Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6085

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-08-2019
Datum publicatie
05-09-2019
Zaaknummer
C/13/650214 / HA ZA 18-645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Auteursrecht op format voor televisieprogramma. Makerschap. Artikel 4 Auteurswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/650214 / HA ZA 18-645

Vonnis van 14 augustus 2019

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

NORDISK FILM & TV AS,

gevestigd te Oslo (Noorwegen),

eiseres,

advocaat: mr. R. van der Zaal te Amsterdam,

tegen

[gedaagde]

in hoedanigheid van curator in het faillissement van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TéVé Partners B.V. en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TéVé Holland B.V.,

kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk.

Partijen zullen hierna Nordisk en de curator worden genoemd. De gefailleerde vennootschappen worden hierna TéVé Partners en TéVé Holland genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 april 2018;

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Nordisk van 27 juni 2018, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 16 januari 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 23 april 2019, met de daarin vermelde (proces)stukken,

  • -

    de reacties op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Nordisk houdt zich bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van films en televisieseries. [medewerker Nordisk] was van 2001 tot 2005 [functie] en van 2005 tot 2010 [functie] bij Nordisk.

2.2.

TéVé Holland was een in 1995 opgerichte televisieproducent. Zij hield zich tot haar faillissement bezig met het ontwikkelen en produceren van televisieprogramma’s. Vanaf 2001 was [medewerker Tévé 1] werkzaam voor TéVé Holland.

2.3.

TéVé Partners was sinds 1 januari 2004 een vennootschap in oprichting die vervolgens op 20 oktober 2009 is opgericht. Zij hield zich tot haar faillissement bezig met consultancydiensten op het gebied van televisieformats, diensten die daarvoor door TéVé Holland werden verricht onder de projectnaam “TéVé Partners”.

2.4.

Nordisk is de producent van het televisieformat “ [naam format 1] ” (hierna: [naam format 1] ), een format voor een televisieprogramma waarin helderzienden onopgeloste moordzaken proberen op te lossen. [medewerker Nordisk] was voor een groot deel verantwoordelijk voor de ontwikkeling van dit televisieformat.

2.5.

[medewerker Nordisk] en [medewerker Tévé 1] hebben vanaf 2003 of 2004 met elkaar gesproken over het geschikt maken van [naam format 1] voor uitzending op de internationale markt. Dit heeft geleid tot een televisieformat genaamd “ [naam format 2] ”, een format rondom helderzienden dat geschikt zou zijn voor de internationale markt en dat beoogde aan te sluiten bij de populariteit van talentenjachten zoals Idols (hierna: het format). Op grond van het format worden helderzienden aan allerlei tests onderworpen en beoordeeld door een jury, waarbij aan het eind van de serie één van hen als winnaar uit de bus komt.

2.6.

Voor het format is een document geschreven, de ‘ [naam format bible] ’ (hierna: de format bible), waarin gedetailleerde informatie over het format en de productie is opgenomen. De format bible vermeldt onder meer:

“(…) Is it possible that the psychic talents some people claim to have might be an extension of primeval instincts which most of us have lost?

Or is it just a matter of luck, trickery and the need to believe?

On [naam format 2] (…) we aim to find out.
Our team has conducted the largest ever national search for people who claim to have psychic abilities. The eight finalists all think they have extra sensory perception – and we put them to the test in a series of challenges at locations all over the country.
A panel of sceptics forensically analyse each test to ensure fair play at all times, and a jury of twelve watches the psychics in action.
(…)

Format source

(…)

Owners: TeVe Partners BV, Holland & Nordisk Film, Norway

(…)”

2.7.

In 2006 heeft de Engelse omroep Channel 5 de eerste serie van het format uitgezonden in het Verenigd Koninkrijk. In de aftiteling is onder meer vermeld:

“(…)

Devised by

[medewerker Tévé 1]

[medewerker Nordisk]

(...)”

2.8.

Ook in Nederland is een televisieprogramma op basis van het format uitgezonden, waarbij in de aftiteling is vermeld:

“(...) Programma format: TeVe Media Group Nordisc Film (...)”

2.9.

Nordisk, TéVé Partners (althans TéVé Holland) en RDF Media Limited, een internationaal distributeur van films en televisieseries (hierna: RDF Rights), hebben op 12 april 2006 een distributieovereenkomst gesloten ten behoeve van de exploitatie van het format. In deze distributieovereenkomst worden Nordisk en TéVé Partners gezamenlijk aangeduid als “format owner”. De overeenkomst vermeldt verder, voor zover hier van belang:

“(…)
Introduction

Format Owner is the owner and authorised licensor of the Format for the Original Programme and Format Owner had agreed to grant to RDFR [RDF Rights; de rechtbank] the Format Rights in accordance with the terms and conditions set out in this Agreement.

1 Definitions

(…)

“Format”: shall mean the television format known as “ [naam format 2] ” from which the Original Programme has been developed including for the avoidance of doubt the name of the Original Programme and as further specified in the Production Bible;

(…)”

2.10.

Op grond van de distributieovereenkomst verkreeg RDF Rights het recht om het format te distribueren in een bepaald gebied, te weten alle landen behalve het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken, België en Nederland. Voor deze uitgesloten landen diende RDF Rights volgens de overeenkomst eerst toestemming van Nordisk en TéVé Partners gezamenlijk te hebben voor het verlenen van sublicenties. Partijen zijn verder overeengekomen dat RDF Rights twee maal en bedrag van GBP 5.000,- aan Nordisk en TéVé Partners zou betalen en dat Nordisk en TéVé Partners gezamenlijk 75% van de opbrengsten van de distributie (royalty’s) zouden krijgen. Op 20 februari 2007 is een addendum op de distributieovereenkomst gesloten.

2.11.

Op 4 juli 2008 heeft [medewerker Tévé 2] ( [functie] van TéVé Holland en TéVé Partners, hierna: [medewerker Tévé 2] ) aan Nordisk een persbericht van RDF Rights van 3 juli 2008 gezonden, waarin onder meer is vermeld:

“(...) [naam format 2] , the format owned by the Dutch production company Teve Partners and Scandinavian producers Nordisk, and distributed by RDF Rights (…) is continuing to enjoy worldwide success. (…)”

2.12.

In een e-mail van 6 oktober 2010 van [medewerker Tévé 2] aan Nordisk is vermeld:

“(...) I want to stress that TéVé Partners B.V. is next to 50% owner also the exclusive distributor of the “ [naam format 2] ” format and will report as distributor to Nordisk Norway, as 50% co-owner of the format.
As you know TéVé Partners assigned Zodiak Rights [RDF Rights; de rechtbank] as world wide sales representative of this format. Zodiak Rights will report to TéVé Partners. (…)”

2.13.

Op 19 januari 2012 heeft Zodiak Rights Limited (hierna: Zodiak) de rechtsverhouding uit hoofde van de distributieovereenkomst van RDF Rights overgenomen. Waar hierna wordt gesproken over RDF Rights wordt in voorkomend geval ook Zodiak bedoeld.

2.14.

TéVé Partners (althans TéVé Holland) heeft na het sluiten van de distributieovereenkomst met RDF Rights gefungeerd als contactpersoon voor RDF Rights. RDF Rights betaalde de licentievergoeding aan haar, die vervolgens tot eind 2013 de helft hiervan overmaakte aan Nordisk. TéVé Partners heeft daarna, tot 2014, delen van de door haar van RDF Rights ontvangen licentievergoedingen aan Nordisk doorbetaald. Vanaf 2010 is er discussie ontstaan over de juistheid van de verstrekte overzichten en de doorbetaalde vergoedingen.

2.15.

TéVé Holland en TéVé Partners zijn op respectievelijk 17 november 2015 en 1 december 2015 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [gedaagde] als curator.

3 Het geschil

3.1.

Nordisk vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat:

  1. de auteursrechten die rusten op het format voor ten minste 50% - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen deel - toekomen aan Nordisk,

  2. de curator inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Nordisk door zonder toestemming van Nordisk distributieovereenkomsten met betrekking tot de exploitatie van het format aan te gaan met Banijay;

  3. de curator onrechtmatig heeft gehandeld jegens Nordisk door zonder toestemming van Nordisk nieuwe distributieovereenkomsten met Banijay aan te gaan;

  4. e schadevordering van Nordisk op de curator in verband met de schade geleden door Nordisk als gevolg van de onder b en c omschreven auteursrechtinbreuk en/of onrechtmatige daad dient te worden aangemerkt als boedelvordering;

  5. de curator aansprakelijk is voor de schade geleden door Nordisk als gevolg van de onder b en c omschreven auteursrechtinbreuk en onrechtmatige daad, nader op te maken bij staat;

2. de curator beveelt onmiddellijk na het te wijzen vonnis alle inbreuken op de auteursrechten van Nordisk, althans al het onrechtmatig handelen jegens Nordisk, waaronder – maar niet beperkt tot – elke vorm van overdracht van het format zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Nordisk en het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot de exploitatie van het format zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Nordisk, te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom van EUR 250.000,- per handeling waarmee dit gebod wordt overtreden;

3. subsidiair, indien de rechtbank oordeelt dat de auteursrechten op het format niet van rechtswege (gedeeltelijk) berusten bij Nordisk en de vordering onder 1.a wordt afgewezen, de curator beveelt binnen drie werkdagen na het te wijzen vonnis het aan Nordisk toekomende deel van de op het format rustende auteursrechten onherroepelijk, onbezwaard en om niet over te dragen aan Nordisk middels een daartoe bestemde akte in de zin van artikel 2 Aw, op straffe van een dwangsom van EUR 25.000,- per dag dat de curator in strijd handelt met onderhavig gebod;

4. voor recht verklaart dat Nordisk recht heeft op 50% van de opbrengsten van alle vormen van exploitatie met betrekking tot het format – waaronder begrepen maar niet beperkt tot de opbrengsten uit distributieovereenkomsten, waaronder begrepen maar niet beperkt tot de nieuwe distributieovereenkomsten met Banijay en de opbrengsten uit overdracht (verkoop) van het format;

5. de curator veroordeelt in de volledige kosten van deze procedure, daaronder begrepen de volledige kosten van juridische bijstand van Nordisk op grond van artikel 1019h Rv, althans in de forfaitaire kosten van deze procedure.

3.2.

Nordisk legt aan haar vordering ten grondslag dat zij voor 50% auteursrechthebbende op het format is. Nordisk is als werkgever van [medewerker Nordisk] eigenaar geworden van de auteursrechten die hij als mede-maker van het format bezat. Subsidiair geldt dat Nordisk en TéVé Partners steeds hebben beoogd dat de auteursrechten voor 50% bij Nordisk zouden rusten. Ter zitting heeft Nordisk gesteld dat zij en TéVé Partners een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan overdracht van het deel van Nordisk van het auteursrecht aan haar moet plaatsvinden. In beide gevallen is Nordisk gerechtigd tot 50% van de opbrengsten van het format. De curator heeft inbreuk gemaakt op het aan Nordisk toekomende deel van het gemeenschappelijk auteursrecht door zonder toestemming van Nordisk een nieuwe distributieovereenkomst te sluiten. Daarnaast probeert de curator zonder toestemming van Nordisk het format aan derden te verkopen. De curator is aansprakelijk voor de schade die Nordisk als gevolg zijn onrechtmatig handelen lijdt. Deze schade is een boedelschuld, aldus steeds Nordisk.

3.3.

De curator voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, (nader) ingegaan.

4 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.1.

Nu Nordisk in het buitenland is gevestigd en de vordering daarmee een internationaal karakter draagt, dient allereerst ambtshalve de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen. Die vraag dient in dit geval te worden beantwoord aan de in deze zaak toepasselijke Brussel I Bis-Verordening (de Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). De Nederlandse rechter is reeds op grond van artikel 26 van Brussel I Bis-Verordening bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, aangezien sprake is van een stilzwijgende forumkeuze.

4.2.

Vervolgens dient de rechtbank het toepasselijk recht vast te stellen. Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op een niet-contractuele verbintenis, komt de rechtbank onder toepassing van artikel 14 van de Rome II-verordening (de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen) uit op Nederlands recht. Beide partijen hebben immers hun stellingen expliciet gebaseerd op het Nederlands recht, zodat sprake is van een rechtskeuze voor Nederlands recht die voldoende duidelijk blijkt uit de omstandigheden van het geval. Voor zover de vorderingen zijn gegrond op een inbreuk op het auteursrecht en de vraag wie als maker kan worden aangemerkt, vloeit uit artikel 5 lid 1 van de Berner Conventie voort dat Nederlands recht van toepassing is, omdat (en voor zover) Nederland het recht is waar auteursrechtbescherming wordt gevorderd (vgl. Hoge Raad 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881 en onder meer gerechtshof Den Haag 22 september 2015, ECLI:NL:GDHA:2015:2592). Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op een contractuele verbintenis, komt de rechtbank onder toepassing van artikel 3 van de Rome I-Verordening (de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst) ook uit op Nederlands recht.

De wijziging van eis

4.3.

De curator heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de voorafgaand aan de zitting toegezonden (door de rechtbank op 9 april 2019 ontvangen) wijziging van eis. Daarnaast heeft de curator zich op het standpunt gesteld dat ter zitting een nieuwe grondslag is gegeven voor de subsidiaire vorderingen, namelijk dat er subsidiair een contractuele grondslag tot overdracht zou bestaan, en dat die nieuwe grondslag ontoelaatbaar is.

4.4.

Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is een eisende partij op grond van artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in beginsel bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen. Deze bevoegdheid wordt begrensd door de eisen van een goede procesorde. In het onderhavige geval komt de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De curator is in de gelegenheid gesteld om op de vooraf toegezonden wijziging van eis en de ter zitting gegeven grondslag te reageren en heeft dat ook gedaan. Er is voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Mede gelet op de aard en de omvang van de eiswijziging, waaronder tevens begrepen de wijziging van grondslag, leidt deze niet tot een onredelijke bemoeilijking van de verdediging dan wel onredelijke vertraging van het geding. Het bezwaar van de curator wordt daarom verworpen.

Het auteursrecht op het format

4.5.

Niet in geschil is dat het format auteursrechtelijk is beschermd. Partijen verschillen van mening over de vraag of Nordisk, als werkgever van [medewerker Nordisk] , als mede-auteursrechthebbende kan worden aangemerkt op het format. De stelplicht en bewijslast dat Nordisk voor 50% als rechthebbende van het format kan worden aangemerkt rust ingevolge artikel 150 Rv in beginsel op Nordisk, nu zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Op grond van artikel 4 Auteurswet (Aw) wordt behoudens bewijs van het tegendeel degene die op of in een werk als zodanig is aangeduid voor de maker gehouden. Hiermee wordt een wettelijk bewijsvermoeden gegeven, waartegen tegenbewijs openstaat. Nordisk doet een beroep op deze bepaling en wijst hiervoor op de vermelding van [medewerker Nordisk] op de aftiteling bij Channel 5 en op de aftiteling bij de uitzending in Nederland. De curator voert aan dat dit bewijsvermoeden in deze zaak niet opgaat omdat artikel 4 Aw naar redelijke uitleg niet is bedoeld voor de situatie waar twee partijen elkaar het auteursrecht betwisten en omdat ook geen sprake is van een vermelding van Nordisk als de maker met de woorden “devised by (...) [medewerker Nordisk] ”.

4.6.

De vraag of Nordisk een beroep toekomt op het bewijsvermoeden van artikel 4 Aw kan in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank kan namelijk onder de hoofdregel van artikel 150 Rv om andere redenen als voorshands bewezen worden aangenomen dat Nordisk als mede-auteursrechthebbende op het format kan worden aangemerkt. Daartoe is het volgende van belang.

4.7.

Het idee van het houden van een talentenjacht voor helderzienden met een jury en sceptici is niet beschermd, hoe goed dat idee kennelijk, commercieel bezien, ook blijkt te zijn. Het gaat om de vorm waarin dit idee is uitgewerkt. De uitwerking van het idee voor het format is in dit geval neergelegd in de format bible, die door [medewerker Tévé 1] is geschreven. In geschil is of [medewerker Nordisk] daadwerkelijk door het maken van creatieve keuzes heeft bijgedragen aan het format zoals dat is uitgewerkt of dat hij slechts van praktische assistentie is geweest.

4.8.

Nordisk heeft haar stelling onderbouwd met de verklaring van [medewerker Nordisk] . In de overgelegde schriftelijke verklaring van [medewerker Nordisk] staat onder meer:

“(...) The idea for “ [naam format 2] ” came out of the very successful Nordisk format “ [naam format 1] ” (…) [medewerker Tévé 1] [ [medewerker Tévé 1] ; de rechtbank] was fascinated by “ [naam format 1] ” (…) However, because of Ofcom rules (British communications regulator), it was not possible to show psychic performers, without balancing out with a neutral or critical viewpoint.

We speculated a lot on how to get a psychic format on air in Britain, and came up with the idea with the somewhat humorous working title of “Psychic Idol”, i.e. a competition where contestants compete to solve tasks, using their presumed psychic powers. Each task was to be evaluated by a panel of neutral land skeptical “judges”, thus complying with Ofcom rules.

Then [medewerker Tévé 1] and myself decided to develop this idea into a concrete format. In the process of the development of this format, which was named “ [naam format 2] ” we both made substantial creative choices. (…)”

4.9.

Ter zitting heeft [medewerker Nordisk] toegelicht dat de kern was dat er challenges waren en dat hij en [medewerker Tévé 1] samen hebben besproken hoe die challenges eruit moesten zien. Hij heeft een aantal voorbeelden genoemd van zijn bijdrage aan het format, bijvoorbeeld dat er moest worden gewerkt met taken met gesloten enveloppen, waarop helderzienden hun hand moesten legden, dat er moest worden gewerkt met een symbolische prijs en dat helderzienden moesten werken met een voorwerp waaraan diepe gevoelens verbonden waren.

4.10.

Nordisk heeft haar stelling dat zij mede-auteursrechthebbende is daarnaast onderbouwd door te wijzen op verschillende documenten waarin telkens Nordisk als joint owner van het format wordt genoemd. Dat blijkt onder meer uit de format bible (zie hiervoor onder 2.6), de e-mail van [medewerker Tévé 2] van 6 oktober 2010 (zie hiervoor onder 2.12) en het persbericht van RDF Rights (zie hiervoor onder 2.11). Dit persbericht is weliswaar van RDF Rights maar heeft [medewerker Tévé 2] zonder commentaar aan Nordisk gezonden en op internet geplaatst. Verder zijn er in 2008 en 2009 productie- en distributieovereenkomsten gesloten met TV Norge voor [naam format 2] , waarin ook is opgenomen dat TéVé Partners en Nordisk de gezamenlijke eigenaren van het format zijn. Datzelfde geldt voor twee niet-ondertekende distributieovereenkomsten tussen TéVé Partners en Nordisk. Een en ander betekent dat in diverse stukken, deels van TéVé Partners/TéVé Holland zelf afkomstig, telkens Nordisk, zowel richting Nordisk zelf als richting derden, als de mede-eigenaar van format wordt aangeduid, hetgeen in de gegeven omstandigheden erop duidt dat Nordisk mede-rechthebbende is. Gedurende geruime tijd heeft TéVé Partners althans TéVé Holland immers ofwel zelf uitingen verspreid ofwel niet opgetreden tegen uitingen van derden waarin Nordisk als mede-rechthebbende wordt gepresenteerd. Deze uitingen dragen dus bij aan het bewijs van de stelling van Nordisk dienaangaande. Een verdere onderbouwing kan worden gevonden in de omstandigheid dat Nordisk delen van de exploitatie-opbrengst van het format heeft ontvangen en dat in de distributieovereenkomst met RDF Rights uit 2006 is bepaald dat ook toestemming van Nordisk vereist is voor exploitatie in bepaalde landen (zie hiervoor onder 2.10). Voor zover de hiervoor bedoelde uitingen geen juiste weergave van de auteursrechtelijke verhoudingen zouden zijn, is er geen overtuigende verklaring gegeven waarom deze vermelding in al deze uitingen desalniettemin werd gehanteerd of waarom hiertegen niet is opgetreden. De door [medewerker Tévé 2] gegeven verklaring dat er slechts onverplicht en met het oog op de goede relatie credits zijn opgenomen en betalingen aan Nordisk zijn verricht, overtuigt niet. Juist bij een televisieproducent die zich bedrijfsmatig bezig houdt met het exploiteren van formats had het voor de hand gelegen dat dan een daartoe strekkend voorbehoud kenbaar zou zijn gemaakt.

4.11.

Naar het oordeel van de rechtbank is Nordisk hiermee voorshands geslaagd in het leveren van het bewijs van haar stelling dat zij voor de helft de mede-auteursrechthebbende is van het format.

4.12.

De curator heeft echter aangevoerd dat het [medewerker Tévé 1] was die het format heeft ontwikkeld en uitgewerkt. [medewerker Tévé 1] heeft weliswaar met [medewerker Nordisk] gesproken over zijn ervaringen met helderzienden bij [naam format 1] en [medewerker Nordisk] heeft geholpen met het castingproces, maar dat maakt hem volgens de curator geen medemaker. De curator heeft gewezen op een overgelegde schriftelijke verklaring van [medewerker Tévé 1] waarin onder meer is vermeld:

“(…) I guess one could liken the relationship [tussen [medewerker Tévé 1] en [medewerker Nordisk] ; de rechtbank] to that of the creation of a valuable painting. To produce the work you need the input of both the artist and the men who make the paint and the brushes (…)

What [medewerker Nordisk] [ [medewerker Nordisk] ; de rechtbank] states is perfectly true in that they provided experience of working with psychics which we didn’t have which was helpful in creating some of the challenges used to test the psychics (…) Did they truly create the actual format – not they didn’t. It was written down by me working on my own with the UK market in mind. The UK has strict rules on the appearance of psychics on television. Their apparent “talent” must be challenged within the programme. To that end I created the idea of the panel of skeptical “experts” to challenge the apparent psychic ability of the contestants. This part is one of the key elements of the format. The concept of challenging psychics in this way was apparently not familiar to Nordisk whose broadcasting regulatory environment was different to the UK.
I had many conversations with [medewerker Nordisk] about how “psychic powers” demonstrated in [naam format 1] could be developed. In dialogue I suggested making it a competitive format as such formats, such as Pop idol etc were in vogue at the time. (…)
Nordisk’s involvement, with their experience of working with psychics was a help in persuading Channel 5 that the concept was viable which is why [medewerker Nordisk] s credit appeared on the UK production. (…)
The format bible was written down by me and is a description of the format and how it works in considerate detail (…)
To sum up – Nordisk, in the person of [medewerker Nordisk] , was an important support partner with a practical background knowledge but the actual artistic vision that made [naam format 2] a copyrightable television format format was mine. (…)”

4.13.

Ook heeft de curator onder meer gewezen op verklaringen van [medewerker Tévé 2] en van een regisseur/eindredacteur en een consultant research & development. Deze verklaringen komen kort gezegd erop neer dat zij niet bekend zijn met enige betrokkenheid van Nordisk in de ontwikkelingsfase van het format.

4.14.

Daarmee heeft de curator voldoende gesteld om te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

4.15.

Als de curator niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, komt vast te staan dat Nordisk voor 50% mede-auteursrechthebbende op het format is. Voor een andere verdeling (dan 50/50) heeft geen van partijen voldoende concrete feiten gesteld. In afwachting van eventuele bewijslevering, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing over de vorderingen die hierop zijn gebaseerd aan. Daarbij merkt de rechtbank volledigheidshalve op – tussen partijen is dit ook niet in geschil – dat ingeval van het niet slagen van het tegenbewijs moet worden aangenomen dat sprake is van het gemeenschappelijk auteursrecht dat de ene deelgenoot zelfstandig tegenover de andere deelgenoot kan handhaven (vgl. deze rechtbank 21 september 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:5983).

4.16.

Indien de curator wel slaagt in het leveren van tegenbewijs, komt de rechtbank toe aan de subsidiaire grondslag. Om proceseconomische redenen zal hierop nu al worden beslist.

4.17.

Nordisk stelt dat er een overeenkomst is op grond waarvan de overdracht van het aan Nordisk toekomende deel van het auteursrecht (alsnog) aan haar moet plaatsvinden. Daarbij wijst zij erop dat het uitgangspunt steeds is geweest dat elk van partijen 50% van het auteursrecht zou hebben en dat partijen dat hebben beoogd. [medewerker Nordisk] heeft hierover ter zitting nader verklaard dat [medewerker Tévé 2] en [medewerker Tévé 1] op basis van een handshake deal in Cannes een partnerschip zijn aangegaan voor toekomstige projecten. Deze deal zou zijn gemaakt toen het format er nog niet was.

4.18.

De curator betwist onder meer het bestaan van deze overeenkomst en ook dat een dergelijke overdracht beoogd zou zijn.

4.19.

Bij de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, komt het – gelet op artikelen 3:33, 3:35 en 6:217 Burgerlijk Wetboek – aan op hetgeen partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden hebben mogen afleiden. Nordisk heeft op dit punt onvoldoende gesteld. De enkele stelling dat er een handshake deal zou zijn voor toekomstige projecten, betekent nog niet dat kan worden vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen dat TéVé Partners/TéVé Holland het auteursrecht voor dit concrete format voor de helft zou overdragen aan Nordisk, nog afgezien van de vraag of een dergelijke mondelinge overeenkomst mogelijk is gelet op artikel 2 Aw en de vraag of een hierop gebaseerde vordering in deze procedure kan worden ingesteld. Hetgeen in dit verband overigens is aangevoerd, behoeft gelet hierop geen bespreking meer. Een en ander betekent dat indien de curator slaagt in het leveren van tegenbewijs, de vorderingen van Nordisk zullen worden afgewezen.

4.20.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

laat de curator toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat Nordisk voor 50% mede-auteursrechthebbende is van het format,

5.2.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 september 2019 voor uitlating door de curator of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.3.

bepaalt dat de curator, indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct bij akte in het geding moet brengen,

5.4.

bepaalt dat Nordisk, indien de curator uitsluitend bewijs levert door overlegging van stukken, in de gelegenheid zal worden gesteld om bij een antwoordakte op die stukken te reageren,

5.5.

bepaalt dat de curator, indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2019 tot en met januari 2020 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bakker en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2019.