Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6234

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
23-10-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7454
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huisvestingswet - Boete omzetting woning - eiseres is opgetreden als bemiddelaar voor de huurders - eiseres kan niet worden aangemerkt als medeovertreder - gegrond - eiseres hoeft geen boete te betalen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/7454

Zittingsdatum: 8 augustus 2019

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. A. Post),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder (hierna: de gemeente)

(gemachtigde: mr. J.H.G. van den Boorn)

1 Conclusie

1. De rechtbank stelt eiseres in het gelijk. De rechtbank is van oordeel dat de gemeente met het bestreden besluit van 5 november 20181 aan eiseres ten onrechte een bestuurlijke boete van € 6.000,- heeft opgelegd. Eiseres - die bij het verhuren van de woning is opgetreden als bemiddelaar voor de huurders - kan niet worden aangemerkt als medeovertreder van het zonder vergunning omzetten van een zelfstandige naar een onzelfstandige woning. De rechtbank licht hieronder toe hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

2 Overtreding van de Huisvestingswet

2.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres is opgetreden als bemiddelaar bij de verhuur van de woning aan [adres] in Amsterdam. Deze woning is sinds 1 december 2016 verhuurd aan vier personen (hierna: de huurders). Op 23 april 2018 hebben toezichthouders van de gemeente geconstateerd dat de woning - zonder de benodigde vergunning - is omgezet van een zelfstandige naar een onzelfstandige woning, doordat de kamers in de woning zijn verhuurd aan vier afzonderlijke kamerbewoners.

2.2

De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat hiermee een zelfstandige woonruimte is omgezet in vier onzelfstandige woonruimtes zonder de daarvoor benodigde vergunning. Dit is een overtreding van artikel 21 sub c Huisvestingswet en de gemeente is bevoegd om hiervoor een bestuurlijke boete opleggen.

3 De gemeente heeft eiseres ten onrechte aangemerkt als overtreder

Het beoordelingskader

3.1

Uit vaste rechtspraak van de hoger beroepsrechter2 volgt dat de overtreder degene is die het wettelijk voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden. Dat betekent dat in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht wordt aangesproken. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en als overtreder worden aangemerkt. Dit staat los van de mogelijkheid om degene die de verboden handeling fysiek heeft verricht aan te spreken. Bovendien is het verbod van artikel 21c van de Huisvestingswet, gericht tot meerdere personen, waardoor niet is uitgesloten dat meerdere personen dit verbod tegelijkertijd overtreden.

3.2.

Voor medeplegen als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Awb is vereist een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Een betrokkene kan worden aangemerkt als ‘medepleger’ wanneer de intellectuele en/of materiële bijdrage van de betrokkene aan het feit van voldoende gewicht is. Dit geldt in het bijzonder wanneer het medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Voor het oordeel of de bijdrage van betrokkene ziet op een nauwe en bewuste samenwerking, kan onder meer van belang zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het feit en het belang van de rol van de betrokkene.3

3.3.

Uit een uitspraak van de hogere beroepsrechter volgt dat van belang is voor een nauwe en bewuste samenwerking met eigenaar en verhuurder van de panden, dat de bemiddelaar nauw betrokken was bij het feitelijk aanbieden en verhuren van kamers voor onzelfstandige bewoning. Daarbij moet de rol van de bemiddelaar cruciaal zijn voor het verhuren van de onzelfstandige woonruimte, waarbij de intentie moet zijn geweest om de kamers kamergewijs te verhuren. De bemiddelaar moet daarbij invloed hebben gehad op degene die de huurovereenkomst tekende.4 Bovendien mag van een bemiddelaar, die zich bedrijfsmatig bezig houdt met verhuur van woningen, verwacht worden dat hij of zij zich verdiept in de regelgeving omtrent de verhuur van woonruimte.5

Het standpunt van de gemeente

3.4.

De gemeente heeft aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 6.000,-, omdat zij volgens de gemeente medeovertreder is bij de omzetting van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimtes. Eiseres is als bemiddelaar aan te merken als medeovertreder.6 Er is sprake van medeplegen, omdat eiseres een cruciale rol heeft gespeeld in de omzetting van de woning. De gemeente is van mening dat eiseres nauw betrokken is geweest bij het feitelijk aanbieden en verhuren van de kamers voor onzelfstandige bewoning. Eiseres is samen met de eigenaar aanwezig geweest bij de bezichtiging van de woning en bij de ondertekening van de huurovereenkomst. Eiseres staat in de huurovereenkomst ook expliciet vermeld als bemiddelaar en heeft voor de opdracht een bedrag van € 1.800,- van de huurders ontvangen. Er was dus sprake van nauwe en bewuste samenwerking.

De uitleg van eiseres op zitting

3.5.

Eiseres is door de vier huurders benaderd met de vraag of zij kon assisteren in het vinden van een geschikte woning. In opdracht van de huurders is eiseres op zoek gegaan naar een woning. Zij had geen geschikte woning in haar eigen portefeuille. Zij is daarom via haar netwerk in contact gekomen met een verhuurder (hierna: de eigenaar), die een woning beschikbaar had voor vier personen. Eiseres heeft op de zitting uitgelegd dat de eigenaar haar vertelde dat de woning op dat moment werd bewoond door vier huurders. Deze huurders zouden de woning verlaten en de woning kon opnieuw verhuurd worden. Vanwege de vorige verhuursituatie dacht eiseres dat de woning dus kamergewijs verhuurd mocht worden. Eiseres heeft dit voor de zekerheid nog gevaagd aan de eigenaar en hij bevestigde dat dit was toegestaan. De gemeente heeft dit op de zitting niet bestreden. Verder heeft eiseres aangegeven dat zij het huurcontract niet mede ondertekend heeft. Zij is daarin enkel opgenomen alsbemiddelaar, die door de huurders is betaald.

Eiseres kan niet worden aangemerkt als medeovertreder

3.6.

De rechtbank is anders dan de gemeente van oordeel dat eiseres niet kan worden aangemerkt als medeovertreder. Hiervan kan alleen sprake zijn bij bewuste en nauwe samenwerking met de eigenaar van de woning. Anders dan verweerder stelt, was er geen sprake van nauwe en bewuste samenwerking bij het feitelijk aanbieden en verhuren van kamers voor onzelfstandige bewoning. Eiseres heeft de woning niet aangeboden op haar website. Eiseres is via haar netwerk in contact gekomen met een verhuurder (hierna: de eigenaar), die een woning beschikbaar had voor vier personen. Zij heeft de huurders voorgedragen bij de eigenaar, waarna de verhuurder de bezichtiging heeft geregeld. Eiseres was weliswaar daarbij aanwezig, maar vanuit haar taak om de huurders te dienen. De eigenaar selecteerde de huurders. De huurovereenkomst is vervolgens gesloten tussen de eigenaar en de huurders. Eiseres staat genoemd in de huurovereenkomst als bemiddelaar, maar is geen contractspartij. Eiseres heeft geen vergoeding ontvangen van de eigenaar. Eiseres heeft verder ook geen rol gehad in de verhuur van de kamers, zoals bij het overdragen van de sleutels of de inning van de huur. Anders dan in de rechtspraak genoemd in het beoordelingskader was de rol van eiseres niet cruciaal voor het verhuren van de kamers. Anders dan verweerder stelt is het feit dat ze van de kamerverhuur afwist niet voldoende om medeplegen aan te nemen. Op haar rustte daarom ook niet de verantwoordelijkheid op grond de Huisvestingwet om te controleren of er een omzettingsvergunning was voor de woning, net zo min als deze verantwoordelijkheid op de huurders rust. Daar komt bij dat eiseres aan de eigenaar heeft gevraagd of de woning kamergewijs verhuurd mocht worden en heeft hij dit bevestigd.

3.7.

Gelet op de voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het bemiddelen van eiseres namens de huurders niet zo ver strekt dat zij kan worden aangemerkt als medeovertreding van artikel 21 sub c Huisvestingswet.

4 Overwegingen tot slot

4. Het beroep is gegrond. Eiseres wordt in het gelijk gesteld. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De rechtbank bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Dit betekent dat de boete die de gemeente aan eiseres heeft opgelegd, door deze uitspraak niet meer bestaat. Eiseres hoeft dus geen boete te betalen. De rechtbank geeft eiseres wel mee dat de gemeente in hoger beroep kan gaan tegen deze uitspraak.

5 De proceskosten

5.1.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de gemeente aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 170,- vergoedt.

5.2.

De rechtbank veroordeelt de gemeente in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1536,- (1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.536,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, en P. van Loenen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2019.

Rechter

Griffier

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019 2500 EA Den Haag. Burgers kunnen ook digitaal hoger beroep instellen.7

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

BIJLAGE

Wettelijk kader

Huisvestingswet 2014

Artikel 2

1. De gemeenteraad maakt van zijn bevoegdheden op grond van deze wet slechts gebruik indien dat noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte.

2. De gemeenteraad kan van zijn bevoegdheden op grond van de artikelen 12 en 13, alsmede, voor zover daartoe noodzakelijk, van die op grond van artikel 7, ook gebruik maken indien daartoe geen noodzaak is vanuit het oogpunt van het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte.

Artikel 21 c

Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie gebouwen en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen wijk, zonder vergunning van burgemeester en wethouders van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden.

Artikel 35

1. De gemeenteraad kan in de huisvestingsverordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden bedoeld in artikel 21. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een bestuurlijke boete.

3. De gemeenteraad stelt in de huisvestingsverordening het bedrag vast van de bestuurlijke boete die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd.

Huisvestingsverordening Amsterdam 2016

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

jjj. Zelfstandige woonruimte: woonruimte die een eigen toegang heeft en welke door een

huishouden kan worden bewoond zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van

wezenlijke voorzieningen buiten de woonruimte;

p. Huishouden: een alleenstaande dan wel twee personen met of zonder kinderen, die

een gemeenschappelijke huishouding voeren of wensen te voeren;

ee. Onzelfstandige woonruimte: woonruimte die niet bestemd is voor inwoning en geen eigen toegang heft en welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, met als wezenlijke voorzieningen: een keuken en sanitaire voorziening.

Artikel 3.1.1

1. Als woonruimte behorend tot een gebouw als bedoeld in artikel 21 van de wet wordt

aangewezen:

a. alle zelfstandige woonruimte met een met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens;

b. alle zelfstandige woonruimte tot en met 200 huurpunten;

c. alle zelfstandige woonruimte met meer dan 200 huurpunten;

d. alle onzelfstandige woonruimte tot 750 huurpunten.

2. Complexen opgenomen in bijlage 1 worden niet als woonruimte in de zin van artikel 21

van de wet aangewezen.

Artikel 3.1.2

Het is verboden om aangewezen woonruimte zonder vergunning om te zetten.

Woningvormen

Het woningvormen is een nieuw begrip in de Huisvestingswet 2014.

Als gevolg van woningvormen verandert de samenstelling van de woningvoorraad en is een vergunning nodig. Van woningvorming is altijd sprake wanneer van één woonruimte, meerdere woonruimten worden gevormd. Bij woningvorming wordt doorgaans grotere woonruimte die geschikt is voor grotere huishoudens, verbouwd tot kleinere woonruimten voor meerdere kleinere huishoudens. Om die reden wordt sturing hierop noodzakelijk geacht.

Artikel 4.2.2 Bestuurlijke boete

1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 21 van de wet.

2. Burgemeester en wethouders leggen een boete op:

b. voor de eerste overtreding van artikel 21 a, b, c of d van de wet overeenkomstig kolom A van de in bijlage 3 genoemde tabel 2;

Tabel 2 bestuurlijke boete wijzigingen in de woonruimtevoorraad

Wettelijke bepaling Huisvestingswet

Omstandigheid

Kolom A

Kolom B

Boete

Boete bij recidive

Overtreding < 3 jaar na de eerste overtreding

Omzetten

21 onder c

Woonruimte omzetten in maximaal 4 kamers

€ 6.000,-

€ 20.500,-*

Omzetten

21 onder c

Woonruimte omzetten in 5 of meer kamers

€ 18.000,-

€ 20.500,-*

* wettelijk maximum

1. Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:649 en 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:953.

Toelichting bij artikel 4.2.2

(…) Het opleggen van boetes blijkt effectiever dan het opleggen van een last onder dwangsom. Dit is in het verleden vooral gebleken bij de handhaving van overtredingen van de verbodsbepalingen in de Huisvestingswet. Daarom zijn boete nodig en wordt gelet op de schaarste van woningen in Amsterdam en belang van het behoud en de samenstelling van deze schaarse woningvoorraad als mede de leefbaarheid door Amsterdam een “lik op stuk beleid” gevoerd waarbij op duidelijke en snelle wijze sancties worden opgelegd aan overtreders. Bij het vaststellen van de hoogte van de boetes is als uitgangspunt genomen dat deze dermate hoog moeten zijn dat zij een afschrikwekkende werking hebben. De op te leggen boetes zijn vastgelegd in bijlage 3. Burgemeester en wethouders kunnen slechts wegens bijzondere omstandigheden een lagere boete opleggen. De overtreder zal in dat geval een voldoende onderbouwd beroep moet doen op die bijzondere omstandigheden (artikel 5.46, derde lid, Algemene wet bestuursrecht).

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:1

2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.

1 Op 25 juni 2018 is het primaire besluit genomen, waartegen eiser in bezwaar is gegaan. Op 5 november 2018 is het besluit op bezwaar (het bestreden besluit) genomen, waartegen eiser in beroep is gegaan bij de rechtbank.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:103).

3 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2394).

4 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2429, r.o. 6.3.)

5 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2429, r.o. 14.3.)

6 Medeplegen zoals bedoeld in art. 5:1 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb).

7 De rechtbank verwijst in dit kader naar de website van de Afdeling: www.raadvanstate.nl