomst dus de voorkeur om expliciet te verbaliseren of een subject al dan niet doorlopend in het zicht is gebleven.

Nader onderzoek naar de vraag of [persoon] enige tijd buiten beeld is geweest acht de rechtbank echter niet noodzakelijk. Dat de mogelijkheid open blijft dat [persoon] tussen de vier en de twintig minuten buiten beeld van de politie is geweest, maakt namelijk niet zonder meer aannemelijk dat de tas die door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in de kofferbak van de Renault is gelegd is omgewisseld is voor een andere Albert Heijn tas gevuld met cocaïne.

De rechtbank acht deze theoretische mogelijkheid op zichzelf beschouwd al weinig aannemelijk, gelet op de relatief ingewikkelde overdracht van een tas via twee tussenpersonen en meerdere auto’s op een parkeerterrein terwijl het om legale goederen zou gaan, gevolgd door een kennelijk haastige verwisseling van die tas met een identieke tas vol cocaïne. Bovendien mist de theorie een min of meer geloofwaardige onderbouwing en is er bewijs dat in hoge mate ondersteunt dat er ook op de parkeerplaats al cocaïne in de tas zat.

[persoon] heeft nooit iets verklaard over een tussenstop of een tassenwissel. Sterker nog, [persoon] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij na zijn vertrek vanaf het parkeerterrein bij de Hanos alleen contact heeft gehad met zijn vader en dat er verder niets gebeurd is wat voor de zaak van belang is. Evenmin is gebleken dat [persoon] bij een benzinestation gestopt zou zijn en getelefoneerd zou hebben met zijn vrouw, zoals de raadsvrouw van [medeverdachte 2] heeft bepleit. [persoon] heeft daar niets over gezegd en er is ook geen enkele andere onderbouwing van deze stelling van de raadsvrouw.

Het OVC-gesprek op 15 juli 2015 waarin [medeverdachte 2] spreekt over het verlies van 130 en dat de 4 zijn probleem zijn, draagt bovendien in belangrijke mate bij aan het bewijs dat de bewuste Albert Heijn tas op de parkeerplaats de later aangetroffen vier kilo cocaïne, waarvan de ‘groothandelsprijs’ goed kan passen bij een bedrag van 130.000 euro, bevatte. Wat zich op 8 juni 2015 heeft afgespeeld op het parkeerterrein van de Hanos is bovendien vrijwel exact dezelfde situatie zoals [medeverdachte 2] die schetst in een OVC gesprek waarin hij spreekt over het uitvoeren van een test op een parkeerterrein door een Albert Heijn tas vanuit de ene auto in een andere auto te plaatsen en dan af te wachten om te zien wat er gebeurt. [medeverdachte 2] vertelt ook in dat gesprek dat zijn maat op die manier gepakt is en dat hij, [medeverdachte 2] , de tas toen in de auto heeft gezet, dat hij ook meedeed en dat hij ook op die parkeerplaats was. Dat hij 100% weet dat ‘ze’ daar foto’s van hebben en dat als hij gepakt wordt zal zeggen dat hij boodschappen deed in Amsterdam en dat [persoon] gepakt is in Den Haag en dat hij onderweg gestopt is. In het licht van onder meer deze bewijsmiddelen schuift de rechtbank de verklaringen van de medeverdachten dat de tas op de parkeerplaats PGP’s bevatte als ongeloofwaardig terzijde en acht zij bewezen dat de tas ook daar al vier kilo cocaïne bevatte.

De raadsman van verdachte heeft vervolgens gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de inhoud van de Albert Heijn tas die hij naar [medeverdachte 1] heeft gebracht.

De rechtbank gaat er in beginsel vanuit dat iemand die vier kilo cocaïne brengt naar een drugsoverdracht over het algemeen wéét dat hij vier kilo cocaïne komt brengen naar een drugsoverdracht, temeer als die cocaïne slechts verpakt is in een plastic tasje. Dat is immers een voor de hand liggende veronderstelling, gelet op onder meer de waarde van de drugs en de strafrechtelijke risico’s en andere gevaren voor alle bij die overdracht betrokken personen. Dat kan uiteraard anders komen te liggen als er een andersluidende verklaring wordt gegeven, waar de rechtbank enig geloof aan kan hechten. Dat is in deze zaak echter niet het geval. De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie ten aanzien van de wetenschap van verdachte is in deze zaak niet overeenkomstig van toepassing, nu verdachte in zijn eentje in zijn eigen auto reed en de situatie onder meer om die reden niet vergelijkbaar is met de door de raadsman aangehaalde gevallen.

Het feit dat verdachte pas ruim vier jaar na zijn aanhouding voor het eerst heeft verklaard over het uitlenen van zijn auto aan [medeverdachte 1] en dat hij dacht dat het om PGP-telefoons ging, doet af aan de overtuigingskracht van deze verklaring van verdachte. Er is in het dossier bovendien geen enkel aanknopingspunt te vinden voor de stelling van verdachte dat [medeverdachte 1] eerder die dag zijn auto heeft geleend. Dit verhaal kan thans niet meer geverifieerd worden en verdachte heeft op concrete vragen hierover van de rechtbank en het openbaar Ministerie geen antwoord gegeven, waarmee zijn verklaring vaag en niet onderbouwd is gebleven. Dat [medeverdachte 1] deze tas met een hoeveelheid cocaïne ter waarde van minstens 100.000 euro en alle daarmee verband houdende risico’s in een plastic tas in de auto van [verdachte] zou zijn vergeten en vervolgens een onwetende [verdachte] hem die tas zou hebben laten brengen, acht de rechtbank bij deze stand van zaken ongeloofwaardig.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap heeft gehad van de vier kilo cocaïne in de Albert Heijn tas en acht zij bewezen dat verdachte samen met anderen vier kilo cocaïne heeft afgeleverd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage I vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 8 juni 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft

afgeleverd 4 kg van een materiaal bevattende cocaïne.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft zich niet over de strafmaat uitgelaten.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is betrokken geweest bij de handel in harddrugs. De handel in harddrugs gaat veelal gepaard met zware criminaliteit. Daarnaast is de verspreiding van harddrugs een gevaar voor de volksgezondheid.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

Aansluitend bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), acht de rechtbank een gevangenisstraf van 20 maanden in beginsel passend en geboden. Met een andere dan een vrijheidsbenemende straf kan niet worden volstaan, gelet op de ernst van het feit.

Overschrijding redelijke termijn

Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, is het uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aan gevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in strafzaken vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Verdachte is op 10 november 2015 door de politie aangehouden. Dit moment geldt als het begin van de redelijke termijn. Op de terechtzitting van 17 maart 2017 heeft de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 2] verzocht twee getuigen te horen, welk verzoek is toegewezen. Doordat de zaak van verdachte tegelijkertijd met die van de medeverdachten behandeld zou worden is vanwege de onderzoekswensen van de verdediging van [medeverdachte 2] en later wegens proceseconomische redenen buiten de schuld van verdachte om een extra vertraging in de behandeling van zijn zaak ontstaan. In deze zaak is op 3 september 2019 vonnis gewezen. De rechtbank stelt daarom vast dat de behandeling van de zaak tegen verdachte niet binnen een redelijke termijn is afgerond. De rechtbank gaat uit van een te verdisconteren vertraging van één jaar en zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging door een strafvermindering van 10% toe te passen, zoals ook de officier van justitie heeft gedaan bij het formuleren van haar eis.

Gelet op het bovenstaande, de ernst van het feit en de straffen die doorgaans voor soortgelijke zaken worden opgelegd zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 18 maanden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, onder B gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2019.