Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6086

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
Parketnummer 13/751897-19
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Overlevering toegestaan. Verweren met betrekking tot artikel 12 OLW, verjaring en detentieomstandigheden verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: : 13/751897-19

RK nummer: 19/3496

Datum uitspraak: 15 augustus 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 7 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 8 oktober 2015 door the Regional Court in Włocławek, Poland en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1956,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres: [BRP-adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 1 augustus 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.S. van der Horst, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement of the Regional Court in Włocławek dated 5 november 2003, file reference number II K 13/03.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 3 jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 2 jaren, 8 maanden en 25 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.

3.1.

Het standpunt van de verdediging

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij alleen op de eerste zitting aanwezig was en daar is vrijgesproken. Ook zijn advocaat was alleen op die zitting aanwezig. Na de dood van zijn moeder heeft hij in een andere woning (de rechtbank begrijpt: op een ander adres) verbleven, hij heeft geen nadere oproepingen ontvangen. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel niet te marginaal moet worden uitgelegd. Hij acht het niet reëel om zonder meer van de juistheid van hetgeen in het EAB is vermeld omtrent de verschijning van de opgeëiste persoon uit te gaan en de bewijslast na zo lange tijd bij de opgeëiste persoon te leggen. Er moet na zoveel jaar sprake zijn van een omslag van de bewijslast en er kan niet zonder meer worden uitgegaan van het vertrouwensbeginsel. De raadsman acht het noodzakelijk om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.

3.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie ziet geen reden om te twijfelen aan de informatie die in het EAB vermeld is. Zij acht het stellen van nadere vragen omtrent de verschijning van de opgeëiste persoon niet noodzakelijk.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is het stellen van nadere vragen in het kader van de beoordeling van het beroep op artikel 12 OLW niet noodzakelijk. De rechtbank stelt voorop dat in het overleveringsrecht het vertrouwensbeginsel uitgangspunt is tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat van dat uitgangspunt moet worden afgeweken. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB vermeld dat de opgeëiste persoon op negen (en kennelijk alle) zittingsdagen aanwezig was waarna vervolgens op 5 november 2003 vonnis is gewezen. Gelet op het vertrouwensbeginsel ziet de rechtbank – bij gebreke van enige contra-indicatie anders dan de mededeling van de opgeëiste persoon - geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die informatie. De opgeëiste persoon heeft ter zitting zowel verklaard dat hij was vrijgelaten als dat sprake was van een vrijspraak.

Dat sprake zou zijn van een vrijspraak op de eerste zittingsdag, zoals door de opgeëiste persoon beweerd, verhoudt zich niet met de daarop volgende acht zittingen en de uitspraak op 5 november 2003.

4 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

medeplegen van verkrachting.

5 Verjaring

5.1.

Het standpunt van de verdediging

Ter zitting heeft de raadsman van de opgeëiste persoon zich afgevraagd of de straf nog geëxecuteerd kan worden. In het EAB staat als verjaringsdatum 18 maart 2029 vermeld. Uitgaande van de pleegdatum zou dat neerkomen op een verjaringstermijn van 31 jaar, uitgaande van de datum van aanhouding zou het 29 jaar zijn en uitgaande van de uitspraakdatum 26 jaar. De raadsman vindt de informatie onduidelijk.

5.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerefereerd aan het vertrouwensbeginsel. De executietermijn verjaart altijd 25 jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis. De termijn kan variëren omdat een vonnis betekend moet worden. De officier van justitie leidt uit de stukken niet af dat hoger beroep is ingesteld. Het EAB roept op dit punt bij haar geen vragen op.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank wijst ook op dit punt op het hiervoor al genoemde beginsel van wederzijds vertrouwen. Het EAB is volstrekt helder over de verjaringsdatum, namelijk 18 maart 2029.

6 Detentieomstandigheden

6.1.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft verzocht om aanhouding om de Poolse autoriteit te vragen in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geplaatst. Hij heeft gewezen op het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 25 juli 2018, in het bijzonder op het daarin beschreven feit dat in Poolse detentie-instellingen geen 24-uurs medische zorg is. De opgeëiste persoon is een specifiek geval, hij heeft een zwak hart en ook overigens een fragiele gezondheid. We kunnen er niet blind op vertrouwen dat hij in Polen de medische zorg zal krijgen die hij nodig heeft, aldus de raadsman.

6.2.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ondanks de informatie in het CPT-rapport geen algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke of vernederende behandeling van mensen met een zwakke gezondheid in Poolse detentie-instellingen. Zij heeft er vertrouwen in dat de opgeëiste persoon in Polen voldoende zorg zal krijgen. Nadere vragen hierover stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gaat haar te ver. De officier heeft meegedeeld dat de medische gegevens in het kader van artikel 35 OLW zullen worden meegestuurd naar de Poolse autoriteit.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

In zijn arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.

Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).

De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat mensen met een broze gezondheid in Poolse detentiecentra onmenselijk of vernederend worden behandeld. Zij komt dan ook niet toe aan het stellen van nadere vragen hieromtrent. De rechtbank is van oordeel dat in Poolse detentiecentra voldoende medische zorg geboden wordt.

7 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 en 242 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Włocławek, Poland.

Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en H.G. Wilt, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 augustus 2019.

De jongste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.