Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6124

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
C/13/669376 / KG ZA 19-764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kort geding rechter gaat niet mee in een ‘fishing expedition’ (hengelen naar bewijsstukken) in de nasleep van het zogenaamde garnalenkartel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/669376 / KG ZA 19-764 MvW/MAH

Vonnis in kort geding van 22 augustus 2019

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 17 juli 2019

advocaat mr. P.P.R. Hoekstra te Groningen,

tegen

1. de rechtspersoon naar Frans recht

CHUBB EUROPEAN GROUP SE,

gevestigd te Courbevoie, Frankrijk,

2. de rechtspersoon naar Duits recht

ALLIANZ GLOBAL CORPORATE & SPECIALTY SE,

gevestigd te München, Duitsland,

advocaat mr. J. Liauw-A-Joe te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Verzekeraars worden genoemd .

1 De procedure

1.1.

De zaak is ter zitting van 25 juli 2019 en 8 augustus 2019 behandeld. Op de zitting van 25 juli 2019, waar de advocaten van partijen aanwezig waren, heeft de voorzieningenrechter de behandeling van de zaak aangehouden en een nadere zitting bepaald op 8 augustus 2019, teneinde partijen de gelegenheid te geven voor nader overleg en [eiser] de gelegenheid te geven zijn vorderingen aan te passen.

1.2.

Ter zitting van 8 augustus 2019 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in kopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, de akte wijziging/vermeerdering van eis van 23 juli 2019 en de vermindering van eis van 24 juli 2019. De Verzekeraars hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen, althans tot referte voor zover het de gevorderde verstrekking van Vaststellingsovereenkomst 2 betreft. Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

1.3.

Op de zitting van 8 augustus 2019 waren aanwezig:
- aan de zijde van [eiser] : [zoon] (zijn zoon) met mr. Hoekstra,
- aan de zijde van de Verzekeraars: mr. Liauw-A-Joe.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is tot zijn pensioen medio 2004 aandeelhouder en bestuurder geweest van – kort gezegd – het Heiploegconcern.

2.2.

Op 27 november 2013 heeft de Europese Commissie aan het concern een boete van ruim € 27 mio opgelegd vanwege het zogenoemde ‘garnalenkartel’, over de periode van 21 juni 2000 tot 13 januari 2009.

2.3.

Op 28 januari 2014 is het faillissement uitgesproken van de vennootschappen van het Heiploegconcern.

2.4.

Bij brieven van 17 mei 2014 en 16 oktober 2015 hebben de faillissementscuratoren [eiser] als (indirect) bestuurder hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort in het faillissement van ruim € 111 mio, vanwege de deelname van [eiser] aan het garnalenkartel in de periode 2000-2004 en de als gevolg daarvan opgelegde kartelboete. In de laatste brief hebben zij [eiser] gesommeerd binnen acht weken aansprakelijkheid te erkennen en te berichten dat hij buiten rechte een schikking wenste te treffen. Mr Hoekstra heeft zich namens [eiser] verweerd bij brief van 20 juni 2014. Op 21 december 2015 heeft mr. Hoekstra aan de curatoren geschreven dat hij in hun brief van 16 oktober 2015 geen reactie op zijn verweren en ook niet de gevraagde informatie heeft aangetroffen en dat hij in januari 2016 met zijn eerste nadere reactie hoopte te komen.

2.5.

Op 16 november 2015 heeft mr. Hoekstra aan mr. Eshuis, advocaat van een van de andere bestuurders, gemaild:
“Ik heb (…) met cliënt gesproken en hij stemt er mee in dat wij het gesprek aangaan met de curatoren van Heiploeg om af te tasten wat de mogelijkheden zijn voor een minnelijke regeling c.q. wat de range zou moeten/kunnen zijn van een dergelijke regeling.
Neemt u het voortouw om het voorstel voor een dergelijke bespreking aan de curatoren voor te leggen en globaal af te spreken wanneer deze zou kunnen plaatsvinden? Desgewenst ben ik vanzelfsprekend ook bereid om dat op mij te nemen. (…)”.

2.6.

Op 3 augustus 2016 heeft [assurantiemakelaar] , assurantiemakelaar, aan mr. Hoekstra gemaild:
“ (…) zoals mogelijk bij u bekend heeft Heiploeg een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering afgesloten voor haar bestuurders, waaronder dhr. [eiser] . Vooralsnog heeft dhr. [eiser] nog geen aanspraak gemaakt op deze verzekering. Vanuit de verzekeraar wordt mij nu gevraagd om met u contact op te nemen om af te stemmen of een aanspraak nog zal volgen.
Zou u of dhr [eiser] kunnen bevestigen dat er geen aanspraak wordt gemaakt op de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering van Heiploeg namens dhr. [eiser] ?”

2.7.

Op 25 augustus 2016 heeft mr. Hoekstra geantwoord:
“(…)
Die aansprakelijkheidsstelling is al weer lange tijd geleden afgewezen, onder meer omdat er nogal wat schortte aan de onderbouwing ervan. De curatoren hebben hun vermeende claim nadien nog altijd niet nader onderbouwd.
[eiser] gaat vanzelfsprekend geen afstand van enig recht doen ten aanzien van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Aangezien theoretisch de kans bestaat dat de curatoren alsnog met een beter onderbouwde claim zouden komen, behoudt [eiser] zich het recht voor om op een later moment nog aanspraak te maken op de rechten voortvloeiende uit de verzekering.

Overigens ontvang ik nog graag de polisvoorwaarden van de verzekering. Zou u mij deze willen toesturen?

(…)”.

2.8.

Op 28 mei 2019 hebben de curatoren voor € 107,5 mio beslagen gelegd ten laste van [eiser] . De curatoren hebben [eiser] op 7 juni 2019 gedagvaard in een bodemprocedure. Uit de dagvaarding blijkt onder meer dat de curatoren met de andere bestuurders en de commissarissen van het Heiploegconcern en de Verzekeraars een schikking hebben getroffen waarbij de aansprakelijkheid is afgekocht tegen betaling van totaal € 3 mio. Alleen de (omvang van de) aansprakelijkheid van [eiser] is dus nog in geschil.

2.9.

Mr. Hoekstra heeft hierover telefonisch contact opgenomen met gedaagde sub 1 (Chubb) en haar bij e-mail van 2 juli 2019 de dagvaarding toegezonden. Daarna hebben zij gecorrespondeerd per e-mail. Mr. van Helsdingen heeft tenslotte bij e-mail van 15 juli 2019 namens de Verzekeraars gesteld dat [eiser] in principe geen toegang meer heeft tot dekking aangezien de schademelding vijf jaar te laat is gedaan en ook een voorbehoud wordt gemaakt vanwege de opzetuitsluiting in de polis, maar dat de Verzekeraars [eiser] in de gelegenheid stellen om hen nader te informeren alvorens een definitief standpunt in te nemen over de dekking. Daarop heeft mr. Hoekstra bij e-mail van dezelfde dag de Verzekeraars aansprakelijk gesteld. Hij verwijt namens [eiser] de Verzekeraars dat zij geen openheid van zaken hebben geven en daarmee het verweer van [eiser] jegens de curatoren bemoeilijken.

2.10.

Omstreeks 23 juli 2019 hebben de Verzekeraars aan [eiser] op zijn verzoek een kopie van de vaststellingsovereenkomst tussen de curatoren en de andere (dan [eiser] ) bestuurders en commissarissen verstrekt (hierna: Vaststellingsovereenkomst 1). De vaststellingsovereenkomst tussen de Verzekeraars en de andere bestuurders en commissarissen, waarin is geregeld wie wat bijdraagt aan het schikkingsbedrag van € 3 mio (hierna: Vaststellingsovereenkomst 2) heeft [eiser] , ondanks zijn verzoek daartoe, niet ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – na vermeerdering/wijziging en vermindering van eis:

1. de Verzekeraars, op straffe van dwangsommen, hoofdelijk te gebieden om afschrift te geven van, althans inzage in:

- Vaststellingsovereenkomst 2,

- eventuele andere afspraken van de Verzekeraars met de andere bestuurders en de commissarissen (of de curatoren),

- overige relevante informatie over door de Verzekeraars gemaakte afspraken die [eiser] raken;

2. de Verzekeraars, op straffe van dwangsommen, hoofdelijk te gebieden om informatie te geven en afschrift van stukken over:
- het verloop van de onderhandelingen met de curatoren over de schikking

- de afweging daarbij door de Verzekeraars van de belangen van [eiser] en de andere verzekerden;

3. een andere voorziening te treffen, op straffe van dwangsommen, die recht doet aan de belangen van [eiser] ;

4. de Verzekeraars in de proceskosten te veroordelen.

3.2.

De Verzekeraars voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Namens [eiser] is op de zitting van 8 augustus 2019 verklaard dat, nu de Verzekeraars Vaststellingsovereenkomst 1 inmiddels aan [eiser] hebben verstrekt, de volgende vorderingen overblijven:

a. a) afgifte of inzage in Vaststellingsovereenkomst 2, en

b) verstrekking van informatie over de wijze waarop de Verzekeraars rekening hebben gehouden met de belangen van [eiser] .

Spoedeisend belang

4.2.

In kort geding zijn dergelijke vorderingen slechts toewijsbaar als de verzoekende partij daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft. Dat is het geval volgens [eiser] . Aanvankelijk beriep hij zich daartoe op het feit dat hij in de lopende procedure waarin de curatoren hem aansprakelijk hebben gesteld (hierna: de bodemprocedure) op 7 augustus 2019 van antwoord moest dienen. Ter zitting van 8 augustus 2019 is namens hem verklaard dat hij uitstel heeft gekregen tot 4 september 2019, maar dat er – naar de voorzieningenrechter begrijpt – op de volgende gronden nog steeds sprake is van een spoedeisend belang.

4.3.

[eiser] stelt de gevraagde bescheiden en informatie nodig te hebben voor zowel zijn verweer in de procedure met de curatoren als – en in samenhang daarmee – om de gronden en omvang te bepalen van zijn mogelijke vorderingen op de Verzekeraars, de andere bestuurders en de commissarissen en eventueel de curatoren. Hij moet bijvoorbeeld beslissen of hij de Verzekeraars en de andere bestuurders en de commissarissen in vrijwaring zal oproepen in de procedure met de curatoren. Hij stelt op hen regres te kunnen nemen indien hij zou worden veroordeeld tot betaling van méér dan hij in de onderlinge verhouding tussen de bestuurders en commissarissen zou hoeven bijdragen. Een vordering tot vrijwaring moet vroeg in de procedure worden ingesteld.

4.4.

Overigens hebben de curatoren - nadat [eiser] onlangs Vaststellingsovereenkomst 1 heeft gekregen, waarin volgens hem staat dat de curatoren hun vordering op [eiser] op voorhand hebben verminderd met de bedragen die [eiser] op de andere bestuurders en commissarissen zou kunnen verhalen - recent aangekondigd hun vordering op [eiser] in de bodemprocedure te zullen verminderen. Dat is echter nog niet gebeurd en [eiser] weet ook niet hoe groot de vermindering zou zijn. Hij heeft dus naar zijn zeggen nog steeds een spoedeisend belang bij zijn vorderingen om informatie over gemaakte afspraken en het handelen van de Verzekeraars te krijgen.

4.5.

Deze argumenten zijn door de Verzekeraars niet of niet afdoende bestreden. Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

vordering a

4.6.

[eiser] heeft de vordering tot afgifte of inzage in Vaststellingsovereenkomst 2 gebaseerd op art. 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.7.

Een exhibitievordering komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking, indien is voldaan aan de volgende uit art. 843a lid 1 Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:

(1) de eiser heeft een rechtmatig belang, en

(2) het moet gaan om bepaalde bescheiden

(3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
Is aan deze voorwaarden voldaan, dan is degene die over de stukken beschikt op grond van art. 843a lid 4 Rv toch niet verplicht aan de vordering te voldoen als daarvoor gewichtige redenen zijn, of als redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.8.

De Verzekeraars hebben zelf geen bezwaar tegen verstrekking van Vaststellingsovereenkomst 2 aan [eiser] , maar zij achten zich gebonden aan het daaraan verbonden geheimhoudingsbeding en hebben aangevoerd dat een aantal van de andere bestuurders en commissarissen bezwaar heeft tegen verstrekking vanwege met name hun reputatie. Deze omstandigheden vormen naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter geen gewichtige redenen, in de zin van lid 4 van artikel 843a Rv, die aan verstrekking in de weg staan. De andere bestuurders en commissarissen zijn immers geen partij in dit kort geding en hebben zich ook niet gevoegd, hoewel zij, naar mr. Liauw-A-Joe heeft verklaard, bekend zijn met deze procedure. Zij hebben er kennelijk voor gekozen om hun argumenten niet in te brengen. Bovendien heeft [eiser] verklaard genoegen te nemen met een kopie waarin de namen van de bestuurders en commissarissen en/of de door hen betaalde bedragen zijn weggelakt, mits het door de Verzekeraars bijgedragen bedrag maar zichtbaar is. Daarmee worden de bezwaren met betrekking tot de reputatie voldoende weggenomen. Nu overigens geen verweer is gevoerd tegen de vordering en deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal vordering a) worden toegewezen zoals hierna omschreven in de beslissing.

4.9.

Het verbinden van een dwangsom aan deze veroordeling is niet nodig. Er is geen reden om eraan te twijfelen dat de Verzekeraars hun toezegging, dat zij vrijwillig aan een eventuele veroordeling zullen voldoen, gestand doen.

Vordering b

4.10.

De resterende vordering van [eiser] betreft:

4.10.1.

afschrift van, althans inzage in, alle eventuele andere afspraken die de Verzekeraars met de andere bestuurders en commissarissen (of de curatoren) hebben gemaakt over de kwestie c.q. over de nog voeren procedure tegen [eiser] , die niet in de overeenkomst c.q. minnelijke regeling met alle betrokkenen zijn vastgelegd;

4.10.2.

alle overige relevante informatie, of daarin inzage, die betrekking heeft op de door de Verzekeraars gemaakte afspraken, die [eiser] raken;

4.10.3.

alle informatie over hun pogingen om (buiten [eiser] om) finale kwijting voor hem te regelen, dat wil zeggen een uiteenzetting van het verloop van de onderhandelingen met de curatoren en een uiteenzetting van alle momenten waarop en de wijze waarop zij dit met de curatoren besproken hebben, alsmede afschrift van alle schriftelijke (waaronder digitale) stukken waarin dit aan de orde is geweest, al dan niet intern of in de communicatie met de curatoren of de andere verzekerden;

4.10.4.

alle informatie over de door de verzekeraars zelf benoemde

belangenafweging, dat wil zeggen een uiteenzetting van de belangen die de

verzekeraars dan hebben meegewogen, een toelichting waarom zij de belangen van de één zwaarder hebben laten wegen dat de belangen van de ander (zonder dit met in elk geval [eiser] af te stemmen) en een uiteenzetting van hoe de belangen van

[eiser] , die zij hebben meegewogen, zijn weerslag heeft gekregen in de

onderhandelingen met de curatoren c.q. in de minnelijke regeling die daar het resultaat van is, alsmede afschrift van alle schriftelijke (waaronder digitale) stukken waarin deze aspecten aan de orde zijn geweest, al dan niet intern of in de communicatie met de curatoren of de andere verzekerden.

4.11.

De voorzieningenrechter begrijpt, dat [eiser] bij dit alles de plicht om stukken te verstrekken baseert op artikel 843a Rv en de informatieplicht (uiteenzettingen, toelichtingen) op de zorgvuldigheid die de Verzekeraars op grond van de verzekeringsovereenkomst, de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid of het ongeschreven recht in acht moeten nemen. Subsidiair baseert hij de informatieplicht op zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:199 van het Burgerlijk Wetboek, dat verplicht tot zorgvuldigheid en verantwoording.

4.12.

In alle gevallen geldt de eis van een rechtmatig belang. [eiser] moet dat aannemelijk maken en daarvoor moet hij concrete feiten en omstandigheden stellen en waar mogelijk onderbouwen.

4.13.

[eiser] stelt de stukken en informatie nodig te hebben om zijn stelling, dat er bij de totstandkoming van de schikking sprake is geweest van een ‘opzetje’ van de Verzekeraars om [eiser] te benadelen, te onderbouwen. Hij vermoedt dat er in Vaststellingsovereenkomst 2 of daarbuiten voor [eiser] ongunstige afspraken zijn gemaakt. de Verzekeraars hebben dat bestreden en daar gemotiveerd tegenin gebracht dat zij de belangen van [eiser] niet hebben geschaad, dat met zijn belangen gezien de omstandigheden ( [eiser] maakte geen aanspraak op dekking en plaatste zichzelf buiten de schikkingsonderhandelingen) voldoende rekening hebben gehouden en hem bovendien al in de correspondentie tussen de advocaten uitvoerig hebben geïnformeerd waarom zij hebben gehandeld zoals zij deden. De voorzieningenrechter volgt dit verweer. Uit de stukken en verklaringen rijst het beeld op dat de Verzekeraars hebben geprobeerd van [eiser] duidelijkheid te verkrijgen of hij een beroep deed op de verzekering en ook dat zij hebben geprobeerd hem bij de schikkingsonderhandelingen te betrekken, maar dat hij (of zijn advocaat) dit steeds heeft afgehouden.

4.14.

Daar tegenover heeft [eiser] niet voldoende aannemelijk gemaakt, dat wel sprake was van een ‘opzetje’. Van belang is daarbij dat [eiser] de aansprakelijkstelling niet formeel heeft gemeld bij de Verzekeraars. Uit de stukken en de verklaringen van partijen blijkt niet dat die melding later wel is gedaan. De Verzekeraars hebben, integendeel, verklaard dat zij nog altijd geen formele melding van [eiser] hebben ontvangen en dat zij bereid zijn om te bezien of dekking nog mogelijk is als alsnog melding wordt gedaan, ondanks het feit dat dat volgens de verzekeringsovereenkomst veel te laat is. De Verzekeraars hebben dus niet namens [eiser] opgetreden in de schikkingsonderhandelingen met de curatoren ten behoeve van de (andere) verzekerden en [eiser] mocht dat ook niet verwachten. Dat volgt uit de e-mail van 25 augustus 2016 aan de vertegenwoordiger van de Verzekeraars, dhr [vertegenwoordiger] , waarin mr. Hoekstra schrijft dat [eiser] zich het recht voorbehoudt om op een later moment aanspraak te maken op de rechten voortvloeiende uit de verzekering. De mail van 16 november 2015 van mr. Hoekstra aan mr. Eshuis (zie 2.5), waarop [eiser] zich beroept, doet daaraan niet af, alleen al omdat deze niet aan de Verzekeraars is gericht en van eerdere datum is.

Nu de Verzekeraars niet namens [eiser] hebben opgetreden, is er overigens ook geen sprake geweest van zaakwaarneming, zodat die niet als (subsidiaire) grondslag voor de vorderingen kan worden aangenomen.

4.15.

Daar komt bij dat de Verzekeraars [eiser] op 15 juli 2019 hebben geïnformeerd dat van de totale verzekerde som van € 10 mio na de schikking met de andere acht verzekerden nog ruim € 8,2 mio resteert. Het overhouden van ruim 80% van de dekking voor alleen [eiser] is in de optiek van de Verzekeraars een van de manieren waarop zij rekening hebben gehouden met de belangen van [eiser] , ondanks het feit dat hij zichzelf buiten de schikkingsonderhandelingen had geplaatst. Deze bedragen zijn door [eiser] op zichzelf niet bestreden. De voorzieningenrechter overweegt dat deze omstandigheden bepaald niet duiden op een opzetje van de Verzekeraars om hem te benadelen. Dat [eiser] alleen van die verzekerde som profiteert als de Verzekeraars uiteindelijk ook daadwerkelijk dekking zullen verlenen – daarover beslissen zij pas als [eiser] formeel aanspraak maakt op dekking – doet daar niet aan af.

4.16.

De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden leiden al met al niet tot de slotsom dat de verzekeraars in strijd hebben gehandeld met de zorgvuldigheid of de redelijkheid en billijkheid die ze jegens hem als voormalig bestuurder uit hoofde van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering moeten betrachten. De conclusie is dat [eiser] geen rechtmatig belang heeft bij het verkrijgen van nog meer stukken of informatie dan de Verzekeraars hem al hebben gegeven.

4.17.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat de omschrijving (zie 4.10) van de gevorderde stukken te ruim is en te weinig specifiek. Daarmee is ook niet voldaan aan voorwaarde 2) van artikel 843a lid 1 Rv. Er is geen sprake van een algemeen inzagerecht. Het artikel biedt dus niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan de eiser slechts vermoedt dat zij wel eens steun

zouden kunnen geven aan zijn stellingen, het is niet de bedoeling om ‘fishing expeditions’ te faciliteren (conclusie van A-G Strikwerda bij het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2000 (ECLI:NL: PHR:2000:AA4877)). Een partij kan slechts om inzage in bepaalde met name genoemde stukken vragen. Bij het aanduiden van de bescheiden dient voor de betrokkenen duidelijk te zijn op welke bescheiden wordt gedoeld. Met de Verzekeraars is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat hier niet het geval is.

Conclusie

4.18.

De conclusie luidt dan ook dat de vorderingen, behalve die ten aanzien van Vaststellingsovereenkomst 2, niet in aanmerking komen voor toewijzing.

4.19.

[eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten. Daarbij wordt € 1.470,- aan salaris advocaat berekend, omdat er twee zittingen hebben plaatsgevonden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt de Verzekeraars hoofdelijk om binnen een week na dit vonnis een kopie aan [eiser] te verstrekken van Vaststellingsovereenkomst 2 (tussen de Verzekeraars en acht betrokken verzekerden) waarin de namen van de bestuurders en commissarissen en de door hen betaalde bedragen zijn weggelakt maar het door de Verzekeraars bijgedragen bedrag nog zichtbaar is;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van de Verzekeraars begroot op:

– € 639,- aan griffierecht en

– € 1.470,- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2019.

type: mah

coll: mb