Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6510

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-09-2019
Datum publicatie
09-03-2020
Zaaknummer
AMS 18/6358
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Artikel 53 van de Wet WIA en artikel 2 en 3 van de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (de Beleidsregel). Het Uwv heeft bij de vraag of eiseres in aanmerking komt voor verhoging van haar WIA-uitkering met 85% ten onrechte getoetst aan het criterium “geregelde oppassing”. Het criterium oppassing staat niet in artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel maar in artikel 2 van de Beleidsregel over verhoging van de uitkering met 100%. Het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is in zoverre niet hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/6358

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv

(gemachtigde: A.J. Kniesmeijer).

Procesverloop

Met een besluit van 28 mei 2018 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) niet wordt verhoogd.

Met een besluit van 2 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar partner [naam] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak AMS 18/5465.

Overwegingen

De aanleiding voor deze procedure

1. Met een besluit van 8 maart 2018 heeft het Uwv aan eiseres een WIA-uitkering toegekend vanaf 22 februari 2018 naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 – 100%.

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om verhoging van haar WIA-uitkering in verband met hulpbehoevendheid.

3. Met het primaire besluit heeft het Uwv beslist dat de WIA-uitkering van eiseres niet wordt verhoogd in verband met hulpbehoevendheid. Het Uwv heeft aan dit besluit een aanvullende rapport van de verzekeringsarts van 18 mei 2018 ten grondslag gelegd. In het rapport van 18 mei 2018 verwijst de verzekeringsarts naar zijn rapport van 9 februari 2018.

4. Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2018 ten grondslag gelegd.

Het standpunt van eiseres

5. Eiseres voert (samengevat) aan dat de aanvraag om verhoging van haar WIA-uitkering onterecht is afgewezen. De rechtbank zal hierna, na weergave van de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv, de beroepsgronden van eiseres afzonderlijk bespreken.

Het juridische kader

6. De rechtbank verwijst voor de bepalingen die van toepassing zijn in deze zaak naar de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De medische beoordeling door het Uwv

7. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 9 februari 2018 volgt dat hij het dossier heeft bestudeerd en een psychisch en lichamelijk onderzoek heeft uitgevoerd. Eiseres ervaart beperkingen op het gebied van haar bewegingsapparaat en zicht. De klachten van eiseres worden ondersteund door de aanwezige medische informatie. De verzekeringsarts neemt beperkingen aan voor: frequent reiken, tillen/dragen, duwen/trekken, boven schouderhoogte werken, langdurig auto besturen, langdurig beeldschermwerk, grove trillingen op de nek/schouders, lang zitten, niet werken op hoogte en niet werken met gevaarlijke machines. Er is geen reden voor het aannemen van een urenbeperking, ondanks de vermoeidheidsklachten van eiseres. Eiseres voldoet niet aan de criteria van de standaard Verminderde Arbeidsduur. Daarom is geen urenbeperking aangenomen.

8. Uit het aanvullende rapport van de verzekeringsarts van 18 mei 2018 volgt dat hij het dossier en de door eiseres ingevulde vragenlijst heeft bestudeerd en eiseres telefonisch heeft gesproken. Eiseres heeft gemeld dat er nu een diagnose is voor haar linker schouder, frozen shoulder. Eiseres heeft hiervoor een injectie gehad en zij krijgt fysiotherapie. Volgens de verzekeringsarts is er bij de beoordeling van 9 februari 2018 al rekening gehouden met de beperkte schouderbelastbaarheid beiderzijds. De verzekeringsarts licht toe dat hij de hulpbehoevendheid heeft beoordeeld op grond van het ingevulde formulier. Hij overweegt dat eiseres is aangewezen op hulp bij sommige essentiële dagelijkse terugkerende levensverrichtingen, onder andere het douchen en aankleden. Eiseres is echter niet aangewezen op geregelde oppassing. Zij kan een uur alleen blijven zonder dat zij daarbij valt of anderszins gevaar loopt. Zij komt niet in aanmerking voor verhoging van de uitkering.

9. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2018 volgt dat zij het dossier en het bezwaar van eiseres heeft bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet op basis van de ter beschikking staande gegevens geen aanleiding om af te wijken van het primaire medische oordeel. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er voldoende beperkingen vastgesteld ten aanzien van schouderbelastende inspanningen. Daarnaast heeft de verzekeringsarts terecht geconcludeerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor ophoging van de WIA-uitkering op basis van hulpbehoevendheid. Uit het onderzoek door de verzekeringsarts is gebleken dat eiseres weliswaar enige hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen maar niet is gebleken dat er een medische noodzaak is tot geregelde handreikingen door derden. Evenmin is naar voren gekomen dat er een objectief medische noodzaak zou bestaan voor toezicht of oppas.

De beoordeling door de rechtbank

Het verzoek om correctie

10. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 9 van haar uitspraak van 4 september 2019 in het beroep van eiseres met zaaknummer AMS 18/5465 en beschouwt het oordeel van de rechtbank op dit punt als hier herhaald en ingelast. De rechtbank vindt het ook in de hier voorliggende zaak niet aannemelijk dat een fout in de data van invloed is op de zaak.

Hoorzitting

11. Op de zitting is besproken waarom er geen hoorzitting is gehouden. Het Uwv heeft toegelicht dat vanwege het tekort aan verzekeringsartsen bij het Uwv de verzekeringsarts eerst het dossier bestudeert en op basis daarvan bekijkt of het noodzakelijk is om een hoorzitting te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit geval op basis van de aanwezige gegevens in het dossier geoordeeld dat er geen reden is om af te wijken van de beoordeling door de verzekeringsarts. Zij heeft eiseres daarom niet uitgenodigd voor een hoorzitting. Het Uwv heeft op de zitting erkend dat eiseres echter niet heeft afgezien van het recht om te worden gehoord en dat de zinssnede in het bestreden besluit ‘u heeft niet gebruikgemaakt van de mogelijkheid om uw bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten’ ongelukkig is geformuleerd. Eiseres is dus ten onrechte niet gehoord. De rechtbank zal hierna toelichten wat de gevolgen zijn van het niet horen van eiseres.

Het verzoek om verhoging van de WIA-uitkering

12. Eiseres is van mening dat zij in aanmerking komt voor verhoging van haar WIA-uitkering. Zij baseert zich op de informatie van de website van het Uwv over hulpbehoevendheid. Zij heeft met name gewezen op de informatie over het verkrijgen van een uitkering van 85%. Daarnaast heeft zij op de zitting toegelicht dat zij, in verband met haar gezondheidsklachten, afhankelijk is van de hulp van haar partner.

13. De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is de informatie zoals vermeld op de website van het Uwv over een hogere uitkering bij langdurige hulp of verzorging besproken. Onder het kopje “Wanneer krijg ik een uitkering van 85%?” staat “Heeft u hulp nodig, maar kunt u zich voor een deel alleen redden? Dan kunt u een uitkering van 85% van uw (vervolg) dagloon of grondslag krijgen”. Het Uwv heeft op de zitting toegelicht dat mensen geen rechten kunnen ontlenen aan hetgeen op de website staat vermeld. Om in aanmerking te komen voor verhoging van de uitkering moet worden voldaan aan twee criteria (geregelde oppassing en verzorging). Deze criteria worden streng toegepast.

14. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat eiseres gelet op de hiervoor genoemde informatie op de website van het Uwv in de veronderstelling verkeerde dat zij in aanmerking zou komen voor een verhoging van haar uitkering. De rechtbank dient in deze zaak echter te beoordelen of het Uwv de aanvraag om verhoging terecht heeft afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 53 van de Wet WIA en artikel 2, eerste lid en artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid van

23 oktober 2007 (hierna: de Beleidsregel).1 De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank legt dat hierna uit.

15. Volgens de verzekeringsarts kan eiseres een uur alleen thuis blijven zonder dat zij daarbij valt of anderszins gevaar loopt. Er bestaat geen medische noodzaak tot geregelde handreikingen door derden of een objectief medische noodzaak voor toezicht of oppas, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de Beleidsregel wordt een onderscheid gemaakt tussen een beperkte mate van hulpbehoevendheid en een grotere hulpbehoevendheid. In het eerste geval is de verhoging 85% en in het laatste geval 100%. De criteria in artikel 2 en 3 van de Beleidsregel zijn dan ook verschillend. In de rapporten van de verzekeringsartsen is niet uitgelegd welke situatie is getoetst. De rechtbank merkt in dat verband op dat in artikel 3 van de Beleidsregel niet “oppassing” is vermeld. Ook is onduidelijk hoe de vaststelling dat eiseres een uur alleen thuis kan blijven zonder dat zij daarbij valt of anderszins gevaar loopt, zich verhoudt tot het in de Beleidsregel genoemde toetsingskader. Het is voor de rechtbank al om die reden niet duidelijk waar het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv op is gebaseerd. Daar komt bij dat niet duidelijk is of de verzekeringsartsen bij het opstellen van hun rapporten beschikten over alle relevante feiten en omstandigheden. De rechtbank weegt hierin mee dat eiseres de vragenlijst hulpbehoevendheid niet volledig heeft ingevuld. Er is verder geen verslag gemaakt van het telefoongesprek tussen de verzekeringsarts en eiseres op 18 mei 2018. In de telefoonnotitie van 24 juli 2018 staat slechts kort vermeld wat er is besproken en dat de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep uitsluitend heeft plaatsgevonden op basis van het dossier. De rechtbank wijst er verder op dat eiseres de conclusies van de verzekeringsarts met betrekking tot haar gezondheid betwist. Omdat eiseres ten onrechte niet is gehoord, heeft zij niet de gelegenheid gehad om haar standpunt en haar situatie nader toe te lichten. Dat betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, onvolledig is gemotiveerd en ook in strijd is met de hoorplicht.

16. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).2 Met het oog op finale geschilbeslechting zal de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen deze gebreken te herstellen. Dat betekent dat eiseres alsnog dient te worden gehoord en te worden gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Op deze manier dient te worden vastgesteld wat de feitelijke situatie is van eiseres ten tijde van de aanvraag. Vervolgens dient inzichtelijk te worden gemaakt waarom eiseres wel of niet in aanmerking komt voor een verhoging van haar uitkering van 100% dan wel 85% gelet op de criteria die hiervoor gelden, zoals genoemd in artikel 53 van de Wet WIA en de artikelen 2, eerste lid en 3, eerste lid, van de Beleidsregel.

Gelegenheid voor het herstellen van het gebrek

17. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen de hiervoor geconstateerde gebreken te (laten) herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder de gebreken kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

18. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

19. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.

20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. S.E. Berghout, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

In artikel 53 van de Wet WIA is bepaald dat, indien de verzekerde verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, de arbeidsongeschiktheid voor de duur van de hulpbehoevendheid wordt verhoogd. Deze bepaling is nader uitgewerkt in de Beleidsregel.

Artikel 2 van de Beleidsregel ziet op de verhoging van de uitkering tot 100%. Het eerste lid van dit artikel luidt als volgt:

1. De uitkering wordt verhoogd tot 100% van het dagloon, het vervolgdagloon of de grondslag, dan wel tot 100/75 van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel tot 100/75 of 100/70 van de WGA-uitkering:

a. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is;

b. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is;

c. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.

In artikel 3 van de Beleidsregel is uitgewerkt wanneer er recht bestaat op een verhoging tot 85%. In het eerste lid van dit artikel staat dat de uitkering wordt verhoogd, indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn. Op grond van artikel 3, tweede, lid van de Beleidsregel vindt geen verhoging plaats, indien uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging van verzekerde wordt voorzien.

1 Stcrt. 2007, 241. Zie voor de relevante bepalingen de bijlage.

2 Artikel 3:2 van de Awb vereist dat een besluit zorgvuldig wordt voorbereid, in artikel 7:2 van de Awb staat de hoorplicht en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb schrijft voor dat een besluit deugdelijk moet worden gemotiveerd.