Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6554

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
09-09-2019
Zaaknummer
13/997100-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Melogale I

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997100-15 (Promis)

Datum uitspraak: 3 september 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1963,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 17 maart 2017, 8 november 2018, 6 mei 2019 en 6 juli 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Bijleveld en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J-H.L.C.M. Kuijpers naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 8 juni 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van (ongeveer) 4 kilogram, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende bij lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

Hij op of omstreeks 10 november 2015 te Amstelveen, althans in Nederland, een reisdocument of een identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang voorhanden heeft gehad, te weten een nationaal paspoort van het Verenigd Koninkrijk (op naam gesteld van [naam 1] met nummer [paspoort nummer] ), waarvan hij verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat voornoemd reisdocument of identiteitsbewijs vals of vervalst was, immers was dit paspoort voorzien van

een foto van hem, verdachte, terwijl dit paspoort op een andere naam gesteld was dan zijn, verdachtes, naam;

3.

Hij op of omstreeks 10 november 2015 te Amstelveen, althans in Nederland, een technisch hulpmiddel, te weten een multiband GSM / SRD / DCS / LTE / DECT en UMTS Wifi jammer, die hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is voor het opzettelijk vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken en/of veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van een geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie,

voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 350a, eerste lid, of 350c werd gepleegd;

4.

Hij op of omstreeks 10 november 2015 te Amstelveen, althans in Nederland, voorhanden heeft gehad

- een vuurwapen van categorie III, te weten een revolver (merk: Smith & Wesson, model: 36, kaliber: .38 special) en/of

- munitie van categorie III, te weten vijf kogelpatronen (kaliber .38 special);

5.

Hij op of omstreeks 10 november 2015 te Amstelveen, althans in Nederland, een gasbusje, bevattende cs-gas (ortho-Chlorbenzyliden Malononitril), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad;

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht, alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van feit 3 bewezen op basis van de bewijsmiddelen in het dossier.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd nu het oogmerk op het plegen van een misdrijf niet bewezen kan worden.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het bewijs voor de feiten 2 tot en met 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De raadsman heeft gesteld dat het onduidelijk is wat zich heeft afgespeeld in het tijdsbestek dat de politie medeverdachte [medeverdachte 1] niet in het zicht had. Verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij een tas met Blackberries aan medeverdachte [medeverdachte 2] heeft overhandigd op 8 juni 2015.

Uit het dossier blijkt volgens de raadsman dat medeverdachte [medeverdachte 1] vanaf het moment dat hij wegrijdt van de parkeerplaats van de [locatie] in Amsterdam Zuidoost tot aan zijn aanhouding niet continu onder observatie van de politie is geweest. Dit betekent dat gedurende het gat in de observatie de tas met PGP-telefoons overgedragen, afgegeven of geruild kan zijn. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] vlak voor zijn aanhouding getankt. Dit zou de vrouw van [medeverdachte 1] hebben verklaard tegen de raadsvrouw van [medeverdachte 2] . Tevens bestaat de mogelijkheid dat de tas met cocaïne al eerder in de auto van [medeverdachte 1] lag. Er zijn voorts geen sporen van verdachte op de tas met cocaïne aangetroffen. De OVC gesprekken op 14 juli 2015 en 23 oktober 2015 kunnen niet bijdragen aan het bewijs voor dit feit nu deze te algemeen van aard zijn en onduidelijk is waarover gesproken wordt.

De raadsman heeft subsidiair bepleit dat hooguit een overtreding van artikel 10 lid 1 van de Opiumwet bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft de Albert Heijn tas te goeder trouw van [medeverdachte 3] aangenomen en niet uitvoerig in de tas gekeken. Opzet op de aanwezigheid van cocaïne kan daarom niet worden bewezen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

In maart 2015 is een onderzoek gestart naar medeverdachte [medeverdachte 2] en anderen die bij de politie in beeld kwamen in verband met de verdenking van handel in verdovende middelen. In dit onderzoek, genaamd Melogale I, is [medeverdachte 2] veelvuldig getapt en geobserveerd door de politie.

Tijdens het onderzoek wordt verdachte op 8 juni 2015 met [medeverdachte 3] en later met [medeverdachte 2] geobserveerd tijdens de overdracht van een Albert Heijn tas met inhoud op het parkeerterrein van horeca groothandel [locatie] in Amsterdam. Verdachte en [medeverdachte 3] zijn in het onderzoek Melogale I als medeverdachten van [medeverdachte 2] aangemerkt. Verdachte heeft verklaard dat hij op 8 juni 2015 een Albert Heijn tas met BlackBerry’s, zogenaamde PGP-telefoons, aan [medeverdachte 2] heeft overhandigd.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3

De rechtbank zal verdachte voor feit 3 vrijspreken. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het oogmerk op het plegen van een misdrijf bedoeld in artikel 350c van het Wetboek van Strafrecht niet is bewezen.

Ten aanzien van de feiten 2, 4 en 5

De rechtbank acht de feiten 2, 4 en 5 bewezen op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 1

Ten aanzien van het bewijs voor feit 1, de overdracht van 4 kilo cocaïne op 8 juni 2015 te Amsterdam, overweegt de rechtbank het volgende.

Op 8 juni 2015 worden verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] geobserveerd door de politie op een parkeerplaats van horeca groothandel [locatie] in Amsterdam. Uit de camerabeelden en de observaties van de politie blijkt het volgende.

Om 11.53 uur komt verdachte de parkeerplaats op rijden in een Toyota. Hij parkeert daar zijn auto en om 12.02 uur komt [medeverdachte 3] het parkeerterrein op in een Volkswagen Golf. [medeverdachte 3] parkeert zijn auto naast die van verdachte. Verdachte en [medeverdachte 3] staan vervolgens bij de geopende achterbak van de Volkswagen Golf waar een lichtblauw voorwerp in ligt. Even later is te zien dat verdachte de linker achterdeur van de Toyota opendoet en dat daarna het lichtblauwe voorwerp op de achterbank, achter de bestuurderskant, van de Toyota te zien is. Om 12.05 uur rijdt [medeverdachte 3] weg van de parkeerplaats. Verdachte heeft later tijdens zijn verhoren verklaard dat hij inderdaad een gevulde Albert Heijn tas uit de Volkswagen Golf heeft gepakt en in zijn Toyota heeft gezet en dat de tas PGP (BlackBerry) telefoons bevatte.

Omstreeks 12.05 uur komt [medeverdachte 2] in beeld. Samen met [medeverdachte 2] loopt verdachte naar de Toyota en verdachte pakt een gevulde blauwe Albert Heijn tas van de achterbank van de Toyota. Vervolgens lopen verdachte en [medeverdachte 2] samen naar een geparkeerde Renault. [medeverdachte 2] opent de kofferbak van deze Renault en haalt er een kartonnen doos uit. [medeverdachte 2] en verdachte plaatsen samen de blauwe Albert Heijn tas in de kofferbak van de Renault en [medeverdachte 2] sluit de Renault vervolgens af. Om 12.09 uur nemen verdachte en [medeverdachte 2] afscheid van elkaar en verlaat verdachte het parkeerterrein in de Toyota. [medeverdachte 2] rijdt weg in een BMW.

Om 12.14 uur komt [medeverdachte 2] wederom het parkeerterrein van de [locatie] oprijden in een BMW. [medeverdachte 1] stapt uit de BMW, stapt vervolgens als bestuurder in de Renault en rijdt om 12.16 uur weg. [medeverdachte 2] verlaat het parkeerterrein ook en rijdt achter de Renault het terrein af. Om 12.20 uur neemt het onderzoeksteam de observatie van de Renault over en om 12.38 uur wordt [medeverdachte 1] door de observanten gezien op rijksweg A4 bij Leiderdorp. Kort daarna wordt [medeverdachte 1] aangehouden. In de kofferbak van de Renault blijkt een Albert Heijn tas te liggen die gevuld is met vier kilo cocaïne.

Het Openbaar Ministerie heeft beargumenteerd dat er geen gat in de observatie zit, zich baserend op een andere interpretatie van het desbetreffende proces-verbaal. De officier van justitie heeft gesteld dat opsporingsambtenaren met de term ‘observatie overgenomen’ bedoelen dat het subject continu onder observatie is gehouden, waarbij niet is gezien dat [medeverdachte 1] onderweg is gestopt.

De rechtbank overweegt dat de verslaglegging van de observatie ruimte laat voor de interpretatie die de raadslieden daar aan geven, namelijk dat [medeverdachte 1] enige minuten uit zicht is geweest. De rechtbank kan niet zonder nader onderzoek afgaan op de hiervoor genoemde mededeling van de officier van justitie, al is het maar omdat de rechtbank niet kan inschatten of iedere verbalisant de term ‘observatie overnemen’ uitlegt zoals de officier dat doet. Het verdient voor de toekomst dus de voorkeur om expliciet te verbaliseren of een subject al dan niet doorlopend in het zicht is gebleven.

Nader onderzoek naar de vraag of [medeverdachte 1] enige tijd buiten beeld is geweest acht de rechtbank echter niet noodzakelijk. Dat de mogelijkheid open blijft dat [medeverdachte 1] tussen de vier en de twintig minuten buiten beeld van de politie is geweest, maakt namelijk niet zonder meer aannemelijk dat de tas die door [medeverdachte 2] en [verdachte] in de kofferbak van de Renault is gelegd is omgewisseld is voor een andere Albert Heijn tas gevuld met cocaïne.

De rechtbank acht deze theoretische mogelijkheid op zichzelf beschouwd al weinig aannemelijk, gelet op de relatief ingewikkelde overdracht van een tas via twee tussenpersonen en meerdere auto’s op een parkeerterrein terwijl het om legale goederen zou gaan, gevolgd door een kennelijk haastige verwisseling van die tas met een identieke tas vol cocaïne. Bovendien mist de theorie een min of meer geloofwaardige onderbouwing en is er bewijs dat in hoge mate ondersteunt dat er ook op de parkeerplaats al cocaïne in de tas zat.

[medeverdachte 1] heeft nooit iets verklaard over een tussenstop of een tassenwissel. Sterker nog, [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij na zijn vertrek vanaf het parkeerterrein bij de [locatie] alleen contact heeft gehad met zijn vader en dat er verder niets gebeurd is wat voor de zaak van belang is. Evenmin is gebleken dat [medeverdachte 1] bij een benzinestation gestopt zou zijn en getelefoneerd zou hebben met zijn vrouw, zoals de raadsvrouw van [medeverdachte 2] heeft bepleit. [medeverdachte 1] heeft daar niets over gezegd en er is ook geen enkele andere onderbouwing van deze stelling van de raadsvrouw.

Het OVC-gesprek op 15 juli 2015 waarin [medeverdachte 2] spreekt over het verlies van 130 en dat de 4 zijn probleem zijn, draagt bovendien in belangrijke mate bij aan het bewijs dat de bewuste Albert Heijn tas op de parkeerplaats de later aangetroffen vier kilo cocaïne, waarvan de ‘groothandelsprijs’ goed kan passen bij een bedrag van 130.000 euro, bevatte. Wat zich op 8 juni 2015 heeft afgespeeld op het parkeerterrein van de [locatie] is bovendien vrijwel exact dezelfde situatie zoals [medeverdachte 2] die schetst in een OVC gesprek waarin hij spreekt over het uitvoeren van een test op een parkeerterrein door een Albert Heijn tas vanuit de ene auto in een andere auto te plaatsen en dan af te wachten om te zien wat er gebeurt. [medeverdachte 2] vertelt ook in dat gesprek dat zijn maat op die manier gepakt is en dat hij, [medeverdachte 2] , de tas toen in de auto heeft gezet, dat hij ook meedeed en dat hij ook op die parkeerplaats was. Dat hij 100% weet dat ‘ze’ daar foto’s van hebben en dat als hij gepakt wordt zal zeggen dat hij boodschappen deed in Amsterdam en dat [medeverdachte 1] gepakt is in Den Haag en dat hij onderweg gestopt is. In het licht van onder meer deze bewijsmiddelen schuift de rechtbank de verklaringen van de medeverdachten dat de tas op de parkeerplaats PGP’s bevatte als ongeloofwaardig terzijde en acht zij bewezen dat de tas ook daar al vier kilo cocaïne bevatte.

Vervolgens heeft de raadsman bepleit dat verdachte geen opzet had op het tenlastegelegde feit, omdat hij niet wist dat er cocaïne in de tas zat. De raadsman heeft daarover gezegd dat verdachte de tas met telefoons in de auto van [medeverdachte 3] heeft gelegd en dat die later kan zijn omgeruild voor de tas met cocaïne.

De rechtbank merkt op dat verdachte heeft verklaard dat hij een tas met Blackberry’s in de auto van [medeverdachte 3] had laten liggen, die terug heeft gevraagd van [medeverdachte 3] en vervolgens aan [medeverdachte 2] heeft gegeven. Aan de rechtbank dringt zich, gelet op deze verklaring en de verdere bevindingen van de politie, geen min of meer aannemelijk scenario op waarin iemand de telefoons in de tas zou hebben verruild met vier kilo cocaïne. De raadsman heeft een dergelijk scenario ook niet voorgelegd. De rechtbank schuift dit dan ook als niet aannemelijk terzijde.

De rechtbank leidt het opzet van verdachte op het afleveren van cocaïne af uit de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, dus de gang van zaken tijdens de overdracht zoals hiervoor beschreven. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] vier kilo cocaïne heeft afgeleverd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

op 8 juni 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft afgeleverd 4 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne;

ten aanzien van feit 2:

hij op 10 november 2015 te Amstelveen, een reisdocument dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang voorhanden heeft gehad, te weten een nationaal paspoort van het Verenigd Koninkrijk, op naam gesteld van [naam 1] met nummer [paspoort nummer] , waarvan hij verdachte wist dat voornoemd reisdocument vals was, immers was dit paspoort voorzien van een foto van hem, verdachte, terwijl dit paspoort op een andere naam gesteld was dan zijn, verdachtes, naam;

ten aanzien van feit 4:

hij op 10 november 2015 te Amstelveen, voorhanden heeft gehad een vuurwapen van categorie III, te weten een revolver, merk: Smith & Wesson, model: 36, kaliber: .38 special, en

munitie van categorie III, te weten vijf kogelpatronen, kaliber .38 special;

ten aanzien van feit 5:

hij op 10 november 2015 te Amstelveen, een gasbusje, bevattende cs-gas (ortho-Chlorbenzyliden Malononitril), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft bepleit bij een bewezenverklaring van feit 1 een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op te leggen waarvan 6 maanden voorwaardelijk en vanwege het relatief lichte karakter van de overige feiten deze gevangenisstraf niet op te hogen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is betrokken geweest bij de handel in harddrugs. De handel in harddrugs gaat veelal gepaard met zware criminaliteit. Daarnaast is de verspreiding van harddrugs een gevaar voor de volksgezondheid. Verdachte heeft daarnaast een geladen revolver en een vals paspoort in zijn bezit gehad. Dit zijn beide ernstige strafbare feiten die een bedreiging vormen voor de openbare orde en veiligheid.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij in 2016 in België voor handel in verdovende middelen is veroordeeld.

Aansluitend bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), acht de rechtbank een gevangenisstraf van 27 maanden in beginsel passend en geboden. De rechtbank zal ten aanzien van het vuurwapen geen toepassing geven aan de van de LOVS-oriëntatiepunten afwijkende, Amsterdamse oriëntatiepunten voor vuurwapenbezit die in mei 2019 zijn opgesteld, omdat het feit in 2015 is gepleegd. Met een andere dan een vrijheidsbenemende straf kan niet worden volstaan, gelet op de ernst van de feiten.

Overschrijding redelijke termijn

Wat de berechting van de zaak in eerste aanleg betreft, is het uitgangspunt dat de behandeling van de zaak op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aan gevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in strafzaken vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Verdachte is op 11 januari 2016 door de politie aangehouden. Dit moment geldt als het begin van de redelijke termijn. Op de terechtzitting van 17 maart 2017 heeft de verdediging van medeverdachte [medeverdachte 2] verzocht twee getuigen te horen, welk verzoek is toegewezen. Doordat de zaak van verdachte tegelijkertijd met die van de medeverdachten behandeld zou worden is vanwege de onderzoekswensen van de verdediging van [medeverdachte 2] en later wegens proceseconomische redenen buiten de schuld van verdachte om een extra vertraging in de behandeling van zijn zaak ontstaan. In deze zaak is op 3 september 2019 vonnis gewezen. De rechtbank stelt daarom vast dat de behandeling van de zaak tegen verdachte niet binnen een redelijke termijn is afgerond. De rechtbank gaat uit van een te verdisconteren vertraging van één jaar en zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging door een strafvermindering van 10% toe te passen.

Gelet op het bovenstaande, de ernst van de feiten en de straffen die doorgaans voor soortgelijke zaken worden opgelegd zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 24 maanden.

9 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

Een vuurwapen;

5 patronen;

Een busje traangas;

Een vals papsoort;

Een jammer;

Een tas.

Onttrekking aan het verkeer

Voornoemde voorwerpen, die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte gepleegde drugsfeit zijn aangetroffen, zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Deze voorwerpen worden daarom onttrokken aan het verkeer.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36d, 47, 231 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2, onder B gegeven verbod

Ten aanzien van feit 2:

opzettelijk voorhanden hebben van een vals reisdocument

Ten aanzien van feit 4:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de wet wapens en munitie strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 1 van de wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, lid 1 van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, strafbaar gesteld bij artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

6 1.00 STK VUURWAPEN revolver, GRO13.01.01.002

7 5.00 STK PATRONEN .38, GRO13.01.01.003

8 1.00 STK PEPERSPRAY, GRO13.02.02.006

13 1.00 STK ENGELS PASPOORT [naam 2] , GRO13.02.04.002.02

Gelast de teruggave aan [verdachte] van:

15 1.00 STK JAMMER, GRO13.02.02.009

16 1.00 STK TAS ZWART, GRO13.01.01.001

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 september 2019. .