Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6202

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
13/751434-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB / Litouwen / vervolging / aanvullende vraag mbt bevoegdheid uitvaardigende autoriteit / aanvullende vragen detentieomstandigheden / algemeen gevaar drie detentie-instellingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751434-19

RK nummer: 19/3680

Datum uitspraak: 20 augustus 2019

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 14 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 10 mei 2019 door de Prosecutor General’s Office of the Republic of Lithuania (Litouwen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Colombia) op [geboortedag] 1962,

[adres opgeëiste persoon] ,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. B. van Straaten, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Spaanse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Colombiaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van de Court of Appeals of Lithuania van 7 mei 2019 (zaaknummer: 1A-282-518/2019)

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Litouws recht strafbare feiten.

De verdediging heeft verzocht om aanhouding van de zaak. Ten eerste is nadere informatie over de aard van het verzoek nodig. Het feit dat de vervolging is geïnitieerd door de Court of Appeals duidt er namelijk op dat het hier niet gaat om een strafrechtelijke vervolging. Daarnaast moet nadere informatie worden gevraagd over de rechtsgang in Litouwen. Ondanks zijn uitdrukkelijk wens is de opgeëiste persoon niet aanwezig geweest bij de zitting waar het cassatieberoep is behandeld. Ten slotte is het vreemd dat de Litouwse autoriteiten de opgeëiste persoon nog geen maand voor het uitvaardigen van het EAB hebben vrijgelaten en opgedragen het land te verlaten en acht de verdediging het noodzakelijk om de papieren die de opgeëiste persoon daarbij heeft ontvangen voor deze procedure te laten vertalen.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om aanhouding.

De rechtbank overweegt het volgende.

Bij e-mail van 2 augustus 2019 heeft de uitvaardigende autoriteit een brief meegestuurd van de Court of Appeal of Lithuania van 1 augustus 2019, waarin is vermeld:

“(…)

Please be informed that currently the appeal proceedings is taking place, as pursuant to

12 April 2019 ruling of the Supreme Court of Lithuania, the criminal case regarding [opgeëiste persoon] [de rechtbank begrijpt: [opgeëiste persoon] ] has been returned for re-examination under appeal procedure. (…). The convicted unreasonably claims that a final valid and effective decision regarding him has been passed and he has served the sentence imposed on him.

(…)

On 14 March 2019 the Supreme Court of Lithuania received request from the convicted [opgeëiste persoon] asking to allow him participating in the court hearing by means of a video conference; however, due to technical issues it was not possible to arrange the court hearing of this kind. The hearing of cassation court was attended by the defence lawyer of [opgeëiste persoon] who presented the latter's position regarding the cassation appeal.

In the present case [opgeëiste persoon] is represented by lawyer Mindaugas Paukste. This

lawyer participated in the court hearings of the first instance court, the Court of Appeal of Lithuania and the Supreme Court of Lithuania. According to the warrant (which is enclosed to the case file), Mindaugas Paukste represents [opgeëiste persoon] during the pre-trial investigation and the trial.

The said defence lawyer was also present in the hearing of Court of Appeal of Lithuania which was assigned to review the case again and to consider the application of coercive measure arrest to be imposed on convict [opgeëiste persoon] . Eventually, during court hearings on 7 May 2019 and 6 June 2019 coercive measure arrest was imposed on [opgeëiste persoon] with the view to ensure unhindered examination of the criminal case anew following the appeal procedure and participation of the convict in the proceedings, because currently he is declared as being wanted.”

Naar het oordeel van de rechtbank is uit deze informatie duidelijk geworden dat de veroordeling van de opgeëiste persoon nog niet onherroepelijk is en dat de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn overlevering wenst om, na gegrondverklaring van het cassatieberoep, de vervolging in hoger beroep te kunnen voortzetten. Omdat geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling, is ook de (gestelde) weigeringsgrond van artikel 12 OLW in deze procedure niet aan de orde. Met de officier van justitie ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om nadere informatie in te winnen en de zaak om die reden aan te houden. Dat de opgeëiste persoon in Litouwen is ontslagen uit de voorlopige hechtenis doet aan dit oordeel niet af.

4 Bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft in het arrest van 27 mei 2019 in de zaak C-509/18 (PF) bij de beantwoording van de vraag van de Ierse rechter of de officier van justitie van de Republiek Litouwen een rechterlijke autoriteit is als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (Kaderbesluit), het volgende overwogen:

“56 In het licht van het voorgaande kan de procureur-generaal van Litouwen worden aangemerkt als „uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, aangezien (…) zijn status in deze lidstaat niet alleen de objectiviteit van zijn taak verzekert, maar tevens zijn onafhankelijkheid waarborgt ten opzichte van de uitvoerende macht in het kader van de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. Uit de elementen in het dossier waarover het Hof beschikt kan echter niet worden opgemaakt of de beslissingen van de procureur-generaal om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de door een effectieve rechterlijke bescherming gestelde eisen, hetgeen door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd.”

Naar aanleiding van bovenstaande vraag heeft de Litouwse procureur-generaal (Chief Prosecutor) bij brief van 27 juni 2019 het volgende meegedeeld:

“Furthermore, according to Article 69 of the Code of Criminal Procedure of the Republic of Lithuania (CCP) the Prosecutor General’s Office issues the European arrest warrant only upon receipt of the court’s order on arrest (arrest warrant) of the person in question. The coercive measure — arrest shall be imposed only by order of pre-trial investigation judge or court (Article 121 of CCP). This order may be appealed against to the higher court. (Article 130 of CCP).

In addition, Article 63 of the CCP stipulates that persons participating in the proceedings may appeal against actions or decisions taken by prosecutor to the superior prosecutor. In cases where the superior prosecutor declines to grant the appeal rendering an order, this order may be appealed against to the pre-trial judge.”

Uit de eerste alinea van de hiervoor aangehaalde brief leidt de rechtbank af dat het nationale arrestatiebevel wordt uitgevaardigd door een onderzoekrechter en dat daartegen beroep openstaat bij een hogere rechter.

De rechtbank begrijpt de tweede alinea zo dat tegen alle bevelen van officieren van justitie beroep openstaat bij de hogere of hoogste officier van justitie (superior prosecutor), waartegen vervolgens weer beroep openstaat bij een onderzoeksrechter/rechter-commissaris. Omdat in deze alinea de procureur-generaal (chief prosecutor) niet wordt genoemd, is het de rechtbank niet duidelijk of uit artikel 63 van het Litouwse Wetboek van Strafvordering ook volgt dat tegen de beslissing tot uitvaardiging van een EAB door de procureur generaal (chief prosecutor) beroep in rechte mogelijk is.

De rechtbank zal het onderzoek daarom heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken hierover nadere informatie te verstrekken.

Ondanks het feit dat de te stellen vragen zien op de ontvankelijkheid van de officier van justitie tot het instellen van de vordering tot overlevering, zal de rechtbank om proces-economische redenen oordelen over de volgende onderwerpen.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het de strafbare feiten heeft aangeduid als een feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Litouws recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 Beroep op artikel 6, vijfde lid, OLW

6.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk moet worden gesteld aan een Nederlander. Zij heeft ter onderbouwing van dit beroep op artikel 6, vijfde lid, OLW erop gewezen dat de opgeëiste persoon tussen 7 juli 2005 en 14 augustus 2007 in Nederland verblijfsrecht had als familielid van een EU-onderdaan en dat hij vanaf 11 april 2008 een reguliere verblijfsvergunning had met een niet tijdelijk verblijfskarakter, te weten ‘voorgezet verblijf’. Het verblijfsrecht is weliswaar bij beschikking van 29 november 2018 met terugwerkende kracht ingetrokken tot 4 juli 2015, maar het beroep daartegen is nog aanhangig. Indien dit beroep slaagt, kan de opgeëiste persoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of de Nederlandse nationaliteit aanvragen. Die toetsing moet dan ex tunc, op 11 april 2018, worden genomen. Er moet hier worden uitgegaan van een situatie als bedoeld in artikel 6, vijfde lid OLW en daarom dient een terugkeergarantie te worden verstrekt.

6.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verwezen naar de brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 29 juli 2019, waarin is vermeld dat het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon is ingetrokken, omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst en dat zijn verblijfsrecht ook op basis van de veroordeling in Litouwen kan worden ingetrokken. De opgeëiste persoon heeft echter geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gehad, zoals in artikel 6, vijfde lid, OLW voor gelijkstelling is vereist. Ook is niet onderbouwd dat de opgeëiste persoon anderszins voor gelijkstelling in aanmerking zou komen.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, vijfde lid, van de OLW zijn voldaan aan drie vereisten, te weten:

1. bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;

2. vervolgingsmogelijkheid in Nederland voor de feiten die aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen;

3. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Vast staat dat de opgeëiste persoon nooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat hij een dergelijke vergunning al heeft aangevraagd. Gelet op het bepaalde in artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan deze niet met terugwerkende kracht worden verleend. Voor het afwachten van de beroepsprocedure tegen de intrekking van het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon bestaat dan ook geen aanleiding. De rechtbank verwerpt het verweer.

7. Artikel 7 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest)

7.1

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op artikel 8 Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat beoogt het gezinsleven te beschermen.

De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon er - gelet op zijn gezinssituatie - belang bij heeft dat de vervolging in Nederland plaatsvindt. Indien de opgeëiste persoon in Litouwen gedetineerd is, zal er nauwelijks sprake kunnen zijn van ‘family-life’ als bedoeld in artikel 8 EVRM met zijn Nederlandse echtgenote en haar zoon en met de zoon van de opgeëiste persoon uit een eerdere relatie, die eveneens in Nederland woonachtig is. De raadsvrouw heeft daarbij nog gewezen op de zogeheten Boultif-criteria, die onlangs nog zijn benadrukt in een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Jeunesse t. Nederland (12738/10).

7.2

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het betoog als een beroep op artikel 7 Handvest, dat - op grond van artikel 52, derde lid, Handvest - dezelfde inhoud en reikwijdte heeft als artikel 8 EVRM. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een beroep op artikel 7 Handvest niet kan slagen. Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 3 mei 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:2991) overweegt de rechtbank dat overlevering een toegestane beperking is in de uitoefening van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven.

Gelet op de tijdelijke aard van de beperking, is de verhouding tussen de belangen die overlevering beoogt te dienen en de beperking in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven van de opgeëiste persoon, niet onevenredig. De inmenging in de uitoefening van het recht op ‘family-life’ levert daarom geen beletsel op voor overlevering. De verwijzing naar de Boultif-criteria treffen naar het oordeel van de rechtbank geen doel, omdat arresten waarin deze criteria worden toegepast, waaronder Jeunesse t. Nederland, zien op de weigering om een verblijfvergunning te verlenen. De rechtbank ziet geen grond voor analoge toepassing van deze criteria in overleveringszaken en verwerpt het verweer.

8 Detentieomstandigheden

8.1

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ter zitting primair verzocht de overlevering te weigeren, omdat de opgeëiste persoon gevaar loopt onmenselijk of vernederend te worden behandeld in Litouwen, als bedoeld in artikel 4 van het Handvest.
Subsidiair heeft zij verzocht om de zaak aan te houden om nadere informatie in te winnen over de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon in Litouwen zal worden vastgehouden. Daartoe is - kortweg - aangevoerd dat de opgeëiste persoon tijdens zijn eerdere detentie zowel fysiek als geestelijk letsel heeft opgelopen waarvan hij nog altijd gevolgen ondervindt. De opgeëiste persoon mocht niet luchten, verbleef onder slechte hygiënische omstandigheden, moest zijn behoefte doen ten overstaan van bewakers, kon zich niet verstaanbaar maken en had geen toegang tot de medische dienst. Deze ervaringen van de opgeëiste persoon vinden steun in rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, een rapport van het Human Rights Monitoring Institute van juli 2018 en de meest recente rapportage van het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CPT) van 25 juni 2019. Uit dat laatste rapport blijkt volgens de raadsvrouw onder meer dat sprake is van wijdverbreide meldingen over fysiek geweld tussen gevangenen onderling, overbevolking, onvoldoende medische zorg, onvoldoende registratie van verwondingen, wijdverspreid drugsgebruik, onvoldoende getraind personeel, disproportionele straffen en onvoldoende activiteiten buiten de cel.

8.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de rechtbank tot nu toe niet heeft geoordeeld dat gedetineerden in Litouwen in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen. Daarnaast heeft zij meegedeeld dat zij nog niet bekend was met het meest recente CPT-rapport en zich niet in staat acht daar ter zitting inhoudelijk op te reageren.

8.3

Oordeel van de rechtbank

Gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru van
5 april 2016 (, C-404/15 en C-659/15 PPU, r.o. 88 en 89, ECLI:EU:C:2016:198) is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat wanneer zij bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend - afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht en met name door artikel 4 van het Handvest gewaarborgde grondrechten - worden behandeld, verplicht om te beoordelen of dit gevaar bestaat wanneer zij moet beslissen of de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd wordt overgeleverd aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat. De tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel mag immers niet leiden tot onmenselijke of vernederende behandeling van die persoon.

Hiertoe dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich allereerst te baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentie-omstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Deze gegevens kunnen met name blijken uit internationale rechterlijke beslissingen, zoals de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door de organen van de Raad van Europa of die tot het systeem van de Verenigde Naties behoren.

Volgens vaste rechtspraak van de rechtbank bevatten CPT-rapporten dergelijke objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens.

Het meest recente CPT-rapport is uitgebracht naar aanleiding van het bezoek van het CPT aan Litouwen van 20 tot 27 april 2018, waarbij de Alytus Correction Home, de Lukiškės Remand Prison, Marijampolė Correction Home, Pravieniškės Correction Home en de Vilnius Correction Home zijn bezocht. Samengevat komt uit dit rapport naar voren dat het CPT het betreurt dat haar eerdere aanbevelingen nog altijd niet zijn opgevolgd en dat dit in het bijzonder ziet op de situatie in de detentie-instellingen van Alytus, Marijampolė en Pravieniškės en op de wettelijke normen voor persoonlijke ruimte, levenslang gestraften en contact met de buitenwereld.

Uit het recente CPT-rapport blijkt dat de veiligheidssituatie van gedetineerden in de drie genoemde detentie-instellingen ten opzichte van het bezoek van het CPT in 2016 zorgelijker is geworden, zowel vanwege onderling geweld tussen gedetineerden als vanwege excessief geweld door beveiligers om aan deze situaties een einde te maken. Uit de punten 22-24 van het rapport blijkt - kort gezegd - het volgende.

In de drie hiervoor genoemde detentie-instellingen is sprake van buitengewone niveaus van geweld, intimidatie en uitbuiting tussen gedetineerden onderling. Dit is het gevolg van ruime aanwezigheid van drugs, alcohol, telefoons en steekwapens enerzijds en zeer geringe aanwezigheid van gevangenismedewerkers en soms ook corruptie bij deze medewerkers anderzijds. Het CPT had sterk de indruk dat de reguliere afdelingen van de instelling te onveilig waren voor de gedetineerden en dat de enige gedeelten van deze instellingen waar het personeel wel volledige controle over had de speciale strafafdelingen waren. Deze afdelingen waren bijna altijd volledig bezet en de gedetineerden die daar bescherming zochten voor medegedetineerden waren daar voor lange periodes onderworpen aan een verblijf in vervallen cellen en een zeer sober regime (geen activiteiten, geen gezelschap en geen langere bezoeken). Daarnaast konden de gedetineerden alleen op deze afdeling terecht met toepassing van disciplinaire maatregelen, waardoor zij bijvoorbeeld ook minder snel voor vervroegde vrijlating in aanmerking konden komen. Desondanks waren veel gedetineerden zo wanhopig dat zij hier toch voor kozen en er is zelfs een geval bekend van een gedetineerde die een medegedetineerde heeft gedood om voor een dergelijke overplaatsing in aanmerking te komen.

De Litouwse autoriteiten hebben in reactie op dit onderdeel van het rapport verwezen naar artikel 70, zesde lid, van het Litouwse Wetboek inzake de tenuitvoerlegging van straffen, dat bepaalt dat gedetineerden op hun eigen verzoek in isolatie kunnen worden geplaatst als er sprake is van een reëel gevaar en dat zij in dat geval onder het normale gevangenisregime blijven vallen. Om die reden zien de Litouwse autoriteiten geen aanleiding om aanvullende wettelijke maatregelen te nemen en daarnaast hebben zij het voornemen om gedetineerden die een negatieve impact hebben op anderen over te plaatsen naar andere instellingen of ze te isoleren in dezelfde instelling.

In reactie op de aanbevelingen ten aanzien van het aantal en de kwaliteit van de medewerkers van de detentie-instellingen hebben de Litouwse autoriteiten meegedeeld dat de salarissen voor de medewerkers al vanaf 2017 structureel stijgen en dat het aantal bewaarders en ook het aantal medewerkers dat is getraind volgens de beginselen van dynamische veiligheid wordt uitgebreid. Daarnaast is op 1 februari 2019 de administratieve structuur in detentie-instellingen geoptimaliseerd, waardoor minder medewerkers bezig zijn met leidinggevende en administratieve functies en meer medewerkers zich direct met de gedetineerden bezighouden.

Uit de reactie van de Litouwse autoriteiten blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat de situatie zoals weergegeven in het CPT-rapport inmiddels niet meer actueel is. Uit de reactie blijkt namelijk niet waarom de aangehaalde, reeds bestaande wettelijke bepaling ter bescherming van bedreigde gedetineerden in de desbetreffende drie instellingen eerder niet het gewenste effect heeft gehad en hoe deze bepaling in de drie genoemde detentie-instellingen in de toekomst wel effectief zou kunnen worden toegepast. Daarnaast is weliswaar melding gemaakt van een toename van het personeel dat direct met gedetineerden werkt, maar deze melding acht de rechtbank onvoldoende concreet om te kunnen concluderen dat de veiligheidssituatie in de drie genoemde detentie-instellingen sinds het bezoek van de delegatie van het CPT substantieel is verbeterd.

De in het CPT-rapport beschreven buitengewone niveaus van geweld, intimidatie en uitbuiting leiden daarom tot de conclusie dat sprake is van een reëel gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor gedetineerden in de drie genoemde detentie-instellingen, te weten Alytus Correction Home, Marijampolė Correction Home en Pravieniškės Correction Home.

Daarnaast blijkt uit het CPT-rapport weliswaar dat de bevolking in de meeste detentie-instellingen is afgenomen, maar dat de wettelijke normen voor persoonlijke ruimte nog altijd niet voldoen aan de normen van het CPT. Ook heeft het CPT ten aanzien van de Vilnius Correction Home vastgesteld dat gedetineerden tussen de 3 en 3,5 m² persoonlijke ruimte hadden en dat gedetineerden in de niet gerenoveerde delen van de Alytus Correction Home gemiddeld 3,7 m² persoonlijke ruimte hadden. In de reactie op het rapport van de Litouwse autoriteiten blijkt niet nadrukkelijk dat de situatie in deze twee genoemde instellingen niet meer aan de orde is.

Ten slotte is op pagina 20 van het CPT-rapport vermeld dat voor gedetineerden in voorarrest in Lukiškės Remand Prison onvoldoende activiteiten buiten de cel werden aangeboden en dat de gedetineerden daar tot 22 of 23 uren per dag op hun cel verbleven.

In de reactie op de aanbeveling van het CPT hebben de Litouwse autoriteiten meegedeeld dat het Ministerie van Justitie een plan met wettelijke maatregelen bij het parlement heeft ingediend die ervoor moeten zorgen dat het aantal gedetineerden dat werkzaamheden kan verrichten binnen de detentie-instellingen met 60% zal toenemen en dat de mogelijkheden om te werken buiten de detentie-instellingen ook zullen toenemen. Daarnaast zullen met EU-fondsen in 2020 andere activiteiten worden geïntroduceerd in de ‘correctional establishments’.

De rechtbank zal het onderzoek in deze zaak aanhouden om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:

1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon, indien zijn overlevering wordt toegestaan, naar verwachting worden geplaatst?

2a. Onder welk detentieregime zal de opgeëiste persoon daar vallen?

2b. Hoeveel tijd moeten gedetineerden onder dat regime in de cel doorbrengen?

2c. Welke mogelijkheden voor activiteiten buiten de cel bestaan onder dat regime ?

2d. Hoeveel m2 aan individuele ruimte zal de opgeëiste persoon ter beschikking staan? Is dat – gelet op het arrest Muršić vs Croatia, EHRM 20 oktober 2017, 7334/13 – in- of exclusief sanitaire voorzieningen?

9 Beslissing

HEROPENT het onderzoek ter zitting

SCHORST het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 4 en 8 genoemde vragen aan de Litouwse uitvaardigende autoriteit te stellen;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsvrouw;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Spaanse taal tegen voormelde datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. C.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. C. Klomp en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.