Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2019:6079

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-08-2019
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 6526
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een Poolse vrouw die in Nederland WW ontving, hoeft deze niet terug te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/6526

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2019 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres])

(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (hierna: het Uwv)

(gemachtigde: G.M.M. Diebels).

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2018 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv de uitkering van [eiseres] op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien vanaf 1 juli 2015 en een bruto bedrag van € 15.982,81 teruggevorderd.

Bij afzonderlijk besluit van 25 april 2018 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv aan [eiseres] een boete opgelegd van € 40,-.

Bij besluit van 17 september 2018 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [eiseres] tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Het onderzoek is geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen.

Het Uwv heeft bij brief van 1 mei 2019 een nader stuk opgestuurd. Namens [eiseres] is daarop gereageerd bij brief van 9 mei 2019.

De rechtbank heeft vervolgens op 11 juni 2019 aangekondigd dat uitspraak zal worden gedaan zonder nadere zitting, tenzij één van partijen binnen vier weken laat weten op een nadere zitting te willen worden gehoord. Geen van partijen heeft laten weten op een nadere zitting te willen worden gehoord, waarna de rechtbank het onderzoek op 1 augustus 2019 heeft gesloten.

Overwegingen

Wat aan deze procedure voorafging

1.1.

[eiseres] is een Poolse arbeidsmigrante die vanaf november 2007 (met onderbrekingen) in Nederland heeft gewerkt voor uitzendbureau E&A Logistiek B.V. (hierna: E&A).

1.2.

Na het eindigen van haar uitzendcontract bij E&A heeft [eiseres] per 1 juli 2015 bij het Uwv een WW‑uitkering aangevraagd. Bij besluit van 10 juli 2015 heeft het Uwv per 1 juli 2015 een WW-uitkering aan [eiseres] toegekend.

1.3.

Op 21 juni 2016 heeft [eiseres] het Uwv verzocht om werk te mogen zoeken in Polen met behoud van haar WW-uitkering. Bij besluit van 23 juni 2016 heeft het Uwv deze toestemming verleend voor de periode 1 juli 2016 tot en met 30 september 2016. Bij besluit van 19 augustus 2016 heeft het Uwv de WW-uitkering van [eiseres] echter per 1 juni 2016 beëindigd, omdat het Uwv het formulier ‘inkomstenopgave’ over de maand juni 2016 niet van [eiseres] had ontvangen.

1.4.

Op basis van drie door het Uwv ontvangen meldingen is bij het Uwv later het vermoeden ontstaan van uitkeringsfraude met WW-uitkeringen door Poolse (ex-)werknemers van E&A. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv een thema-onderzoek (thema IOAW) verricht waarbij het recht op uitkering van een groot aantal personen is onderzocht. De onderzoeksbevindingen van het Uwv met betrekking tot het recht van [eiseres] op WW‑uitkering in 2015 en 2016 zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 22 november 2017.

Besluitvorming van het Uwv

2.1.

Bij het primaire besluit 1 heeft het Uwv de WW-uitkering van [eiseres] vanaf 1 juli 2015 herzien en over de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 een bruto bedrag van € 15.982,81 aan WW-uitkering teruggevorderd. Bij het primaire besluit 2 heeft het Uwv aan [eiseres] een boete opgelegd van € 40,-.

2.2.

Bij het bestreden besluit heeft het Uwv de primaire besluiten 1 en 2 gehandhaafd.

2.3.

Aan zijn besluitvorming heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat [eiseres] op 27 juni 2015 naar Polen is teruggekeerd en dat zij dat niet heeft doorgegeven aan het Uwv. Over de periode 1 juli 2015 tot 1 juni 2016 bestaat geen recht op een WW-uitkering, omdat [eiseres] zich op dat moment in het buitenland bevond. Dat [eiseres] op 27 juni 2015 naar Polen is vertrokken, baseert het Uwv in het bestreden besluit op de omstandigheid dat [eiseres] op een van E&A afkomstige buslijst met werknemers staat die op 27 juni 2015 naar Polen zijn vertrokken, alsmede dat [eiseres] niet heeft kunnen verblijven op het door haar opgegeven verblijfadres aan de [adres 1] en evenmin heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk op de door haar genoemde andere adressen heeft verbleven.

Standpunt van [eiseres]

3.1.

[eiseres] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij tot eind juni 2016 in Nederland heeft verbleven. Zij woonde bij een vriendin, eerst op de [adres 2] en daarna op de [adres 3]. Zij bestrijdt dat op basis van de door het Uwv genoemde argumenten kan worden geconcludeerd dat zij vanaf 1 juli 2015 in Polen woonde. Het adres [adres 1] was gewoon een postadres. Daarnaast heeft zij in de relevante periode in Nederland gepind en heeft zij tevens een verklaring overgelegd van de vriendin bij wie zij in deze periode in Nederland inwoonde.

3.2.

De gemachtigde van [eiseres] heeft op de zitting desgevraagd verklaard dat de beroepsgronden zich niet richten tegen de boete, maar uitsluitend tegen de herziening en de terugvordering.

Het oordeel van de rechtbank

De herziening en de terugvordering van de WW-uitkering

4.1.

Een besluit tot herziening en terugvordering van een uitkering is een belastend besluit. Daarbij is het aan het Uwv om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat in beginsel op het Uwv de last rust om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering is voldaan. In dit geval betekent dat dat het Uwv feiten moet aandragen die aannemelijk maken dat [eiseres] van 27 juni 2015 tot 1 juni 2016 buiten Nederland verbleef. Indien op grond van de gepresenteerde feiten aannemelijk is dat [eiseres] in de bestreden periode buiten Nederland verbleef, dan ligt het op de weg van [eiseres] om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.1

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt de enkele omstandigheid dat de naam van [eiseres] op de buslijst staat nog niet aannemelijk dat zij op 27 juni 2015 daadwerkelijk naar Polen is gereisd. Nadere gegevens die de aanname van het Uwv kunnen onderbouwen, ontbreken in dit geval. [eiseres] heeft in haar bezwaarschrift hierover verklaard dat zij haar naam op de buslijst heeft gezet, zodat zij met de bedrijfswagen naar Tilburg mee kon rijden naar het hoofdkantoor. De [adres 2], het adres waar zij stelt tot augustus 2015 te hebben verbleven, was hier namelijk niet ver vandaan. Niet uitgesloten is dat het is gegaan zoals [eiseres] heeft verklaard.

4.3.

Daarnaast is de stelling van het Uwv dat [eiseres] de [adres 1] als verblijfadres heeft opgegeven niet juist, nu het Uwv enkel heeft gevraagd naar een adres. Dit kon daarmee zowel een verblijf- als een postadres zijn. De verklaring van [naam directeur], directeur van E&A uitzendbureau, bevat naar het oordeel van de rechtbank ook geen belastende informatie over de verblijfplaats van [eiseres]. Zo blijkt hier in het bijzonder niet uit of en wanneer [eiseres] Nederland zou hebben verlaten.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat uit de door het Uwv genoemde argumenten niet iets concreets kan worden opgemaakt over de vraag of [eiseres] in de periode in geding in Nederland of Polen verbleef. Het Uwv heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat [eiseres] van 27 juni 2015 tot 1 juni 2016 buiten Nederland verbleef.

4.5.

Bovendien merkt de rechtbank op dat het dossier ook aanwijzingen bevat dat [eiseres] in de periode in geding in Nederland verbleef. Zo zijn er formulieren met inkomstenopgave die aan de [adres 1] zijn gestuurd en (op een enkele uitzondering na) steeds ingevuld en geretourneerd zijn aan het Uwv (zie bijvoorbeeld de formulieren inkomstenopgave van september 2015, 5 november 2015, 2 december 2015, 12 januari 2016, 10 februari 2016, 2 maart 2016, 8 april 2016, 3 mei 2016 en 3 juni 2016). Ook zijn er met regelmaat door [eiseres] sollicitatieoverzichten ingestuurd (op onder andere 22 juli 2015, 16 oktober 2015, 12 november 2015, 10 december 2015, 14 januari 2016, 3 maart 2016, 22 april 2016, 9 mei 2016 en 23 mei 2016). Verder is [eiseres] verschenen op gesprekken bij het Uwv op 20 november 2015, 29 januari 2016 en 22 april 2016. [eiseres] heeft ook een verklaring van 11 mei 2018 overgelegd van [naam], waarin zij verklaart dat [eiseres] in de periode vanaf 27 juni 2015 tot 15 augustus 2015 samen met haar op het adres [adres 2] woonde en dat zij vanaf 30 juni 2016 samen op het adres [adres 3] woonden. Deze verklaring ondersteunt ook het standpunt van [eiseres].

4.6.

Aangezien het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat [eiseres] in de periode in geding in het buitenland verbleef, is er geen grond voor herziening en terugvordering van de WW-uitkering van 1 juli 2015 tot 1 juni 2016. Voor zover de terugvordering betrekking heeft op de periode van 1 juni 2016 tot en met 30 juni 2016 blijft deze in stand, nu dit deel van de terugvordering het gevolg is van het in rechte vaststaande besluit van 19 augustus 2016 tot intrekking van de WW-uitkering per 1 juni 2016.

Conclusie

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin de herziening en de terugvordering over de periode van 1 juli 2015 tot 1 juni 2016 zijn gehandhaafd. Het primaire besluit I moet worden herroepen, voor zover dat betrekking heeft op de herziening en de terugvordering over de periode van 1 juli 2015 tot 1 juni 2016.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het Uwv aan [eiseres] het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door [eiseres] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit, maar uitsluitend voor zover daarin de herziening en de terugvordering over de periode van 1 juli 2015 tot 1 juni 2016 zijn gehandhaafd;

  • -

    herroept het primaire besluit 1, voor zover dat betrekking heeft op de herziening en de terugvordering over de periode van 1 juli 2015 tot 1 juni 2016, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 46,- aan [eiseres] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van [eiseres] tot een bedrag van € 2.048,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, rechter, in aanwezigheid van mr. L.H.J. van Haarlem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3766.