Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:653

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-01-2019
Datum publicatie
01-02-2019
Zaaknummer
13/751888-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Vervolgings-EAB Polen, opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, terugkeergarantie, aanhouden van het onderzoek i.v.m. nadere vragen m.b.t. de Poolse rechtsstaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751888-18

RK-nummer: 18/7186

Datum uitspraak: 31 januari 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 oktober 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2006 (en “corrected by the judicial order issued on 17 May 2016”) door de Regional Court in Gliwice (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[naam opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1977,

verblijvend op het adres [adres]

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een executive judicial decision of detention awaiting trial issued by the District Court in Gliwice of 29 August 2006.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar het recht van Polen strafbaar feit.

Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Het feit valt op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Artikel 6, tweede lid, in samenhang met het vijfde lid, van de OLW

5.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon meer dan 5 jaar onafgebroken – in ieder geval sinds 1 juli 2008 – in Nederland woont en werkt. Hierdoor is sprake van een duurzaam en rechtmatig verblijf. Ter onderbouwing heeft de raadsman op voorhand stukken aan de rechtbank overgelegd, waaronder jaaropgaven over de jaren 2009 tot en met 2017, belastingaanslagen over de jaren 2013 tot en met 2017 en een uittreksel uit de Basisregistratie Personen. Tevens heeft de raadsman salarisspecificaties over het jaar 2018 aan de rechtbank overgelegd.

5.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon – gelet op de overgelegde stukken – kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Daarom heeft de officier van justitie ter zitting het advies van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van

20 december 2018 overgelegd, waaruit blijkt dat beëindiging van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon op grond van de feiten waarvoor de overlevering wordt gezocht, niet mogelijk is.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

  1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

  2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

  3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Ad 1.

Wat betreft de eerstgenoemde voorwaarde geldt dat volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank:

  • -

    een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt gelijkgesteld met een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger;

  • -

    een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger niet hoeft te worden aangetoond door overlegging van een verblijfsdocument, dit kan ook door het aantonen dat aan de materiële voorwaarden voor een dergelijk verblijfsrecht wordt voldaan.

Op basis van het dossier en de door de raadsman overgelegde stukken over de jaren 2013 tot en met 2018 moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon over een duurzaam verblijfsrecht beschikt. Hierbij is rekening gehouden met de materiële voorwaarden voor een duurzaam verblijfsrecht zoals volgt uit artikel 7 van de Richtlijn 2004/38/EG (Verblijfsrichtlijn). Van belang is dat in het Unierecht een werknemer of zelfstandige diegene is die reële en daadwerkelijke arbeid verricht die niet louter marginaal en bijkomstig is. Van reële en daadwerkelijke arbeid is volgens het beleid van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (zoals neergelegd in hoofdstuk B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000) in ieder geval sprake als de inkomsten uit arbeid meer bedragen dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm. De rechtbank zoekt in dit verband aansluiting bij dit beleid. De rechtbank is van oordeel dat voldoende inkomensgegevens zijn overgelegd met betrekking tot de jaren 2013 tot en met oktober 2018.

Uit de stukken blijkt dat de opgeëiste persoon van 1 januari 2013 tot en met oktober 2018 steeds een inkomen van ruim 50% van de bijstandsnorm heeft genoten als werknemer.

Tevens overweegt de rechtbank dat de opgeëiste persoon in die periode in Nederland zijn feitelijke verblijfplaats heeft gehad.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de opgeëiste persoon op (in ieder geval)
1 januari 2018 een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven, omdat hij op dat moment vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef. Niet is gebleken dat hij dit verblijfsrecht daarna heeft verloren.

De opgeëiste voldoet dus aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander.

Ad 2.

Onder verwijzing naar wat de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van het duurzame verblijfsrecht van de opgeëiste persoon en gelet op de artikelen 7 en 86b van het Wetboek van Strafrecht, concludeert de rechtbank dat ook is voldaan aan de tweede voorwaarde:
Nederlandse rechtsmacht.

Ad 3.

Blijkens het hiervoor genoemde advies van de IND is beëindiging van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon op grond van de feiten waarvoor de overlevering wordt gezocht, niet mogelijk.

Dit leidt tot de conclusie dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gelijkgesteld worden met een Nederlander. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Regional Court in Gliwice, IV Penal Decision heeft bij brief van 21 december 2018 de volgende garantie gegeven:

(…) in the case of [naam opgeëiste persoon] sought by virtue of the European Arrest Warrant kindly informs that the guarantees stipulated in Article 5 item 3 of the Council Framework Decision of 13th June 2002 on the European arrest warrant and the surrender procedures between member States are respected by the Polish party as they have been included in regulations of the Code of Criminal Procedure act.

Pursuant to Article 607j of the Code of Criminal Procedure, if the Member State executing the warrant surrendered the person prosecuted provided that the enforcement of a custodial sentence or another measure involving deprivation of liberty occurs in that state, the enforcement procedure shall not be instituted. In such event the court which has jurisdiction to examine the case, without delay, after the court decision becomes final, shall issue a ruling to transfer the person sentenced to the competent Member State of the European Union in order to execute a sentence imposed or another measure involving deprivation of liberty. (…)

It means that if the sought [naam opgeëiste persoon] is sentenced to an unconditional prison sentence in Poland, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Het bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en diefstal, vergezeld geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken.

7 Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

7.1.

Inleiding

De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 16 augustus 2018 (ECLI:RBAMS:2018:5925) een uitleg gegeven van het toetsingskader, gegeven bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 25 juli 2018 in de zaak C-216/18 PPU (hierna: het arrest). De rechtbank verwijst in zoverre naar de tussenuitspraak van 16 augustus 2018.

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak overwogen:

“Uit het arrest volgt dat wanneer, zoals in deze zaak, de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zich tegen zijn overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verzet met het argument dat sprake is van structurele of op zijn minst fundamentele gebreken die volgens hem een nadelig effect op de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de uitvaardigende lidstaat kunnen hebben en dus zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern kunnen aantasten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij over de overlevering van de opgeëiste persoon aan genoemde lidstaat heeft te beslissen, (naar analogie van het arrest Aranyosi en Căldăraru, punt 88 (Rechtbank: HvJ 5 april 2016, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198) gehouden is te beoordelen of hij een reëel gevaar loopt dat dit grondrecht zal worden geschonden.

Bij deze beoordeling moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit achtereenvolgens de volgende drie vragen beantwoorden:

1. Dreigt een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast wegens structurele of fundamentele gebreken wat de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van die staat in gevaar brengen?

2. In hoeverre kunnen de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat betreft, zoals die uit de ter beschikking staande gegevens blijken, gevolgen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties van die staat die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen?

3. Zijn er, in het licht van de specifieke zorgen die de opgeëiste persoon tot uitdrukking heeft gebracht en de eventueel door hem verstrekte inlichtingen, zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat hij een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en derhalve dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast, gelet op zijn persoonlijke situatie, de aard van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd en de feitelijke context die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt.”

De rechtbank heeft vervolgens in de eerder genoemde tussenuitspraak van 4 oktober 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032) de eerste vraag beantwoord en vastgesteld dat sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen, die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen, alsmede dat daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.

De rechtbank heeft in deze tussenuitspraak vervolgens overwogen:

“Gelet op de hiervoor genoemde vaststelling en het in meergenoemd arrest van het HvJ gegeven toetsingskader, moet de rechtbank vervolgens concreet en nauwkeurig beoordelen of er in de omstandigheden van het specifieke geval zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering het gevaar zal lopen om geen eerlijk proces te krijgen.

Hiertoe dient de rechtbank in de eerste plaats te onderzoeken in hoeverre de structurele of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties in Polen betreft, gevolgen kunnen hebben op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.”

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat zij voor de beantwoording van deze - tweede - vraag behoefte heeft aan een actueel en concreet beeld van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

De rechtbank heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarom uitgenodigd tot een dialoog zoals in het arrest beschreven in paragraaf 76 tot en met 78. De rechtbank heeft een aantal vragen geformuleerd en verzocht in ieder geval informatie te verstrekken over de volgende onderwerpen:

  1. de personele wijzigingen die zich sinds de inwerkingtreding van de wijziging van de wet inzake de organisatie van de gewone rechtbanken hebben voorgedaan, in het bijzonder de wijzigingen met betrekking tot de (vice)voorzitters en rechters;

  2. de regels en procedures met betrekking tot de toewijzing van zaken aan kamers of rechters binnen de bevoegde rechterlijke instanties en de behandeling daarvan;

  3. de tuchtzaken of andere disciplinaire maatregelen die (vice)voorzitters en rechters van de genoemde rechterlijke instanties sindsdien hebben geraakt, bijvoorbeeld in de vorm van wijzigingen met betrekking tot de bezoldiging;

  4. de procedures die de opgeëiste persoon ter beschikking staan om schendingen van het hem toekomende recht op een onafhankelijk gerecht te kunnen aanvechten, en de waarborgen waarmee zij zijn omgeven;

  5. buitengewoon beroep.

De rechtbank heeft de uitvaardigende Poolse autoriteit bovendien uitgenodigd tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder ook gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

Zoals hiervoor vermeld zijn de hiervoor genoemde vragen ook in de onderhavige zaak ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd en heeft de rechtbank vervolgens een antwoord van de Poolse justitiële autoriteit ontvangen.

7.2.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat de behandeling van de zaak dient te worden aangehouden, teneinde aanvullende vragen te stellen aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit. Hiertoe heeft hij betoogd dat aansluiting moet worden gezocht bij twee uitspraken van deze rechtbank van 4 januari 2019 (ECLI:NL:RBAMS:2019:46 en ECLI:NL:RBAMS:2019:47), nu deze zaken betrekking hebben op dezelfde instantie(s) als waarbij het proces van de opgeëiste persoon in onderhavige zaak zal dienen.

7.3.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden, teneinde aanvullende informatie op te vragen. Hierbij heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht nogmaals kritisch naar de vragen in de hiervoor genoemde uitspraken te kijken, nu niet steeds duidelijk is wat met de aldaar opgenomen vragen wordt bedoeld.

7.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is na sluiting van het onderzoek ter zitting tot de conclusie gekomen dat het wenselijk is dat de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt voortgezet.

De rechtbank beschikt op dit moment nog over onvoldoende informatie om zich een afdoende actueel en concreet beeld te kunnen vormen van de stand van zaken inzake de bescherming van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid op het niveau van de rechterlijke instanties in Polen die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Aangezien deze informatie ook relevant kan zijn voor de hiervoor genoemde - derde - vraag of concreet een gevaar voor een oneerlijk proces voor de opgeëiste persoon moet worden aangenomen, komt de rechtbank aan de beantwoording van deze vraag nog niet toe.

De rechtbank verzoekt de uitvaardigende Poolse autoriteit dan ook nogmaals om haar, gelet op de aanbevelingen in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, te voorzien van informatie om haar in staat te stellen een oordeel te vormen over de actuele en concrete gevolgen van de recente Poolse wetgeving voor de rechterlijke instanties die bevoegd zijn voor de procedures waaraan de gezochte persoon zal worden onderworpen, als bedoeld in rechtsoverweging 74 van het arrest.

Bovendien herhaalt de rechtbank haar uitnodiging aan de uitvaardigende Poolse autoriteit tot het verschaffen van andere gegevens die zij voor de door deze rechtbank te nemen beslissing van belang acht, in het bijzonder gegevens waarmee kan worden aangetoond dat het gevaar voor een aantasting van het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht en daarmee zijn grondrecht op een eerlijk proces kan worden uitgesloten.

In vervolg op de reeds verstrekte informatie vraagt de rechtbank in het bijzonder aandacht voor het volgende:

Vragen over bevoegde rechterlijke instanties

  1. De antwoorden die zijn overgelegd zien op de strafzaken van andere opgeëiste personen. De rechtbank vraagt daarom zekerheidshalve of de rechterlijke instantie(s) waarop de antwoorden zien bevoegd is/zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen.

  2. De rechtbank heeft behoefte aan gegevens ten aanzien van ieder van de rechterlijke instanties die concreet bevoegd zijn voor de procedures waaraan de opgeëiste persoon zal worden onderworpen. Wat betreft de reeds verstrekte informatie geldt daarbij, dat de beantwoording met betrekking tot de vragen A2 en A3 ziet op de District Court/Regional Court die mogelijk de zaak zal gaan behandelen. Zijn er meerdere rechterlijke instanties bevoegd om te oordelen over de zaak van deze opgeëiste persoon, bijvoorbeeld na het instellen van beroep in alle voornoemde gevallen? Zo ja, dan verzoekt de rechtbank dat de vragen ook voor deze instanties worden beantwoord.

Ten aanzien van vraag A1:

Blijkens het gegeven antwoord is/zijn één of meer (vice)presidenten ontslagen.

Wat is de reden voor dit/deze ontslag(en)?

Ten aanzien van vraag C1:

Blijkens het gegeven antwoord is tegen één rechter een disciplinaire procedure gestart. Wat is de exacte reden voor deze procedure? Welke bepaling(en) is/zouden zijn geschonden? Indien van toepassing, wat is de uitkomst van deze procedure?

Ten aanzien van vraag C2:

Blijkens het gegeven antwoord heeft per 1 januari 2018 een wijziging plaatsgevonden met betrekking tot de bezoldigingen en/of bonussen van alle rechters. Kunt u hierover meer informatie verstrekken? Gaat het om (een) wijziging(en) in positieve of negatieve zin? Wat was de reden van deze wijziging?

Ten aanzien van vraag E1:

  1. Blijkens verstrekte informatie waren (ten tijde van de beantwoording) nog geen zaken behandeld door het Hooggerechtshof (Sąd Najwyższy). Zijn er wel zaken aanhangig gemaakt?

  2. Zijn er adviezen uitgebracht?

De rechtbank verzoekt dat de vragen worden doorgeleid naar een bevoegd(e) persoon of instantie, indien dit voor de beantwoording daarvan noodzakelijk is.

Eindvraag:

Tot slot verzoekt de rechtbank de uitvaardigende justitiële autoriteit alle gegevens die in deze dialoog van belang zijn maar wellicht buiten het kader van de gestelde vragen vallen, te vermelden.

7.5.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en voor onbepaalde tijd schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de hiervoor genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

De vragen dienen binnen vier weken na de uitspraak te worden beantwoord. Binnen vier weken na ontvangst van de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit zal een vervolgzitting worden gepland.

8 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.C. Eggink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 31 januari 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.