Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6265

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2019
Datum publicatie
25-10-2019
Zaaknummer
AMS 19/127 en 19/2307
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgtoeslag, toepassing woonlandbeginsel niet kennelijk onredelijk, in één periode (van drie) onterechte toepassing artikel 2, vierde lid, Wzt omdat toeslagpartner via artikel 69 Zvw (jo. artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, Wzt) wel verzekerd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 19/127 en 19/2307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2019 in de zaken tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. L.N. Huizenga),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. C.N.J. van Groenestijn).

Procesverloop

AMS 19/127

Met het besluit van 21 augustus 2018 (het primaire besluit I) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag van eiser voor het jaar 2018 vastgesteld op € 594,-.

Met het besluit van 26 november 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld.

Met het besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit II) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag van eiser voor het jaar 2018 gewijzigd vastgesteld op € 725,-.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

AMS 19/2307

Met het besluit van 31 december 2018 (het primaire besluit II) heeft verweerder het recht van eiser op zorgtoeslag voor het jaar 2017 definitief berekend en vastgesteld op € 533,-.

Met het besluit van 11 maart 2019 (het bestreden besluit III) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit III beroep ingesteld.

AMS 19/127 en 19/2307

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. De Wet op de zorgtoeslag (Wzt) is een inkomensafhankelijke regeling. Dit betekent dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is.

3. Niet in geschil is dat [de persoon] (hierna: [de persoon] ) de toeslagpartner van eiser is.

4. Eiser woonde, voor zover hier van belang, in de jaren 2017 en 2018 in Nederland.

5. Uit meldingen van het Centraal Administratiekantoor (CAK) blijkt dat [de persoon] met ingang van 1 januari 2006 bij het CAK een zorgverzekering heeft afgesloten en dat deze buitenlandse zorgverzekering is beëindigd per 29 augustus 2018.

6. Uit gegevens van de basisregistratie personen (BRP) blijkt dat [de persoon] per 2 juli 2018 verblijfscode 31 heeft. Dit houdt in dat [de persoon] per 2 juli 2018 rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f dan wel h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op grond van artikel 5 van de Awir wordt – samengevat – een wijziging in de omstandigheden die zich voordoet na de eerste dag van de maand, in aanmerking genomen vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand. Dit betekent dat het hebben van verblijfscode 31 door [de persoon] in aanmerking wordt genomen vanaf 1 augustus 2018.

7. [de persoon] stond, voor zover hier van belang, in de periode van 1 januari 2017 tot 29 augustus 2018 in Marokko ingeschreven. Blijkens gegevens uit de BRP blijkt dat zij met ingang van 29 augustus 2018 staat ingeschreven op eisers woonadres in Nederland. Dit betekent op grond van artikel 5 van de Awir dat de inschrijving van [de persoon] op eisers woonadres in aanmerking wordt genomen vanaf 1 september 2018.

8. De besluitvorming van verweerder valt – mede gelet op het voorgaande – uiteen in drie te onderscheiden periodes:

- januari 2017 tot en met juli 2018;

- augustus 2018; en

- september 2018 tot en met december 2018.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit I

9. Verweerder heeft hangende het beroep tegen het bestreden besluit I het bestreden besluit II genomen. Daarmee heeft verweerder een besluit genomen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op het bepaalde in dit artikellid heeft het beroep van eiser mede betrekking op het bestreden besluit II. Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit I. De rechtbank zal daarom het beroep tegen het bestreden besluit I niet‑ontvankelijk verklaren.

De bestreden besluiten II en III

10. De rechtbank stelt vast dat het recht van eiser op zorgtoeslag in de periode van september 2018 tot en met december 2018 tussen partijen niet in geschil is. Ter beoordeling ligt dus voor eisers recht op zorgtoeslag in de periode van januari 2017 tot en met augustus 2018. Bij de beoordeling sluit de rechtbank aan bij de eerdergenoemde periodes.

Januari 2017 tot en met juli 2018

11. De rechtbank stelt voorop dat verweerder terecht artikel 2, vierde lid, van de Wzt in deze periode niet van toepassing heeft geacht. Dit artikellid luidt: “In afwijking van het eerste lid bedraagt de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een partner die geen verzekerde is, vijftig procent van het op grond van het eerste lid berekende bedrag”.

12. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de vaststelling van eisers recht op zorgtoeslag in deze periode in beginsel de woonlandfactor dient te worden toegepast. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt dat toepassing van de woonlandfactor kennelijk onredelijk is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser in beroep een vergelijk gemaakt tussen zijn eigen situatie en de situatie van een in Nederland woonachtige burger met (ook) een toeslagpartner in Marokko die, anders dan [de persoon] , niet via het CAK is meeverzekerd. Eiser stelt dat deze in Nederland woonachtige burger lagere maandelijkse premiekosten heeft, omdat geen premie aan het CAK moet worden afgedragen, maar ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wzt wel een hogere zorgtoeslag ontvangt dan eiser.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser – wat er ook zij van het door hem gemaakte vergelijk – niet aannemelijk gemaakt dat toepassing van de woonlandfactor in zijn geval kennelijk onredelijk is. Het enkele feit dat eiser, zoals hij stelt, hogere maandelijkse premiekosten heeft dan iemand in de door eiser geschetste situatie, maakt niet dat toepassing van de woonlandfactor in zijn geval kennelijk onredelijk is. De rechtbank overweegt in dat verband onder meer dat het een vrijwillige keuze van [de persoon] was om zich via het CAK te verzekeren en dat als gevolg van deze keuze – anders dan in de door eiser geschetste situatie – zorg in Marokko wordt ontvangen ten laste van Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.

Augustus 2018

14. Verweerder heeft in deze periode artikel 2, vierde lid, van de Wzt van toepassing geacht. Volgens verweerder is [de persoon] in deze periode, omdat verblijfscode 31 in aanmerking wordt genomen, geen verzekerde op grond van artikel 2.1.1, eerste (naar de rechtbank begrijpt: tweede) lid, van de Wet langdurige zorg. Ingevolge dit artikellid zijn, in afwijking van het eerste lid, niet verzekerd vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw 2000.

15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder [de persoon] in deze periode ten onrechte niet verzekerd geacht in de zin van de Wzt. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wzt is verzekerde, voor zover hier van belang, de persoon, bedoeld in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zoals is overwogen onder 5 en 7 was [de persoon] tot 29 augustus 2018 verzekerd via het CAK en stond zij tot diezelfde datum in Marokko ingeschreven. Dit betekent dat [de persoon] verzekerde was in de zin van artikel 69 van de Zvw in combinatie met artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wzt. Verweerder heeft artikel 2, vierde lid, van de Wzt derhalve onterecht toegepast in deze periode.

16. Eiser stelt zich ook wat betreft deze periode op het standpunt dat toepassing van de woonlandfactor kennelijk onredelijk is. Deze grond slaagt niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar wat is overwogen onder 13.

Hoorplicht

17. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder zijn hoorplicht heeft geschonden.

18. Verweerder heeft zich in de zaak AMS 19/127 ter zitting op het standpunt gesteld dat hij zijn hoorplicht heeft geschonden. Omdat het beroep in de zaak AMS 19/127 gelet op wat is overwogen onder 15 reeds gegrond zal worden verklaard, zal de rechtbank het beroep van eiser voor zover dat is gericht tegen de schending van de hoorplicht in die zaak verder onbesproken laten.

19. In de zaak AMS 19/2307 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij terecht heeft afgezien van het horen van eiser op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.

20. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1, mag van het horen slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. De beslissing om met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen af te zien, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is gesteld.

21. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat verweerder naar aanleiding van het bezwaarschrift gedateerd 31 januari 2019 mocht concluderen dat een hoorzitting niet tot een andersluidend besluit zou kunnen leiden. De beroepsgrond dat verweerder zijn hoorplicht heeft geschonden in de zaak AMS 19/2307 slaagt daarom niet.

Conclusie

22. Het beroep tegen het bestreden besluit II is gelet op wat is overwogen onder 15 gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit II voor zover dat de vaststelling (bij voorschot) van het recht van eiser op zorgtoeslag in de maand augustus 2018 betreft. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat een nieuwe (totaal)berekening van het recht van eiser op zorgtoeslag over het jaar 2018 nodig is. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

23. Het beroep tegen het bestreden besluit III is ongegrond.

24. Reeds omdat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem in de zaak AMS 19/127 betaalde griffierecht vergoedt.

25. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiser gemaakte proceskosten in de zaak AMS 19/127. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

in zaak AMS 19/127:

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit I niet‑ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit II gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II voor zover het de vaststelling (bij voorschot) van het recht van eiser op zorgtoeslag in de maand augustus 2018 betreft;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.024,-.

in zaak AMS 19/2307:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit III ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.S. Boomhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH3264.