Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6547

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2019
Datum publicatie
13-09-2019
Zaaknummer
7882215 EA VERZ 19-495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De Vereniging van Eigenaars (VvE) van een gebouw in Amsterdam mocht eigenaren van een appartement op de begane grond toestemming weigeren een aanbouw te bouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 7882215 EA VERZ 19-495

beschikking van: 3 september 2019

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker 1] en [verzoeker 2]

verzoekers

nader te noemen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2]

gemachtigde: mr. H.M. Meijerink

t e g e n

de vereniging Vereniging van Eigenaars van het gebouw [adres] (nummers [nummer] tot en met [nummer] ) te Amsterdam

gevestigd te Amsterdam

verweerster

nader te noemen: de VvE

vertegenwoordigd door mevrouw [naam vertegenwoordiger] , voorzitter

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De kantonrechter is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:

- verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 juli 2019, met producties;
- verweerschrift, met producties;
- mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Aanwezig waren: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , bijgestaan door de gemachtigde, die het woord heeft gevoerd aan de hand van schriftelijke aantekeningen met drie bijlagen. De VvE was vertegenwoordigd door mevrouw [naam vertegenwoordiger] , voorzitter. Mevrouw [naam 1] , lid van de VvE, heeft namens de VvE het woord gevoerd. Verder waren aanwezig: de heer [naam 2] en mevrouw [naam 3] , eveneens leden van de VvE. Aan het einde van de mondelinge behandeling is een datum voor beschikking bepaald.


GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn sinds 2 juni 2016 gezamenlijk eigenaren van het appartementsrecht dat recht geeft op het gebruik van het appartement met tuin aan de [adres 1] te [plaats] .

1.2.

Hun appartement is gelegen op de begane grond. Het appartement heeft een oppervlakte van 55 m2. De daarachter gelegen tuin heeft een oppervlakte van circa 100 m2. In de tuin bevindt zich een tuinhuis(je).

1.3.

De VvE omvat vijfentwintig appartementsrechten: achttien woningen en zeven garages.

1.4.

De appartementen op de eerste en tweede etage van het gebouw zijn aan de achterzijde van het gebouw, waar zich de tuinen bevinden van de appartementen op de begane grond, voorzien van balkons.

1.5.

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben de vergadering van eigenaars van de VvE verzocht toestemming te verlenen voor het oprichten van een aanbouw aan de achterzijde van hun appartement, waar hun tuin zich bevindt. Van die aanbouw heeft hun aannemer een tekening gemaakt (bijlage 6 bij het verzoekschrift). De aanbouw heeft een eigen fundering en is niet constructief verbonden met het gebouw van de VvE. Het dak van de aanbouw zal voorzien worden van een sedum-begroeiing. De tekening van de aannemer van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] wordt als bijlage aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.

1.6.

Het verzoek van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] is besproken op de vergadering van eigenaars die op 12 juni 2019 is gehouden. De vergadering heeft met tien stemmen tegen en vier stemmen voor het besluit genomen om geen toestemming aan [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te verlenen voor het oprichten van de aanbouw (hierna: het besluit).

Verzoek

2. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
- het besluit te vernietigen;
- vervangende machtiging te verlenen tot het plaatsen van de aanbouw;
- te bepalen dat de kosten van realisatie, (extra) onderhoud, herstel, vervanging en vernieuwing van de uitbouw voor rekening komen van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en hun opvolgers;
- de VvE te veroordelen in de kosten van de procedure.

3. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] stellen, samengevat, het volgende. Hun appartement is voor twee volwassenen, die vanwege hun buitenlandse komaf ook regelmatig logees uit het buitenland ontvangen, aan de kleine kant. Gelet op hun financiën en de situatie op de woningmarkt is verhuizen naar een andere, grotere woning geen optie. Zij hebben dan ook groot belang bij het vergroten van hun appartement door het plaatsen van de aanbouw. De aanbouw heeft bescheiden afmetingen en is passend in de stijl van het gebouw van de VvE. Het gedeelte van het dak van de aanbouw dat uitsteekt voorbij het balkon van het bovengelegen appartement op de eerste etage wordt voorzien van een sedum-begroeiing. Voor schade aan het gebouw van de VvE hoeft niet gevreesd te worden omdat de aanbouw niet constructief met het gebouw verbonden is en een eigen fundering heeft. De bezwaren van de VvE tegen de aanbouw wegen niet op tegen het belang dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben bij het plaatsen van de aanbouw en vormen geen redelijke grond voor het weigeren van de gevraagde toestemming, aldus [verzoeker 1] en [verzoeker 2] .

Verweer

4. De VvE voert verweer. Op hetgeen zij naar voren heeft gebracht, zal hierna worden ingegaan voor zover dat voor de beoordeling van het verzoek van belang is.

Beoordeling

5. Op grond van artikel 5:130 jo. artikel 2:15 BW is een besluit vernietigbaar indien het strijdig is met de wettelijke bepalingen die de bevoegdheid van de vergadering van eigenaars en de wijze van totstandkoming van besluiten regelen, dan wel in strijd is met het huishoudelijk reglement, of met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist. Hier gaat het, gelet op het standpunt van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] om een beroep op de laatste categorie. Daarbij gaat het om een marginale toetsing van het besluit door de rechter. Dat betekent het volgende. Voorop staat dat besluiten worden genomen door de vergadering van eigenaars en dat een besluit dat door de meerderheid van de vergadering wordt gedragen bindend is voor de minderheid, ook als dat besluit voor die minderheid nadelig is. Een besluit is dus niet reeds vernietigbaar simpelweg omdat de vergadering van eigenaars de tegengestelde belangen van verschillende appartementseigenaren ook op een andere wijze had kunnen waarderen en dat bij zo’n andere waardering van de belangen een ander besluit genomen had kunnen worden. Het besluit behoort niet door de kantonrechter aan zo’n volle toetsing te worden onderworpen. Die ruime beoordelingsmarge heeft de kantonrechter niet. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de beslissingsvrijheid die nu eenmaal toekomt aan een rechtspersoon, in dit geval een VvE. Voor vernietiging van het besluit is dan ook alleen maar plaats indien de vergadering van eigenaars in redelijkheid niet tot haar besluit heeft kunnen komen.

6. Het voornaamste bezwaar van de VvE tegen het oprichten van de aanbouw is erin gelegen, samengevat, dat de aanbouw het zicht beïnvloedt vanuit de appartementen die gelegen zijn rondom het appartement van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] .

7. De kantonrechter overweegt daarover het volgende. Het maakt voor de eigenaren/bewoners van de appartementen die recht boven en (links en rechts) schuin boven het appartement van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn gelegen verschil uit of zij vanuit hun huiskamers (die aan de achterzijde/tuinzijde van het gebouw zijn gesitueerd) of vanaf hun balkons, naar beneden kijkend, zicht hebben op de vrije ruimte van de tuin bij het appartement van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , zoals nu het geval is, of dat zij daarbij aankijken tegen en/of op de aanbouw. Dat geldt met name voor de huidige of toekomstige eigenaar/bewoner van het appartement op de eerste etage, recht boven het appartement van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , maar ook voor de eigenaar/bewoner van de appartementen op de eerste etage, schuin (links en rechts) boven hun appartement. De uitbouw is weliswaar even breed als het direct daarboven geplaatste balkon, maar steekt daar aan de lange zijde van het balkon in de diepte aan voorbij.

8. Dat is een, op zichzelf genomen, legitiem bezwaar van de VvE tegen het plaatsen van de aanbouw en ook een bezwaar dat ziet op een belang waarover de VvE heeft te waken. Daar tegenover staat het belang van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] dat hiervoor, samengevat, in rechtsoverweging 3 is weergegeven. Niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet de gelegenheid hebben gehad hun belang onder de aandacht te brengen van de vergadering van eigenaars en dat de vergadering hun belang desondanks niet heeft betrokken bij de besluitvorming. Het is aan de vergadering van eigenaars om de tegengestelde belangen te wegen en op merites te beoordelen en om vervolgens tot een besluit te komen. Dat het besluit, na die afweging van de betrokken belangen, in het nadeel van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] is uitgevallen omdat de meerderheid van de aanwezige leden daarbij minder gewicht toekenden aan het belang van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en het belang van de VvE heeft laten prevaleren, leidt niet vanzelfsprekend tot de gevolgtrekking dat de vergadering niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen. De afweging die de vergadering van eigenaars heeft gemaakt is niet onbegrijpelijk of onnavolgbaar. Dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] , vanuit hun eigen belang redenerend, zelf vinden dat aan dat belang onvoldoende gewicht is toegekend, vormt geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit de hiervoor in rechtsoverweging 8 omschreven toets niet kan doorstaan. Het komt niet aan de kantonrechter toe om de gemaakte belangenafweging geheel, ten volle, opnieuw te doen.

9. Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet toewijsbaar is. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen bespreking.

10. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] worden als de in het ongelijk gestelde partij met de proceskosten van de VvE belast, te begroten op nihil.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het verzoek af;

veroordeelt [verzoeker 1] en [verzoeker 2] in de proceskosten die aan de zijde van de VvE tot op heden begroot worden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.