Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6249

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
27-08-2019
Zaaknummer
13/729043-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

faillissementsfraude

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/1008
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/729043-16

Datum uitspraak: 20 augustus 2019

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

verblijfadres: [adres 1]

Postadres: [adres 2] .

1 Procedureverloop

Verdachte is, bij een hem in persoon op 27 februari 2019 betekende dagvaarding, gedagvaard om op 22 maart 2019 om 14:00 uur als verdachte ter terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam te verschijnen.

Bij e-mail van 21 maart 2019 heeft verdachte de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om hem in de gelegenheid te stellen in contact te treden met zijn advocaat in Nederland en de mogelijkheden voor zijn overkomst naar Nederland in verband met deze strafzaak te onderzoeken.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 22 maart 2019 – met instemming van officier van justitie, mr. A. Kerkhoff – het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst om verdachte in de gelegenheid te stellen (al dan niet via zijn advocaat in Nederland) eventuele onderzoekswensen in te dienen bij de rechter-commissaris. De rechtbank heeft daartoe de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 maart 2019 is op 8 april 2019 naar verdachte verzonden op diens aan de rechtbank bekende e-mail adres.

Verdachte is vervolgens opgeroepen om op 20 augustus 2019 om 13:30 uur ter terechtzitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam te verschijnen.

Op 11 juli 2019 heeft de parketsecretaris de oproeping per e-mail naar verdachte verzonden.

Op basis van een rechtshulpverzoek van de Nederlandse officier van justitie gericht aan de bevoegde Australische autoriteit is de oproeping op 31 juli 2019 door een Australische politieambtenaar aan verdachte in persoon uitgereikt.

Bij e-mail gedateerd 12 augustus 2019 heeft verdachte de rechtbank opnieuw verzocht de zaak aan te houden. Door de volgens verdachte korte tijd tussen de uitreiking van de oproeping en de terechtzitting was het voor hem niet mogelijk de mogelijkheden voor zijn overkomst naar Nederland te onderzoeken of deze tijdig te regelen en zijn advocaat in voldoende mate te informeren ten behoeve van zijn voorbereiding van de terechtzitting.

De rechtbank heeft ter terechtzitting van 20 augustus 2019 het verzoek om aanhouding van verdachte – na de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, daarover te hebben gehoord – afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de oproeping op juiste wijze is betekend aan verdachte. Verder heeft de rechtbank van belang geacht dat de zaak eerder is aangehouden op verzoek van verdachte, waardoor hij genoeg tijd heeft gehad de zaak met een advocaat te bespreken indien verdachte dat had gewild. De rechtbank heeft vastgesteld dat zich na 22 maart 2019 geen advocaat heeft gesteld en dat evenmin onderzoekswensen zijn ingediend. Van verdachte is niets vernomen.

Dit verkort vonnis is aldus bij verstek gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2019.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

[naam bedrijf bv 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2014 tot en met 15 september 2015 te Amstelveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), althans alleen, als bestuurder van [naam bedrijf bv 2] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam op 01 april 2014 in staat van faillissement is verklaard,

(telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) opzettelijk een of meermalen niet heeft voldaan aan de op haar, verdachte, rustende verplichting(en) ten opzichte van het bewaren en/of tevoorschijn brengen van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,

immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) deze administratie (in de vorm van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers) niet ongeschonden te voorschijn gebracht,

zulks terwijl, hij, verdachte, tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

Artikel 343 onder 4 jo. 51 jo. 47 Wetboek van Strafrecht

2.

[naam bedrijf bv 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 september 2013 tot en met 05 februari 2014 te Amstelveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging, met een of meer natuurlijke perso(on)n(en) en/of een of meer rechtsperso(o)n(en), althans alleen, als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf bv 2] , welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank van Amsterdam van 01 april 2014 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [naam bedrijf bv 2]

een of meer last(en) heeft/hebben verdicht en/of een of meer baten niet heeft/hebben verantwoord en/of een of meer goed(eren) aan de boedel heeft/hebben onttrokken,

immers heeft/hebben zij, als bestuurder van voornoemde rechtspersoon, en/of haar mededader(s) meermalen op een of meer tijdstippen in of omstreeks bovenvermelde periode (onverplicht en/of onverschuldigd) overschrijvingen en/of overboekingen gedaan ten laste rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [naam bedrijf bv 2] ( [naam bedrijf bv 3] Amstelveen) naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [naam bedrijf bv 3] ( [naam bedrijf bv 1] ) voor een totaalbedrag van in totaal (ongeveer) 31.807,60 euro, zijnde het verschil tussen de af- en bijschrijvingen tussen voormelde bankrekeningen

((APV-)AH-07 en D-44), althans in ieder geval enig geldbedrag,

zulks terwijl, hij, verdachte, tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feiten opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

Artikel 343 onder 1 jo. 51 jo. 47 Wetboek van Strafrecht

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijs

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, nagenoeg letterlijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Faillissement

[naam bedrijf bv 2] is op 1 april 2014 failliet verklaard. Bestuurder per 30 augustus 2013 was [naam bedrijf bv 1] In de periode van 31 januari 2013 tot 1 april 2014 was verdachte [verdachte] de bestuurder van [naam bedrijf bv 1]

Feitelijk leidinggever

Voor beide feiten geldt dat het feitelijk leidinggeven ten laste is gelegd. Voor een veroordeling hiervoor is van belang dat verdachte bestuurder was in de zin van artikel 343 Sr. Verdachte is op basis van het voorgaande als direct bestuurder van [naam bedrijf bv 2] aangemerkt en heeft ook na het faillissement niet ontkend de bestuurder van [naam bedrijf bv 2] te zijn. Uit de getuigenverhoren blijkt ook dat hij de feitelijk bestuurder was van [naam bedrijf bv 2] .

Feit 1

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser het niet bewaren en tevoorschijn brengen van de administratie

Gelet op het feit dat verdachte de feitelijk bestuurder was van [naam bedrijf bv 2] , was het ook aan hem om na datum faillissement en op verzoek van de curator daartoe de gehele bedrijfsadministratie over te leggen. Dat heeft hij niet gedaan, ondanks dat hij verschillende keren er op is gewezen door de curator dat er stukken ontbraken en ondanks dat hij zelf ook meerdere keren heeft aangegeven dat hij dit zou aanleveren.

Of er uiteindelijk een administratie is gevoerd, is niet duidelijk geworden, wel duidelijk is dat verdachte deze niet heeft bewaard en niet tevoorschijn heeft gebracht terwijl hij daartoe verplicht was. De curator heeft aangifte gedaan, daarbij zijn verschillende stukken overgelegd waaruit blijkt dat de curator verdachte meerdere keren heeft verzocht om de administratie (D-02, D-03, D-07, D-08, D-09).

Het verweer dat de verdachte heeft gevoerd dat hij niet meer kon inloggen om de administratie te doen wordt weersproken door het bedrijf [naam bedrijf] . Zij geven aan dat verdachte onder de naam [naam bedrijf bv 1] pas vanaf 1 augustus 2015 geen toegang meer had tot zijn online administratie wegens een betalingsachterstand. Nog los van deze bevindingen, is het aan de bestuurder om de administratie te bewaren en te overleggen, dat heeft hij ondanks herhaaldelijk verzoek niet gedaan. Kennelijk is hij daarnaast in staat gebleken de kosten voor [naam bedrijf] te betalen voor [naam bedrijf bv 1] , nu [naam bedrijf bv 1] de bestuurder is van [naam bedrijf bv 2] is niet duidelijk waarom hij dan niet bij de administratie van [naam bedrijf bv 2] zou kunnen. Tevens is niet gebleken dat verdachte überhaupt heeft geprobeerd om de administratie te overleggen. Wel duidelijk is, dat na het verhoor bij de RC verdachte op geen enkele wijze meer bereikbaar is geweest voor de curator, dit ondanks dat hij bij het verhoor bij de RC had aangegeven dat hij zou meewerken aan de afgifte van de administratie en het achterhalen van informatie. In plaats daarvan is verdachte zonder bericht vertrokken naar een onbekende bestemming en heeft pas weer gereageerd nadat hij middels een RHV richting Australië is opgespoord en gehoord.

Voor een bewezenverklaring van bedrieglijke bankbreuk is vereist dat verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers. Voor het bewijs van dat opzet is vereist dat de handeling van verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers heeft doen ontstaan (ECLI:NL:HR:2010:BI4691). Zoals blijkt uit de aangifte van de curator is er geen inzicht in de debiteuren en crediteuren administratie, is er geen zicht op de voorraad en inventaris (zoals geen inzage in de gang van zaken met betrekking tot de zaken inzake de opeising van de voorraad door [persoon] ) en staat van lang niet alle uitgaven het zakelijk karakter vast. Door bewust niet alles wat nodig is aan te leveren en te verdwijnen voor de curator heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de rechten van de schuldeisers hierdoor verkort zouden worden.

Feit 1 kan dan ook wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 2

Ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers een of meer baten niet verantwoord en of goed aan de boedel onttrokken.

Uit de aangifte van de curator volgt dat er meerdere bedragen van [naam bedrijf bv 2] zonder rechtsgrond of anderszins aan [naam bedrijf bv 1] werden betaald. De curator trekt deze conclusie wegens het ontbreken van de administratie en/of een onderbouwde toelichting van verdachte (G-01 en D-39).

Uit de bankafschriften volgt dat er in de periode van 10 september 2013 tot en met 5 februari 2014 in totaal € 68.973,60 is overgemaakt van [naam bedrijf bv 2] naar [naam bedrijf bv 1] Ook volgt hieruit dat er een bedrag van € 37.165,95 is teruggeboekt. Per saldo blijft er € 31.807,60 over, waarvan niet duidelijk is waarom het is overgemaakt naar [naam bedrijf bv 1] . Dat is wat het openbaar ministerie betreft het bedrag dat is onttrokken aan [naam bedrijf bv 2] .

Dat in casu sprake is van bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers blijkt uit het volgende (onder verwijzing naar AH-06):

 Uit de verklaringen van de verschillende werknemers blijkt dat hij deze nooit heeft betaald en lijkt hij ook nooit de intentie te hebben gehad om ze te betalen (Zie [naam 1] G-02 en [naam 2] G-05), dit terwijl er voldoende geld was geweest om deze schuldeisers te betalen als hij geen geld naar [naam bedrijf bv 1] had overgemaakt;

  • -

    Verdachte gaat een zakenrelatie aan, die investeert in zijn onderneming, maar na korte tijd worden de betalingen opgeschort en worden de vorderingen niet meer door hem betaald ( [persoon] G-03) dit terwijl er voldoende geld was geweest om deze schuldeisers te betalen als hij geen geld naar [naam bedrijf bv 1] had overgemaakt;

  • -

    Verdachte gaat een huurcontract aan maar lijkt nooit de intentie te hebben om hier ook daadwerkelijk voor te betalen, hij maakt eenmaal een bedrag over, maar daarna niets meer (G-07 en D-036) dit terwijl er wel geld was geweest om deze schuldeisers te betalen als hij geen geld naar [naam bedrijf bv 1] had overgemaakt;

  • -

    Uit getuigenverklaringen volgt dat verdachte kort voor het faillissement waardevolle goederen laat ophalen en vervoert naar een andere locatie;

  • -

    Uit de getuigenverklaring van getuige [naam 2] (G-05) volgt dat verdachte de rekening van [naam bedrijf bv 2] zoveel mogelijk op 0 hield. Iedere bijschrijving werd direct overgeboekt naar [naam bedrijf bv 1] ;

  • -

    Uit de bankafschriften volgt dat er in ieder geval € 50.297,40 is overgemaakt naar de privérekening van verdachte. Dit bedrag is groter dan het tenlastegelegde deel, dat ziet enkel op de onttrekking vanuit [naam bedrijf bv 2] , maar is van belang voor de conclusie dat sprake is van de opzet van verdachte op het wegsluizen van geld en daarmee op de bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers;

  • -

    Verdachte had in de periode van 2000-2014 meerdere B.V.’s op naam, die na korte tijd werden ontbonden of failliet werden verklaard.

Uit bovenstaande kan worden afgeleid dat verdachte in de periode voorafgaand aan het faillissement geld heeft overgeboekt naar een andere B.V. op zijn naam. Wegens het ontbreken van een administratie en een onderbouwde verklaring, is dit zonder rechtsgrond geschied. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij dit geld weer in de B.V. heeft gestoken, dit is niet onderbouwd. Gelet hierop kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het geld aan de boedel heeft onttrokken ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Hij heeft dit opzettelijk gedaan, doch in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door zijn handelen onvoldoende geld zou hebben om de schuldeisers te betalen.

4.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, bewezen dat

1.

[naam bedrijf bv 1] in de periode van 1 april 2014 tot en met 15 september 2015 te Amstelveen, als bestuurder van [naam bedrijf bv 2] , welke rechtspersoon bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam op 1 april 2014 in staat van faillissement is verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers opzettelijk niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting ten opzichte van het tevoorschijn brengen van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek,

immers heeft zij deze administratie (in de vorm van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers) niet ongeschonden te voorschijn gebracht,

terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging;

2.

[naam bedrijf bv 1] in de periode van 10 september 2013 tot en met 5 februari 2014 te Amstelveen, als bestuurder van de rechtspersoon [naam bedrijf bv 2] , welke rechtspersoon bij vonnis van de Rechtbank van Amsterdam van 1 april 2014 in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die [naam bedrijf bv 2]

goederen aan de boedel heeft onttrokken,

immers heeft zij, als bestuurder van voornoemde rechtspersoon, op tijdstippen in bovenvermelde periode onverplicht en onverschuldigd overschrijvingen gedaan ten laste van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [naam bedrijf bv 2] ( [naam bedrijf bv 3] Amstelveen) naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] voor een totaalbedrag van 31.807,60 euro; het verschil tussen de af- en bijschrijvingen tussen voormelde bankrekeningen,

terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden.

Hiertoe heeft zij, nagenoeg letterlijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft faillissementsfraude gepleegd. Hij heeft geen verantwoording genomen door zijn administratie over te leggen en gelet op de overboekingen op zijn rekening heeft hij zelf goed geleefd van wat hij verdiende binnen zijn bedrijf, maar maalde hij er niet om om de mensen met wie hij contracten aan ging, die hij diensten liet leveren en die voor hem werkten ook hiervoor te betalen.

In het algemeen geldt dat faillissementsfraude leidt tot wederrechtelijke benadeling van de zakelijke en particuliere schuldeisers in het betreffende faillissement, zoals leveranciers en werknemers. Zakelijke crediteuren kunnen hierdoor op hun beurt weer failliet gaan, omdat zij door personen als verdachte niet zijn betaald voor de geleverde goederen en/of diensten. Op deze manier kan de fraude tot een sneeuwbaleffect leiden: ook gezonde, bonafide ondernemingen kunnen in de problemen komen en zelfs hierdoor failliet gaan. En ook de werknemers van deze toeleveranciers komen dan als gevolg van de fraude op straat te staan, wat niet alleen leidt tot schade voor deze personen, maar ook tot schade voor de maatschappij als geheel.

Aan de andere kant blijven door faillissementsfraude meestal ook de fiscus en het UWV met onbetaalde vorderingen achter blijven. De samenleving loopt hierdoor veel geld mis.

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder van de failliete vennootschap nagelaten de boeken, bescheiden of andere gegevensdragers die op de vennootschap betrekking hebben in ongeschonden staat tevoorschijn te brengen. Het is van groot belang dat deze verplichting wordt nagekomen. Immers, in het geval een onderneming failliet gaat, zal er bij de curator inzicht moeten zijn in de financiële positie van de onderneming. Dit alles is van belang voor de afwikkeling van het faillissement en noodzakelijk voor het vertrouwen dat nodig is voor een goed functionerend handelsverkeer.

De curator heeft de verdachte meermaals aangemaand zijn verplichtingen na te komen. De verdachte deed meerdere keren de belofte de administratie aan te leveren, zonder deze beloftes daadwerkelijk na te komen. Met zijn handelen heeft verdachte het de curator onmogelijk gemaakt het faillissement op spoedige en juiste wijze af te wikkelen.

Verdachte heeft zich hier blijkens zijn strafblad voor de tweede keer schuldig aan gemaakt. Eerder werd hij veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het feit waarvoor hij is veroordeeld is van voor deze zaak, de veroordeling is van 2017, daarmee is artikel 63 van toepassing. Het is wel van belang te benoemen juist omdat deze zaak na het faillissement in de andere zaak is gevolgd. Ook daar had verdachte de administratieplicht geschonden. Hieruit volgt wel hoe verdachte om gaat met de B.V.’s die hij opricht. Zijn handelwijze volgt ook wel uit het rijtje B.V.’s dat hij heeft opgericht en weer heeft laten klappen en de verklaringen van zijn ex en voormalige zaken partners.

Verdachte heeft op geen enkele manier rekenschap af willen leggen voor zijn handelen terwijl er verschillende mensen door hem financieel gedupeerd zijn.

Er is hier sprake van een wat oudere zaak, maar er is geen overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Verdachte is voor het eerst gehoord in 2018.

Het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vermeldt bij een benadelingsbedrag van 10.000 tot 70.000 euro een gevangenisstraf van 2-5 maanden.

Hier is het benadelingsbedrag ongeveer 70.000 euro aan crediteuren en is het bedrag dat is onttrokken ruim 30.000 euro, waarbij mogelijk sprake is van enige overlap.

Op het strafblad van verdachte staan geen nieuwe feiten, maar verdachte is vertrokken naar Australië en wat hij daar nu doet is niet bekend.

Dat de zaak wat ouder is, ligt ook in het gedrag en de onbereikbaarheid van de verdachte.

Gelet op de schade die dit gedrag de maatschappij en de schuldeisers oplevert en het feit dat verdachte er zelf alleen maar op vooruit is gegaan, zonder enige verantwoording af te leggen, is er geen reden om af te wijken van de richtlijnen.

7.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht oplegging van een gevangenisstraf van vier maanden in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen dat verdachte ten behoeve van eigen financieel gewin over een langere periode schuldeisers en personeel schade heeft berokkend en verdriet heeft aangedaan. Ook heeft hij door faillissementsfraude te plegen het vertrouwen in het handelsverkeer aangetast. Verdachte heeft geen verantwoording willen nemen voor zijn handelen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de oriëntatiepunten voor strafoplegging, die de rechters onderling hebben afgesproken, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting naar boven af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank gaat uit van een benadelingsbedrag van ongeveer 70.000 euro en acht het passender een gevangenisstraf op te leggen die meer aan de bovengrens van de betreffende – door de officier van justitie al genoemde – categorie ligt.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 51, 57, 63 en 343 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

1.

als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichting tot het tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

2.

als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon, een goed aan de boedel onttrekken, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en G. Demmink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 augustus 2019.