Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6250

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-08-2019
Datum publicatie
11-09-2019
Zaaknummer
C/13/670003 / KG ZA 19-806
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Schorsing tenuitvoerlegging Oostenrijks vonnis afgewezen. Geen strijd met Nederlandse openbare orde. Beëindiging opdracht procesvertegenwoordiger is een omstandigheid de cliënt persoonlijk betreffend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/670003 / KG ZA 19-806 AB/MB

Vonnis in kort geding van 21 augustus 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONNEXYS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij dagvaarding van 30 juli 2019,

advocaten mrs. V. van Druenen en C. Jeloschek te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar Oostenrijks recht

RK-MANAGEMENT GMBH,

gevestigd te Oberndorf bei Salzburg (Oostenrijk),

in deze zaak woonplaats gekozen hebbend te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.W.B. van Till te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Connexys en RK worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 7 augustus 2019 heeft Connexys gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
RK heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

aan de zijde van Connexys: mrs. Van Druenen en Jeloschek;

aan de zijde van RK: mr. Van Till.

2 De feiten

2.1.

Connexys is een Nederlandse vennootschap die recruitmentsoftware ontwikkelt en verkoopt aan werving- en selectiebureaus en werkgevers. RK is een Oostenrijkse vennootschap die actief is op het gebied van werving en selectie. Partijen hebben van september 2014 tot en met januari 2017 samengewerkt in het kader van een agentuurrelatie. Connexys heeft deze op 29 september 2016 per 31 januari 2017 opgezegd.

2.2.

Op 4 januari 2017 heeft RK Connexys gedagvaard voor het Landesgericht in Salzburg (Oostenrijk) ter verkrijging van een “Buchauszug” (verstrekking van gegevens) en betaling van provisie. Connexys werd in die procedure bijgestaan door een Oostenrijkse advocaat (van het kantoor Mahringer Steinwender Bestebner Rechtsanwälte (hierna ook Mahringer). Procesvertegenwoordiging is in Oosstenrijk in een procedure als deze verplicht. Als omschrijving van de vorderingen van RK is in het inleidende processtuk vermeld:

1. Buchauszug (….) € 30.000,00

2. Provisionen nach Buchauszug (Stufenbegehren) € 30.000,00

Gesamtstreitwert € 60.000,00

De procedure heeft als kenmerk 1 Cg 2/17m.

2.3.

Partijen hebben ook in Nederland tegen elkaar geprocedeerd. Bij vonnis van 1 december 2017 heeft de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaard in een door Connexys tegen RK aangespannen procedure, waarin een verklaring voor recht werd gevorderd dat de agentuurrelatie per 31 januari 2017 rechtsgeldig was geëindigd.

2.4.

Op 15 januari 2018 heeft het Landesgericht Salzburg een tussenvonnis (“Teilurteil”) gewezen, waarin Connexys is veroordeeld tot het verstrekken van inzage in gegevens en betaling van de proceskosten.

2.5.

Op 22 februari 2018 heeft Mahringer aan het Landesgericht Salzburg meegedeeld dat haar procesvolmacht was ingetrokken. Een nieuwe procesvertegenwoordiger heeft zich daar niet gemeld.

2.6.

Op 27 november 2018 heeft het Landesgericht Salzburg aan (de Oostenrijkse procesvertegenwoordigers van) partijen een oproep betekend van de mondelinge behandeling voor 4 maart 2019 van de procedure met kenmerk 1 Cg 2/17m. Op 28 maart 2019 is aan de Oostenrijkse advocaten opnieuw een oproep betekend voor een nader vastgestelde mondelinge behandeling op 24 april 2019.

In de oproepen is vermeld dat het ging om een vordering van € 100.000,-.

2.7.

In de oproep van 28 maart 2019 staat ook het volgende:

2) Zur bereits am 22.2.2018 bekannt gegebenen Vollmachtsauflösung der Beklagtenvertreter wird auf §§ 36,93 Abs 1 ZPO verwiesen.

3) Der beklagten Partei wird gemäß § 180 Abs 2 ZPO aufgetragen, binnen 14 Tagen ein allfälliges konkretes Bestreitungsvorbringen zum nun bezifferten Zahlungsbegehren der klagenden Partei zu erstatten (…).”

2.8.

In het proces-verbaal van de zitting van 24 april 2019 is opgenomen dat namens Connexys niemand is verschenen. Daarbij is het volgende vermeld:

Die Zustellung der Lading zum heutigen Termin an die bisherigen Beklagtenvertreter ist ausgewiesen.” Dat wil zeggen dat de tot dan toe bekende procesvertegenwoordiger van Connexys volgens dit proces-verbaal van de behandelingsdatum op de hoogte is gesteld.

2.9.

Op 24 mei 2019 heeft het Landesgericht Salzburg in de onder 2.2 genoemde procedure eindvonnis (hierna ook: het Oostenrijkse vonnis) gewezen. Connexys is daarbij veroordeeld tot voldoening aan RK van een bedrag van € 100.000,- , te vermeerderen met rente en kosten. In de aanhef van dit vonnis staat onder meer:

Connexys (…), zuletzt vertreten durch die Mahringer Steinwender Bestebner Rechtsanwälte (…)

2.10.

Op 8 juli 2019 heeft het Landesgericht Salzburg aan RK desverzocht een Certificaat ex artikel 53 van de Herschikte EEX Verordening (EU Verordening nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) verstrekt. Daarop is bij punt 4.5.1. aangekruist dat de beslissing van 24 mei 2019 aan Connexys ter beschikking is gesteld, waarvoor als datum is vermeld 28 mei 2019.

2.11.

Op 22 juli 2019 zijn het vonnis van 24 mei 2019 en het certificaat van 8 juli 2019 aan Connexys, aan haar adres in Nederland, ter executie betekend. Op het vonnis staat een stempel met de tekst: “Diese Ausfertigung ist rechtskräftig und vollstreckbar.” Daaronder is als datum vermeld 4 juli 2019. En ook: “Elektronische Ausfertigung gemäß § 79 GOG”.

2.12.

Connexys heeft op 6 augustus 2019 een verzoek (gedateerd 5 augustus 2019) ingediend bij deze rechtbank om de erkenning en tenuitvoerlegging van het Oostenrijkse vonnis te weigeren, op grond van de artikelen 45 en 46 van de Herschikte EEX Verordening.

3 Het geschil

3.1.

Connexys vordert, samengevat:

1. de tenuitvoerlegging van het vonnis van het Landesgericht Salzburg van 24 mei 2019 met zaaknummer 1Cg 2/17m te schorsen, totdat in hoogste instantie is geoordeeld over het verzoek van Connexys tot weigering van de erkenning en tenuitvoerlegging van dit Oostenrijkse vonnis;

2. RK op straffe van een dwangsom te verbieden om maatregelen te treffen ter executie van het Oostenrijkse vonnis;

3. RK in de kosten te veroordelen van dit geding.

3.2.

Connexys heeft haar vorderingen als volgt toegelicht. Het Oostenrijkse vonnis is aanvankelijk alleen, langs elektronische weg, betekend aan de voormalige Oostenrijkse advocaat van Connexys, terwijl RK wist dat deze niet meer voor Connexys optrad. Het vonnis is pas na de appeltermijn aan Connexys betekend, zodat er geen rechtsmiddelen meer openstaan. Connexys heeft dus niet de gelegenheid gehad zich inhoudelijk tegen de vordering te verweren. Dit is in strijd met artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), waarin het recht op een eerlijk proces is geregeld, en daarmee in strijd met de Nederlandse openbare orde. Connexys vordert daarom bij de rechtbank dat de tenuitvoerlegging van het vonnis in Nederland wordt geweigerd. In dit kort geding wordt schorsing van de tenuitvoerlegging gevorderd, in afwachting van de beslissing op het verzoek tot weigering. Als het verzoek om schorsing niet wordt gehonoreerd is die procedure feitelijk een lege huls. De kans is dan namelijk groot dat een reeds geïncasseerd bedrag van (inclusief rente en kosten ruim) € 125.000,- niet meer terug te vorderen valt indien Connexys alsnog gelijk zou krijgen, terwijl Connexys als zij dit bedrag moet voldoen, in financiële problemen geraakt.

3.3.

RK voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank is bevoegd om van dit geschil kennis te nemen, aangezien het gaat om schorsing van de tenuitvoerlegging in Nederland van een buitenlands vonnis en de gedaagde voor deze tenuitvoerlegging woonplaats heeft gekozen in Amsterdam.

4.2.

Op grond van het bepaalde in de Herschikte EEX Verordening is het uitgangspunt dat een beslissing die is gegeven in een lidstaat van de EU in de andere lidstaten wordt erkend en voor tenuitvoerlegging vatbaar is, zonder dat daartoe een nadere procedure hoeft te worden gevoerd. De (enige) uitzonderingen daarop zijn opgenomen in artikel 45 lid 1 van die Verordening, dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

AFDELING 3

Weigering van erkenning en tenuitvoerlegging

(…)

Artikel 45

1. De erkenning van een beslissing wordt op verzoek van een belanghebbende partij geweigerd indien:

a. a) de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde (ordre public) van de aangezochte lidstaat;

b) het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk niet zo tijdig en op zodanige wijze is betekend aan de verweerder tegen wie verstek werd verleend, als met het oog op zijn verdediging nodig was, tenzij de verweerder tegen de beslissing geen rechtsmiddel heeft aangewend terwijl hij daartoe in staat was;

(…)

4.3.

In artikel 44 van de Herschikte EEX Verordening is geregeld dat, hangende het verzoek om weigering van de tenuitvoerlegging van een beslissing, kan worden verzocht deze te schorsen. RK heeft terecht aangevoerd dat alleen reden bestaat tot schorsing, indien daarvoor een voldoende juridische grondslag aanwezig is. Dat wil zeggen dat het verzoek tot weigering op zijn minst een gerede kans van slagen moet hebben. De enkele omstandigheid dat het in te vorderen bedrag wellicht te zijner tijd moeilijk terug te vorderen zal zijn omdat een reëel restitutierisico bestaat, is daartoe onvoldoende. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat voldoening van het bedrag waartoe een partij is veroordeeld voor haar een financiële aderlating zal zijn, wat volgens Connexys hier het geval is.

4.4.

Connexys zal dan ook op zijn minst aannemelijk moeten maken dat:

1) de tenuitvoerlegging van het vonnis strijd oplevert met de Nederlandse openbare orde en/of

2) dat zij door de gevolgde gang zaken, die vergelijkbaar is met een verstekprocedure, de inleidende en andere stukken niet heeft ontvangen waardoor zij geen behoorlijk inhoudelijk verweer heeft kunnen voeren.

Daarin is zij, zoals hierna zal blijken, voorshands niet geslaagd.

4.5.

Anders dan Connexys suggereert is in het inleidende processtuk dat tot het Oostenrijkse vonnis heeft geleid, niet alleen melding gemaakt van een vordering tot inzage in gegevens, maar ook van een geldvordering, toen te samen begroot op
€ 60.000,-. Het vonnis van 15 januari 2018, dat alleen ziet op de verstrekking van gegevens, is dan ook een tussenvonnis. Connexys werd in de Oostenrijkse procedure aanvankelijk bijgestaan door een Oostenrijkse advocaat. Deze advocaat heeft zich in februari 2018 onttrokken aan de zaak, kennelijk na een conflict met Connexys. Naar Oostenrijks recht blijft echter ook de advocaat die zich heeft onttrokken in een aanhangige procedure de formele procespartij, totdat zich een nieuwe advocaat heeft gesteld. Dit volgt uit de bepalingen van het Oostenrijkse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (de Zivilprozessordnung (ZPO)), waarover hierna meer.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de in Oostenrijk gevoerde procedure de ZPO van toepassing is. Daarin staan, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen:

Ҥ 27

(1) Vor den Bezirksgerichten in Sachen, deren Streitwert an Geld oder Geldeswert

5 000 Euro übersteigt, in Rechtsstreitigkeiten nach § 502 Abs. 5 Z 3 und vor allen höheren Gerichten müssen sich die Parteien durch Rechtsanwälte vertreten lassen (absolute Anwaltspflicht).

(…)

§ 36

(1) Die durch Widerruf oder Kündigung herbeigeführte Aufhebung der Vollmacht zur Processführung oder zur Vornahme einzelner Processhandlungen erlangt dem Processgegner gegenüber erst dann rechtliche Wirksamkeit, wenn ihm das Erlöschen der Vollmacht, in Rechtssachen aber, in welchen die Vertretung durch Rechtsanwälte geboten ist, die Bestellung eines anderen Rechtsanwalts von der Partei angezeigt wird. Diese Anzeige hat durch Zustellung eines Schriftsatzes zu geschehen. In Bezug auf diese Zustellung gilt die Vorschrift des §. 25.

(2) Nach Kündigung der Vollmacht bleibt der Bevollmächtigte noch durch vierzehn Tage berechtigt und verpflichtet, für den Vollmachtgeber zu handeln, soweit dies nöthig ist, um letzteren vor Rechtsnachtheilen zu schützen.

(…)

§ 93

(1) Hat eine Partei für einen Rechtsstreit Processvollmacht ertheilt, so haben bis zur Aufhebung der Processvollmacht (§. 36) alle diesen Rechtsstreit betreffenden Zustellungen an den namhaft gemachten Bevollmächtigten zu geschehen. Dies umfasst auch Ladungen der Partei zu ihrer Einvernahme.

2) In Rechtssachen, die sich auf den Betrieb des Unternehmens einer Person beziehen, kann die Zustellung für den Empfänger an den Prokuristen erfolgen.

(…)

§ 112. Sind beide Parteien durch Rechtsanwälte vertreten, so hat jeder dieser Rechtsanwälte, der einen Schriftsatz einbringt, die für den Gegner bestimmte Gleichschrift dessen Rechtsanwalt durch einen Boten, die Post oder mittels Telefax oder elektronischer Post direkt zu übersenden; diese Übersendung ist auf dem dem Gericht überreichten Stück des Schriftsatzes zu vermerken. Dies gilt nicht für Schriftsätze, die dem Empfänger zu eigenen Handen zuzustellen sind oder durch deren Zustellung eine Notfrist in Lauf gesetzt wird.”

4.7.

In paragraaf 27 ZPO is de verplichte procesvertegenwoordiging geregeld.

Het bepaalde in paragraaf 36 komt er kort gezegd erop neer dat de volmacht jegens een advocaat die zich onttrekt – hoewel deze geen proceshandelingen meer kan en mag verrichten – ‘doorwerkt’ totdat zich een nieuwe advocaat heeft gemeld. In paragraaf 93 is bepaald dat alle het rechtsgeding betreffende betekeningen aan de met naam aangeduide gevolmachtigde dienen te geschieden totdat de procesvolmacht met inachtneming van § 36 ZPO is ingetrokken. Dit omvat mede oproepingen aan die partij om te worden gehoord. § 112 houdt in dat een advocaat van in te dienen stukken gelijktijdig een kopie aan (de advocaat van) zijn wederpartij moet zenden. Net als naar Nederlands recht komt dit erop neer dat beëindiging door de procesvertegenwoordiger van zijn opdracht een omstandigheid is die de cliënt persoonlijk betreft, zodat hij degene is die ervoor moet zorgen dat hij weer behoorlijk wordt vertegenwoordigd en dat het niet aan de tegenpartij is om nasporingen te doen, noch aan de rechter om de cliënt over de gevolgen van onttrekking te informeren, ook niet in het kader van artikel 6 EVRM.

4.8.

De aanvankelijk door Connexys ingeschakelde Oostenrijkse advocaat mag worden geacht bekend te zijn met dit Oostenrijkse procesrecht. RK heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat niet alleen de betekening van het Oostenrijkse vonnis, maar daarvóór ook de oproepingen om ter zitting te verschijnen aan die Oostenrijkse advocaat zijn gezonden. Zolang geen nieuwe advocaat was gesteld, had deze advocaat die stukken moeten doorsturen naar Connexys, althans haar op de hoogte moeten stellen van de stand van zaken en de te nemen vervolgstappen. Als hij dit heeft gedaan, had het op haar weg gelegen om te zorgen voor adequate procesvertegenwoordiging, dat wil zeggen voor een nieuwe Oostenrijkse advocaat. Als de (voormalige) Oostenrijkse advocaat daarin is te kort geschoten, zal Connexys deze daarop moeten aanspreken. Niet gesteld of gebleken is dat daartoe naar Oostenrijks recht geen mogelijkheden zouden bestaan. Connexys had op dit punt actie moeten ondernemen of dient dat alsnog te doen. De omstandigheid dat zich na de onttrekking van de eerste (Oostenrijkse) advocaat geen nieuwe heeft gesteld, komt dan ook voor rekening en risico van Connexys.

4.9.

Het mogelijk tekort schieten van deze advocaat en/of het niet tijdig inschakelen van een andere advocaat kan in ieder geval niet worden afgewenteld op RK. Verder kan niet worden volgehouden dat RK, door van door haar ingediende processtukken geen afschriften te zenden naar de Nederlandse advocaat van Connexys, in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in § 112 ZPO. Voorshands wordt er van uitgegaan dat zij deze stukken (wel) aan Mahlinger heeft toegezonden.

4.10.

In de gegeven omstandigheden kan niet worden gezegd dat Connexys geen gelegenheid heeft gehad om zich te verweren tegen de vordering en/of geen kennis kon hebben van de stukken die tot het Oostenrijkse vonnis hebben geleid. Ook het vonnis zelf is volgens het Oostenrijkse procesrecht op de juiste wijze betekend.

In die zin zijn artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest niet geschonden. Daarom is voorshands onvoldoende aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de tenuitvoerlegging van het Oostenrijkse vonnis strijd oplevert met de Nederlandse openbare orde, of met artikel 45 lid 1 onder b van de Herschikte EEX-Verordening. Dit betekent dat ook voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het Oostenrijkse vonnis geen grond aanwezig is.

4.11.

De gevraagde voorziening wordt dan ook geweigerd met veroordeling van Connexys, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt Connexys in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van RK begroot op:

– € 639,- € 639,- aan griffierecht en

– € 639,- € 980,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Balk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2019.1

1 type: MB coll: EB