Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6532

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
13/108362-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft sportspullen bij Decathlon gestolen, waarbij hij de beveiligers heeft geslagen, geschopt en gebeten. Daarnaast heeft verdachte pasjes verduisterd. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en schadevergoeding voor beveiligers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT

VONNIS

Parketnummer: 13/108362-19

Datum uitspraak: 27 augustus 2019

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres]

.

1 Onderzoek op de zitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van wat de officier van justitie, mr. P. Velleman, en verdachte en zijn raadsman, mr. D.G. Peters, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort samengevat - ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1. diefstal in vereniging van sportspullen bij de Decathlon met geweld tegen beveiligers

[beveiliger 1] en [beveiliger 2] op 5 mei 2019;

2. heling dan wel verduistering van een ov-chipkaart, collegekaart en zorgpas van [persoon] in de periode van 24 april tot en met 5 mei 2019.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Feit 1

Op grond van de aangiften en de camerabeelden kan feit 1 worden bewezen. Verdachte had de goederen in zijn tas gestopt en was voorbij de alarmpoortjes gelopen. Door aangever [beveiliger 1] werd geconstateerd dat de spullen niet waren afgerekend. Verdachte zou hebben gezegd dat de andere jongen zijn bonnetje had en dat hij al betaald had. [beveiliger 1] wilde dat verdachte met hem meeliep om dit te controleren, waarop een worsteling met verdachte ontstond. Aangevers [beveiliger 1] en de toegesnelde [beveiliger 2] werden hierbij flink geslagen en geschopt door verdachte, [beveiliger 2] werd nog gebeten, en beiden hielden hieraan letsel over.

Feit 2

Verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde heling van de bij hem aangetroffen pasjes. Niet valt te bewijzen dat verdachte ten tijde van de verwerving van de pasjes wist dat dit door misdrijf verkregen goederen betroffen. De subsidiaire ten laste gelegde verduistering kan wel worden bewezen. Verdachte heeft de portemonnee met inhoud gevonden en vervolgens de portemonnee laten liggen en de inhoud ervan een week lang in zijn bezit gehad. Als verdachte goede intenties had, had hij de portemonnee met inhoud meegenomen en deze meteen afgegeven bij de politie.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Feit 1

Verdachte moet worden vrijgesproken van de diefstal met geweld. Hij had geen opzet op de diefstal van de spullen. Hij wist niet hoe de zelfscankassa werkte en hij liep naar de beveiliger bij de deur om deze te vragen hoe hij kon afrekenen. Er ontstond vervolgens een misverstand tussen verdachte en de beveiliger, dat erg uit de hand liep.

Feit 2

Verdachte moet worden vrijgesproken van de heling dan wel verduistering van de pasjes. Het gebeurt vaker dat pasjes uit een portemonnee worden gehaald. Verdachte wilde via Facebook kijken of hij de eigenaar kon vinden. Toen dat niet lukte, wilde hij het later nog eens proberen. Verdachte wilde de pasjes niet voor zichzelf houden. De pasjes hebben ook helemaal geen waarde voor een ander dan de eigenaar. Het is ook goed mogelijk dat de pasjes, weken na de diefstal, gevonden worden buiten [club] . De pasjes kunnen bijvoorbeeld door schoonmakers naar buiten worden geveegd. De verklaringen van verdachte zijn niet op voorhand onaannemelijk.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak feit 2 primair

De rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsman, de heling van de ten laste gelegde pasjes niet bewezen, zodat verdachte hiervan wordt vrijgesproken. Het dossier biedt geen aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de pasjes door misdrijf verkregen waren.

3.3.2.

Partiële vrijspraak feit 1

De rechtbank acht niet bewezen dat de diefstal met geweld in vereniging is gepleegd. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte samen met een andere man bij de Decathlon winkel naar binnen is gegaan en dat die andere man even toekijkt terwijl verdachte in gevecht raakt met de beveiligers. Echter, noch uit de beelden noch uit de aangiftes blijkt dat deze man een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de diefstal.

3.3.3.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

De rechtbank acht, met de officier van justitie, de diefstal met geweld van haarbanden, polsbanden en petten bij de Decathlon bewezen en overweegt daartoe als volgt.

In het dossier bevinden zich de verklaringen van aangevers [beveiliger 1] en [beveiliger 2] . Daarnaast heeft de politie de beveiligingsbeelden van Decathlon bekeken en daarvan een proces-verbaal opgemaakt met stills van de beelden. De verklaringen van [beveiliger 1] en [beveiliger 2] komen overeen met de omschrijving van wat is te zien op de camerabeelden. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte de eerdergenoemde goederen in een tasje doet en langs de alarmpoortjes loopt. Deze alarmpoortjes geven een lichtsignaal; een teken dat de goederen niet zijn afgerekend. De beveiliger [beveiliger 1] spreekt verdachte aan en vraagt hem om een aankoopbon van de goederen. Verdachte verklaart dat zijn vriend, die even verderop staat, zijn bon heeft. Deze persoon ontkent dit en verlaat kort daarna de winkel. Verdachte laat ondertussen geld zien aan [beveiliger 1] en zegt dat hij de producten al heeft betaald maar nog wel een keer kan betalen. [beveiliger 1] vraagt of verdachte wil meelopen naar het winkelkantoor zodat zij kunnen uitzoeken of de goederen zijn betaald. Verdachte wil dit niet en begint zich te verzetten. Hij pakt [beveiliger 1] vast en slaat hem een aantal keren in zijn gezicht. Een andere beveiliger, [beveiliger 2] , schiet te hulp en pakt verdachte vast. Verdachte worstelt met beiden, waarbij hij [beveiliger 1] knietjes geeft en schopt. Verdachte bijt [beveiliger 2] vervolgens hard in zijn arm op het moment dat de beveiligers verdachte op de grond drukken. De bijtwond van [beveiliger 2] wordt later door artsen onderzocht en [beveiliger 2] krijgt hiervoor een antibioticakuur en een hepatitis vaccinatie.

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris en op zitting verklaard dat hij tijdens zijn aanhouding nog niet had betaald, maar dat hij juist naar de beveiliger toe was gelopen omdat hij niet wist hoe de zelfscan kassa werkte. De beveiliger werd vervolgens agressief, waardoor een gevecht ontstond. De rechtbank vindt deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Gebleken is dat de verklaringen van [beveiliger 1] en [beveiliger 2] overeenkomen met wat op de camerabeelden te zien is, waarbij verdachte zich agressief begint te gedragen tegen [beveiliger 1] en later ook [beveiliger 2] . Bovendien is het niet logisch dat verdachte, wanneer hij een probleem ondervindt met de zelfscan kassa, voorbij de alarmpoortjes loopt en zich niet wendt tot het personeel bij de ‘gewone’ kassa’s. Daarbij heeft te gelden dat verdachte de spullen in een tas van Decathlon had gedaan en niet in een daarvoor bestemd winkelmandje.

Gelet op het bovenstaande vindt de rechtbank bewezen dat verdachte de polsbanden, haarbanden en petten van Decathlon heeft gestolen, waarna hij geweld heeft gebruikt tijdens zijn aanhouding.

Feit 2 subsidiair

De rechtbank acht, met de officier van justitie, de verduistering van de ten laste gelegde pasjes van [persoon] bewezen.

Op 6 april 2019 werd de inhoud van het kluisje van [persoon] in [club] gestolen. Hier zat onder andere een portemonnee in met meerdere pasjes. Deze pasjes werden 5 mei 2019 bij de insluitingsfouillering in de kleding van verdachte gevonden.

Verdachte verklaart dat hij een portemonnee met pasjes voor de deur van [club] heeft gevonden op Koningsnacht of Koningsdag (de rechtbank begrijpt: 26 of 27 april 2019). Hij heeft de pasjes uit de portemonnee gehaald om vervolgens op Facebook de eigenaresse op te zoeken en de pasjes terug te geven, zo stelt hij. Gelet op het feit dat verdachte de pasjes uit de gevonden portemonnee heeft gehaald, deze portemonnee heeft weggegooid en de pasjes een week lang in bezit heeft gehad, acht de rechtbank het scenario van verdachte onaannemelijk, en is bewezen dat verdachte zich als vinder de pasjes wederrechtelijk heeft toegeëigend.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1

op 5 mei 2019 te Amsterdam, in een winkel petjes en haarbanden en polsbanden, die toebehoorde aan Decathlon heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen [beveiliger 1] en [beveiliger 2] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door

- met gebalde vuist te stompen tegen het gezicht van voornoemde [beveiliger 1] en

- knietjes te geven in de buik en tegen het (linker) been van voornoemde [beveiliger 1] en

- te schoppen tegen het lichaam van die voornoemde [beveiliger 1] en

- te bijten in de (onder)arm van die voornoemde [beveiliger 2] ;

Ten aanzien van feit 2 - subsidiair

in de periode van 26 april 2019 tot en met 5 mei 2019 te Amsterdam opzettelijk een zorgpas Menzis en een OV-chipkaart en een zorgpas Zilveren Kruis en een College/Studentenkaart (alle op naam gesteld van [persoon] , toebehorende aan [persoon] , en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als vinder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte de bewezen geachte feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, waarvan 23 dagen voorwaardelijk, wordt opgelegd met aftrek van voorarrest, bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 160 uren.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de straf te matigen en geen taakstraf op te leggen, gelet op de leeftijd van verdachte, zijn kwetsbare psychische gesteldheid en zijn toekomstperspectief.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal met geweld van twee beveiligers. Hierbij heeft verdachte geprobeerd de winkel te verlaten met een tas vol gestolen goederen. Bij betrapping is hij door het lint gegaan tegen de beveiligers, waarbij verdachte aan beiden verwondingen en pijn heeft toegebracht terwijl zij alleen bezig waren met de uitoefening van hun functie. Voor aangever [beveiliger 2] , die tijdens het incident een flinke bijtwond heeft opgelopen, zijn de consequenties heftig geweest. Hij heeft immers medicatie en vaccinaties moeten gebruiken in verband met mogelijk ontstekingsgevaar en/of een hepatitis B besmetting. Aangever [beveiliger 1] heeft, naast het letsel waar hij wekenlang last van heeft gehad, sinds het incident last van angstaanvallen en voelt zich zowel thuis als op zijn werk onveilig. Daarnaast heeft verdachte persoonlijke goederen verduisterd. Dat is een hinderlijk feit, wat voor de benadeelde financiële schade en overlast veroorzaakt.

De rechtbank neemt de proceshouding van verdachte eveneens in aanmerking. De rechtbank realiseert zich dat verdachte (zware) medicatie gebruikt maar dat neemt niet weg dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 8 juli 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Wel merkt de rechtbank op dat verdachte in korte tijd meerdere keren met justitie in aanraking is gekomen voor diverse delicten.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 30 juli 2019. De kern van de problematiek ligt in het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn destijds instabiele leefsituatie en zijn beïnvloedbaarheid. Verdachte is gediagnosticeerd met een schizo-affectieve stoornis en krijgt eenmaal per maand depot-medicatie toegediend. In 2014/2015 is verdachte een aantal malen psychotisch geweest. In maart 2019 heeft verdachte voor een half jaar een rechterlijke machtiging gekregen en heeft hij in verschillende instellingen gewoond. Verdachte heeft echter sinds de schorsing van de preventieve hechtenis een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij verblijft momenteel in de begeleid wonen-instelling [begeleid wonen-instelling] en werkt goed mee aan de behandeling van het FACT-team van Mentrum en het schorsingstoezicht. Er wordt onder meer gewerkt aan toeleiding naar een passende dagbesteding. De huidige positieve motivatie van verdachte kan worden aangemerkt als beschermende factor. Vanwege zijn impulsiviteit en beïnvloedbaarheid, acht de reclassering (woon)begeleiding en behandeling in een verplicht kader noodzakelijk om te kunnen werken aan blijvende stabilisering van zijn leefsituatie.

De reclassering adviseert het adolescentenstrafrecht toe te passen vanwege zijn beperkte handelingsvaardigheden en beïnvloedbaarheid. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanknopingspunten in het reclasseringsrapport om het adolescentenstrafrecht van toepassing te verklaren.

De oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) geven voor een winkeldiefstal met geweld als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van
3 maanden.

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met enerzijds het feit dat verdachte aan twee personen letsel heeft toegebracht -waaronder een nare bijtwond- en anderzijds het feit dat verdachte psychisch kwetsbaar is.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Gezien de ernst van de feiten is een gevangenisstraf op zijn plaats maar de rechtbank ziet aanleiding om het grootste deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden en een taakstraf.

9 Ten aanzien van de vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [beveiliger 1] vordert € 1.016,38, bestaande uit € 466,38 aan materiële schadevergoeding, te weten schade aan het scherm van een telefoon en gederfde inkomsten, en € 550 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, met uitzondering van de gederfde inkomsten van € 275,28. Het toe te wijzen bedrag van € 741,10 is te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Met betrekking tot de immateriële schade verzoekt de raadsman de schadevergoeding te matigen tot € 250,-.

Materiële schade

Ten aanzien van het kapotte scherm van de telefoon van de benadeelde partij is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende uit het dossier blijkt dat aan deze telefoon rechtstreeks schade is ontstaan door het onder 1 bewezen verklaarde feit. De schade aan de telefoon is namelijk niet genoemd in de aangifte en komt ook nergens anders in het dossier voor.

Met betrekking tot de gederfde inkomsten is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd of de benadeelde partij inkomsten is mis gelopen, omdat hij zich enkele dagen ziek heeft moeten melden. De bijlagen zijn onduidelijk en een onderbouwing van de werkgever ontbreekt.

De benadeelde partij zal ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat zij op grond van wat de benadeelde partij heeft opgeschreven met betrekking tot de impact die het geweld op hem heeft gehad en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend een immateriële schadevergoeding van € 550, conform de vordering, redelijk vindt.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 5 mei 2019.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de vervangende hechtenis op 11 dagen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 312, 321 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4. is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 2

verduistering.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte van 22 (tweeëntwintig) dagen van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht

Verdachte meldt zich na oproep bij Reclassering Nederland op het adres [adres]

. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren.

Ambulante behandeling

Verdachte laat zich behandelen door het FACT-team van [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Verdachte verblijft in [begeleid wonen-instelling] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf is reeds gestart en duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

Geeft aan genoemde instelling(en) opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 160 (honderdzestig) uur, bij niet verrichten te vervangen door 80 (tachtig) dagen vervangende hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [beveiliger 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van

€ 550 (vijfhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten
5 mei 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van de benadeelde partij [beveiliger 1] , € 550 (vijfhonderdvijftig euro) aan de Staat te betalen, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 5 mei 2019, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 11 (elf) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. C.A. van Dijk en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. G. Onnink en I. Meulman, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 augustus 2019.

[...]