Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6196

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
13/751479-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EAB / vervolging / Duitsland / bevoegdheid rechtbank als uitvaardigende autoriteit / dubbele strafbaarheid synthetische drugs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751479-19

RK nummer: 19/3466

Datum uitspraak: 20 augustus 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 mei 2019 door het Amtsgericht Köln (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1953,

verblijfadres [adres] ,

gedetineerd in het [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 6 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam.


De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot voorlopige hechtenis uitgevaardigd door het Amtsgericht Köln op 6 mei 2019 (zaaknummer 506 Gs 867/19).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

De verdediging heeft primair weigering van de overlevering bepleit voor de feiten 28 tot en met 51 omdat daarbij niet het afleveradres is vermeld, zodat niet vast staat dat deze wel in Duitsland liggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de zaak aan te houden om de officier van justitie hierover navraag te laten doen bij de Duitse autoriteiten.

De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer en afwijzing van het verzoek om aanhouding.

De rechtbank stelt voorop dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en overweegt daartoe het volgende. De rechtbank stelt met de officier van justitie vast dat op pagina 5 van het EAB voorafgaand aan de opsomming van de 52 feiten is vermeld: ‘verkochten verdachten (…) uitsluitend aan afnemers in Duitsland’, zodat ervan uit moet worden gegaan dat de leveringen waarbij geen adressen zijn genoemd ook in Duitsland hebben plaatsgevonden.

4 Bevoegdheid van de uitvaardigende justitiële autoriteit

De raadsman heeft niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie bepleit. Daartoe heeft hij onder verwijzing naar § 74 Gesetz über die Internationale Rechtshilfe in Strafsachen gesteld dat in Duitsland de minister van Justitie exclusief is aangewezen als bevoegde autoriteit voor het uitvaardigen van EAB’s en dat rechters in Duitsland daartoe niet bevoegd zijn. De raadsman heeft er verder op gewezen dat de rechtbank op 25 juni 2019 een zaak heeft aangehouden om daarover bij de Duitse autoriteiten nadere informatie in te winnen.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het haar weliswaar bekend is dat Amtsgerichte in een aantal deelstaten zich niet bevoegd achten om EAB’s uit te vaardigen en dat daarover in Duitsland momenteel discussie gaande is, maar dat het niet aan deze rechtbank is om te treden in de interpretatie van Duits recht. Verder heeft de officier van justitie aangevoerd dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ) in het arrest van 27 mei 2019 (C-508/18) heeft geoordeeld dat een rechter bevoegd is om een EAB uit te vaardigen en dat de rechtbank nadien overleveringen naar Duitsland heeft toegestaan, indien het EAB door een rechter was uitgevaardigd. De door de raadsman genoemde zaak die op 25 juni 2019 is behandeld is om andere reden aangehouden dan de door de raadsman opgeworpen vraag over de bevoegdheid. Op dezelfde zitting is in een zaak waarin hetzelfde is aangevoerd de overlevering wel toegestaan. Ten slotte heeft de officier van justitie gewezen op de uitspraak van 26 april 2019 (ELCI:NL:RBAMS:2019:3631), waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de rechtbank niet hoeft te onderzoeken of aan de eisen van relatieve competentie is voldaan, maar dat zij er in dat geval op moet vertrouwen dat de uitvaardigende autoriteit bevoegd is.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

Voor een rechter of rechterlijke instantie gelden niet de aanvullende voorwaarden die het HvJ in de overwegingen 74 en 75 van het eerder genoemde arrest heeft gesteld indien een EAB is uitgevaardigd door een andere autoriteit die is belast met de rechtsbedeling. Ook is het niet aan de rechtbank om te treden in de vraag of de rechter of rechterlijke instantie volgens het recht van de desbetreffende lidstaat wel bevoegd is om een EAB uit te vaardigen. In geval een EAB is uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit, moet het naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het in het overleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel, er dan ook voor worden gehouden dat deze autoriteit daartoe bevoegd is.

5 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

6.1

De WETS-garantie

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De hoofdofficier van justitie te Keulen (Duitsland) heeft bij brief van 28 mei 2019 de volgende garantie gegeven:

“De verzekering wordt gegeven dat de vervolgde persoon ingeval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van de geldende versie van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (Publicatieblad L 327 van 05-12-2008, blz 27) voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland teruggezonden zal worden.”

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.2.

Dubbele strafbaarheid

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De raadsman stelt zich aan de hand van zijn ter zitting van de rechtbank overhandigde pleitnota primair op het standpunt dat niet duidelijk is of de in het EAB genoemde feiten ook in Nederland strafbaar zijn en de overlevering dus kan worden toegestaan. Subsidiair verzoekt de raadsman om aanhouding van de behandeling van de zaak om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen voor ieder van de 52 in het EAB genoemde feiten aan te geven of de daarin genoemde middelen naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de zaak omdat het op de weg van de verdediging had gelegen om zelf te onderbouwen welke feiten in Nederland niet strafbaar zouden zijn. De officier van justitie stelt zich aan de hand van een door haar ter zitting overgelegde lijst en onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 21 juli 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:6214), op het standpunt dat de in het EAB genoemde middelen deels strafbaar zijn op grond van de artikelen 174 en 175 Wetboek van Strafrecht, deels strafbaar zijn op grond van de Geneesmiddelenwet en via lijst I van de Opiumwet, en voor een overig deel niet zijn te kwalificeren.

De rechtbank overweegt het volgende.

In de feitomschrijving in het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon tezamen met anderen sinds juli 2016 via verschillende internethandelplatforms aan afnemers in heel Europa synthetische drugs heeft aangeboden die zijn aangeduid als “Synthetic Cannabinoids”, “Research Chemicals”, “Blot’s Benzo’s Blends & Pills” en “Blots and Pills” en ook aan afnemers in Duitsland heeft afgeleverd. Vervolgens worden 52 leveringen genoemd, onder vermelding van de daarbij verzonden hoeveelheden stoffen.

Een aantal van de volgens het EAB door de opgeëiste persoon aangeboden en verzonden stoffen zijn strafbaar volgens lijst I van de Opiumwet, te weten: 4-FA, 4‑MEC, α-PVP, AB‑CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat en fentanyl. Voor de vervolging van de opgeëiste persoon vanwege het aanbieden, verkopen, in- of uitvoeren en verzenden van die stoffen wordt de overlevering daarom toegestaan. Dat betreft de feiten vermeld onder nummer 6, 12, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51 uit het EAB voor zover zij zien op de hiervoor vermelde stoffen.

Over de stoffen Etizolam en Adrafinil heeft de officier van justitie gesteld dat het verhandelen daarvan strafbaar is op grond van artikel 40, eerste en tweede lid, respectievelijk 38 van de Geneesmiddelenwet.

De stof Adrafinil wordt in het EAB niet vermeld. Wel vermeldt het EAB dat het middel Etizolam op de daar genoemde websites is aangeboden en ook enkele malen aan afnemers is verzonden. De officier van justitie heeft niet toegelicht waarom dit middel een geneesmiddel is in de zin van artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 zodat daarvoor op grond van artikel 40, eerste en tweede lid, van de Geneesmiddelenwet een handelsvergunning is vereist. Het EAB bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een geneesmiddel in de zin van deze regelgeving. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het aanbieden en leveren van deze stof naar Nederlands recht strafbaar zijn, zodat de overlevering voor de feiten die zien op deze stof moet worden geweigerd.

Over een aantal andere stoffen heeft de officier van justitie onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 24 juli 2015 (ECLI:NL:RBAMS:2015:6214) betoogd dat het verhandelen en afleveren van schadelijke waren als deze strafbaar is op grond van de artikelen 174 en 175 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In deze uitspraak heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

Aan synthetische cannabinoïden is waarde in het handelsverkeer toe te kennen en de bestemming die de aangeboden stoffen hebben zijn voor gebruik. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de synthetische cannabinoïden zijn aan te merken als ‘waren’ in de zin van artikel 174 Sr.

(…)

Veroordeelde moet zich de schadelijke effecten van het gebruik van deze stoffen (…) hebben gerealiseerd. Hoewel de Duitse rechter zich uitgebreid heeft laten voorlichten over de schadelijkheid van de stoffen en daar ook eigen overwegingen aan heeft gewijd blijkt uit niets dat veroordeelde bij het verhandelen van de stoffen de afnemers heeft geïnformeerd over deze schadelijkheid. De rechtbank houdt het er dan ook op dat veroordeelde dit heeft verzwegen.”

De officier van justitie heeft niet toegelicht waarom de door haar genoemde stoffen onder de werking van artikel 174 Sr vallen. Niet is duidelijk of deze stoffen ook alle als synthetische cannabinoïden moeten worden aangemerkt of dat het verkopen/te koop aanbieden/afleveren of uitdelen van deze stoffen (mede) om andere redenen strafbaar zouden zijn op grond van artikel 174 Sr. Daarnaast heeft de officier weliswaar gesteld dat het ook in deze zaak ervoor moet worden gehouden dat de opgeëiste persoon wist van het schadelijke karakter van deze stoffen en dit heeft verzwegen, maar uit het EAB blijkt dit niet. Anders dan in de zaak waarnaar is verwezen, is er in dit geval geen veroordelend vonnis waarin deze aspecten aan de orde zijn geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het aanbieden en leveren van deze stoffen naar Nederlands recht strafbaar is, zodat de overlevering voor de feiten die zien op deze stoffen moet worden geweigerd.

De feiten vermeld onder nummer 6, 12, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51 uit het EAB zijn naar Nederlands recht strafbaar voor zover zij zien op de hiervoor vermelde middelen op lijst 1 van de Opiumwet en leveren op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 2, aanhef, onder A en/of B van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen gepleegd;

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde en/of vijfde lid, van de Opiumwet.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Duitse autoriteiten plaats te vinden.

De volgende argumenten zijn aangevoerd:
- de verdovende middelen zijn in Duitsland ingevoerd;

- de rechtsorde is in Duitsland geschaad;

- de vervolging is in Duitsland aangevangen;

- de medeverdachten worden in Duitsland vervolgd.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW ten aanzien van het aanbieden, de invoer en het afleveren van de stoffen waarvoor de overlevering wordt gevraagd en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor de feiten vermeld onder nummer 6, 12, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47, 48, 49, 50 en 51 te worden toegestaan voor zover deze zien op de middelen 4-FA, 4 MEC, α-PVP, AB CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat en fentanyl. Voor het overige moet zij worden geweigerd.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47 Wetboek van Strafrecht, 2, 10 en 11b Opiumwet en 2, 5, 6, 7 en
13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Köln ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de in het EAB onder 6, 12, 32, 35, 36, 38, 39, 40, 41, 47 en 48 omschreven feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht, voor zover deze zien op de middelen 4-FA, 4 MEC, α-PVP, AB CHMINACA, 5F-MDMB-PINACA, methylon, ethylfenidaat en fentanyl.

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] voor zover het EAB betrekking heeft op de hiervoor vermelde feiten en deze niet zien op de hiervoor vermelde middelen en voor de overige feiten.

Aldus gedaan door

mr. C.A. van Dijk, voorzitter,

mrs. C. Klomp en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 20 augustus 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.