Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6469

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-08-2019
Datum publicatie
04-09-2019
Zaaknummer
13/665042-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

jeugdstrafrecht; ontneming; verrekening met vordering benadeelde partij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/665042-19 (ontneming)

Datum uitspraak: 29 augustus 2019

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/665042-19, tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 15 augustus 2019.

2 De vordering

De vordering van de officier van justitie van 25 juli 2019 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 750,--.

3 Grondslag van de vordering

De veroordeelde [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2019, voor zover hier van belang, vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde (zaakdossier 26) en veroordeeld voor de onder 5 tenlastegelegde diefstal met braak in vereniging (zaakdossier 28). Ook heeft de rechtbank zaakdossier 27 hierbij betrokken, nu er aanwijzingen zijn dat verdachte zich ook aan dit feit heeft schuldig gemaakt.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de veroordeelde, met het plegen van de strafbare feiten uit zaakdossiers 26 en 28 en de aanwijzingen die er zijn ten aanzien van zaaknummer 27, wederrechtelijk voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en dat dit voordeel aan de Staat dient te worden terugbetaald. Het voordeel bestaat uit de opbrengst van twee weggenomen en doorverkochte motoren, waarbij wordt uitgegaan van de laagste opbrengst, zijnde € 500,-- per motor. De officier van justitie acht het redelijk om het wederrechtelijk verkregen voordeel evenredig tussen de twee daders te verdelen, nu het feit tezamen en in vereniging is gepleegd.

4.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen, gelet op de betoogde vrijspraak ten aanzien van de feiten uit zaakdossiers 26 en 28. Ten aanzien van zaakdossier 27 is de verdediging de mening toegedaan dat de betrokkenheid van verdachte ook bij dit feit niet kan worden aangenomen.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwijst naar voormeld vonnis van 29 augustus 2019 waarbij de veroordeelde onder meer is vrijgesproken van het onder 4 tenlastegelegde (zaakdossier 26) en veroordeeld voor de onder 5 tenlastegelegde diefstal met braak in vereniging van een motor op 7 februari 2019 te Amsterdam (zaakdossier 28).

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voorts acht geslagen op de ‘onderbouwing ontnemingsvordering’ van het openbaar ministerie.

Op grond van zaakdossier 28 kan worden vastgesteld dat een motor is weggenomen op

7 februari 2019 en dat deze motor is doorverkocht. Hierbij kan worden uitgegaan van een minimale opbrengst van € 500,--. Naar het oordeel van de rechtbank is door middel van voornoemd strafbare feit in beginsel voordeel verkregen dat de rechtbank waardeert op

€ 500,--. Nu het feit samen met een ander is gepleegd, gaat de rechtbank ervan uit dat de buit pondspondsgewijs is verdeeld tussen de twee daders, derhalve € 250,-- per dader.

Op grond van zaakdossier 27 bestaan voldoende aanwijzingen dat een motor is weggenomen tussen 2 februari 2019 en 4 februari 2019 en dat deze motor is doorverkocht en dat veroordeelde hierbij als medepleger betrokken is geweest. Hierbij kan worden uitgegaan van een minimale opbrengst van € 500,--. Naar het oordeel van de rechtbank is door middel van voornoemd strafbare feit in beginsel voordeel verkregen dat de rechtbank waardeert op € 500,--. Nu het feit samen met een ander is gepleegd, gaat de rechtbank ervan uit dat de buit pondspondsgewijs is verdeeld tussen de twee daders, derhalve € 250,-- per dader.

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde verkregen voordeel op twee maal € 250,--, zijnde € 500,--. Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve vastgesteld op € 500,--.

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank overweegt dat in artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht is opgenomen dat bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht.

In het onderhavige geval heeft de eigenaar van de motor uit zaakdossier 28 een vordering tot schadevergoeding ingediend die bij voormeld vonnis is toegewezen, maar het gevorderde bedrag ziet op andere (materiële) schadeposten dan de opbrengst van de motor. Dit brengt met zich dat deze toegekende schadevergoeding geen invloed heeft op de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Wel ziet de rechtbank in de toekenning van de schadevergoeding aanleiding om het bedrag dat de veroordeelde dient te betalen te verminderen met € 250,--, aangezien de in zaakdossier 28 toegekende schadevergoeding het in die zaak verkregen voordeel (ruimschoots) overschrijdt.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 500,-- (vijfhonderd euro).

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 250,-- (tweehonderdenvijftig euro).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.P.C. van Dam van Isselt, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. E.M. Devis en A.G.P. van der Baan, rechters,

en mr. S.M. Wilbers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 augustus 2019.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.